KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE A.S. DOOP VAN PRINSES BEATRIX
Er is een allergewichtigste gebeurtenis op handen. Prinses Beatrix zal gedoopt worden in de Groote Kerk te 's-Gravenhage. Wij verblijden ons er in, dat de bediening van het Sacrament van den Heiligen Doop zal plaats hebben in de Hervormde Kerk. Maar laten we dat „Hervormd" (hoe belangrijk ook in onze oogen !) nu eens even op zij zetten. En laten we nu eens een dikke streep zetten onder het woord: KERK. De Kerk van Christus zal dan weer een oogenblik (waarschijnlijk terwijl in alle huizen bij de radio geluisterd zal worden, wat we hopen !) in 't midden des volks staan.
Daarom zal het ons verheugen, als de bediening van het Sacrament aan de jonge Prinses op kerkelijke wijze zal plaats hebben. Wat wij met te meer ernst zeggen, omdat we nog heelemaal niet weten hoe de Doopsbediening, en door wien de bediening van het Sacrament zal geschieden. Dat is een kerkelijke plechtigheid en geen „liefhebberij" met „vertooning", al zal uit den aard der zaak deze kerkelijke plechtigheid wel anders, althans in sommige bijkomstige omstandigheden, gaan dan het gewoonlijk geschiedt. Dat is nu eenmaal zoo, en dat kan niet anders. Wanneer men het „zonder meer" als een „gewone" godsdienstoefening ging behandelen met „vrije toegang voor allen, die in deze dingen belangstellen", werd het — nu ja, laten we het maar zeggen, een onordelijke troep, een jan-boel. Dat kan men op z'n vingers uitrekenen. En daarom zal men dienaangaande ook wel verstandige en behoorlijke maatregelen treffen.
Maar overigens zal het een echt-kerkelijke plechtigheid moeten zijn, waarin de Kerk als Kerk erkend wordt en waarbij de Kerk als Kerk handelt, spreekt, getuigt, verkondigt — naar de heerlijkheid van het Evangelie, naar de heerlijkheid van het Sacrament van den Heiligen Doop, óók nu 't betreft onze kleine, lieve Prinses van Oranje !
„Ontzaglijke verantwoordelijkheid voor de Kerk. geheel unieke gelegenheid voor den prediker om een echt Christelijk, diep-doorleefd getuigenis te doen uitgaan lot ons volk. Gelegenheid om te getuigen van de gevaren, die het gezinsleven van alle kanten in ons vaderland bedreigen, in de hoogste en laagste kringen. Gelegenheid om „de natie haar doop te doen verstaan" naar het bekende woord van Wormser".
„Het Woord Gods moet klinken, helder, diep, volledig, gewagend van de heiligheid Gods, van menschelijke zonde ; van de trouw Gods tegenover onze ontrouw ; van de genadeverhouding, waarin God ons als in een verbond opneemt, om ons en onze kinderen te verplichten tot een nieuwe gehoorzaamheid. Dan zullen vorstelijke ouders moeten antwoorden op de ernstige en tot groote verantwoordelijkheid verplichtende vragen van het Doopsformulier der Kerk. Dan zal er geen sprake mogen zijn van „de eer, die aan een gemeente of dienaar te beurt valt" om deze heilige handeling te volbrengen, neen. God doet het Vorstelijk Huis dan de eer aan, het in genade aan te zien. „Hij zal genade en eere geven".
„Het zal noodig zijn, te midden van alle neiging tot afleiding van de aandacht en verlegging der accenten, de dingen helder te blijven zien, vooral in onzen tijd".
De Kerk als dienaresse van Christus moet, wie zij ook ontmoet, zich stellen in den dienst des Heeren en heeft te spreken van den zondaar, die begenadigd wordt in de liefde van Jezus Christus.
„Zulk een positieve prediking kan voor menigeen aanleiding zijn tot bezinning. Laten er velen desnoods „neen" zeggen, of onwetend de schouders ophalen. Laten zij zich — Christelijk gesproken - liever stooten en ergeren aan wat den oppervlakkigen buitenstaander vreemd moet voorkomen of onbegrijpelijk. Dat hindert voor dit oogenblik niet zooveel. Hier geldt het veelal een „verborgenheid" en dan geldt het niet menschen te behagen. Dan geldt het te verkondigen het Woord des Heeren, in Jezus Christus.
„En het zal ons niet interesseeren te vernemen van een „onvergetelijk schouwspel van uniformen enz." De geloovigen vernemen 'ten slotte liever een duidelijke, warme en hooge prediking door de radio, dan de vriendelijke vermelding van familiebijzonderheden, kleedingstukken, ridderorden, kerkversiering, volgkoetsen, enz."
„De verhouding van den mensch tot God immers is van zóó volstrekt anderen aard dan de verhouding van mensch tot mensch, zelfs van vorst tot volk — dat op het oogenblik, waarin God den mensch aanspreekt, inderdaad alle feestelijk wit zwart verschroeit en alle koninklijk goud wegsmelt. Dan is er geen sprake meer van waardigheid en verdienste ; dan is de lijn, die door de geslachten loopt, hoogstens de lijn van zonde en schuld van 's menschen kant en van barmhartigheid van geslachte tot geslacht van Gods kant".
„Veel meer nog dan de huwelijksbevestiging is de doopsbediening een kerkelijke handeling. Zij raakt het wezen van het Christelijk geloof. Daar is zij de uitbeelding, het teeken en het zegel van". (Zie „Woord en Geest", 22 April '38, artikel van E. L. S(melik).
Laten wij de komende gebeurtenis van den Doop van onze kleine Prinses zóó zien en zóó gedenken, óók in ons gebed. Dat ook wij boven en naast de „uiterlijke vertooningen van vorstelijke personen, met feestkleederen, ridderorden enz.", toch gedenken aan de kerkelijke, heilige gebeurtenis, als de bediening van het Sacrament van den Heiligen Doop zal plaats hebben.
En geve de Heere hem, die het Woord zal brengen en het Sacrament zal hebben te bedienen, genade en wijsheid, liefde en ernst, om te spreken en te handelen als dienaar van Jeizus Christus.
Zal het de Hofprediker zijn ? We lazen er nog niets van.
God sterke hem !
Hier, in Nederland, behoeven we nog niet in de gevangenis of worden we nog niet naar een concentratiekamp gebracht, als we getrouw willen zijn als Evangelieprediker. Gelukkig niet.
Dat het Woord dan ook luide mag klinken in de Kerk — en door de radio wellicht in alle huizen van Nederland.
In alle huizen van Nederland Wat een geweldige gedachte !
DE REORGANISATIE.
HET PAASCHFEEST EN NÓG WAT
Het Reorganisatie-Ontwerp is aan de orde. En men zal het moeilijk kunnen ontkennen, dat de zaak van de reorganisatie der Hervormde Kerk nooit zoo in het midden van de belangstelling heeft gestaan als nu. Er zijn er wel, die het willen voorgeven, alsof het een liefhebberij is van een paar dominees, maar dat de Kerkeraden en dat vooral de gemeenteleden er totaal buiten staan en er onverschillig voor zijn, maar die dat zeggen, zeggen dat tegen beter weten in. De kwestie van de reorganisatie heeft, vooral sinds 1929 (het vorig Voorstel van een Commissie, door de Synode benoemd) de aandacht en de belangstelling ; en zonder voor profeet te willen spelen, zeggen wij toch met beslistheid, dat de zaak van de reorganisatie aan de orde is en aan de orde zal blijven.
Daarom gelooven wij ook, dat ieder goed zal doen z'n aandacht aan deze zaak te geven, zal men straks niet onder den voet geloopen worden !
de Vrijzinnigen — maar zij niet alléén — hebben gezegd : de kwestie van de reorganisatie heeft niet de belangstelling der Kerk. Maar ze maken zich nu dan toch maar bijzonder zenuwachtig en ze roeren zich als nooit te voren. Waarom ?
Omdat de reorganisatie-kwestie niemands belangstelling heeft ? Waarom dan die „vliegende blaadjes" in duizenden en tienduizenden exemplaren, week aan week, om Kerkeraden en gemeenteleden voor de reorganisatie te waarschuwen ?
Bij gelegenheid ^van het Paaschfeest was het orgaan van de Vrijiz. Hervormden óók bijzonder gevuld met bespreking — en natuurlijk bestrijding — van het aanhangige Reorganisatie-Ontwerp. Maar het is ietwat gevaarlijk geweest, om de Paasch-overdenking van de Vrijzinnigen nu in duizenden exemplaren alom te verspreiden. Want nu is, veel meer dan anders wel gebeurt, onder de oogen van duizenden orthodoxen gekomen hoe de Vrijzinnige Hervormden over de opstanding van onzen Heere en Heiland Jezus Christus denken !
En dat in het midden van de Hervormde Kerk met haar aloude belijdenis, met haar Sacramenten van Doop en Avondmaal, met haar prediking (denk aan het formulier ter bevestiging van dienaren des Woords) en haar liturgie in lied en gebed !
Als er nu één ding behoort tot „den geest en de hoofdzaak der Hervormde leer", dan is het toch zeker de opstanding van onzen Heere en Heiland Jezus Christus aan den morgen van den eersten' dag der week, de morgen der verrijzenis. De verrijzenis, waaraan de discipelen en de vrouwen eerst twijfelden „omdat zij de Schriften niet kenden", maar waarvan zij met „vele gewisse kenteekenen" heerlijk overtuigd zijn geworden en alom hebben gepredikt : „de Heere is waarlijk opgestaan !"
Denk Paulus, den grooten heiden-Apostel, eens één oogenblik zonder de waarachtige opstanding van den Heere Jezus Christus. Is het om alles ijdel te maken, ijdel ons geloof, ijdel onze prediking, ijdel sterven en opstanding, ijdel alles — wegstervend in onze zonden !
En nu gaan de Vrijzinnige Hervormden — dom en ondoordacht toch, maar anderzijds precies zooals het is — in een anti-reorganisatieblad, den volke verkondigen, dat zij, die tegen de reorganisatie ijveren (omdat de Hervormde Kerk dan weer daadwerkelijk den weg zal opgaan van belijdende, Christus belijdende Kerk) niet eens gelooven in de opstanding van Christus uit den dood. Hij die in het graf werd bijgezet, na Zijn kruisdood, is in het graf gebleven. De doode bij de dooden !
Engelen en menschen woi'den hier tot leugenaars gemaakt. Christus Zelf wordt tot een leugenaar gemaakt. De Heilige Schrift wordt tot een leugenboek gemaakt. De belijdenis van Christus' Kerk van alle eeuwen wordt tot leugen gemaakt. En zij die op het meest cardinale punt van ons algemeen, ongetwijfeld, christelijk geloof ten sterkste publiekelijk afwijken, geven het consigne nu in hun „vliegende blaadjes", dat de Hervormde Kerk moet blijven zooals zij is, omdat anders de loochening van het Evangelie der zaligheid niet meer zoo mogelijk zal zijn en zal blijven, als dat nu practisch het geval is !
Het „Vrijzinnig-Hervormd-Paaschgeloof" uit zich in ..Kerk en Wereld", als anti-reorganisatienummer, overal verspreid(!) als volgt:
„En indien Christus niet is opgewekt, zoo is dan onze prediking ijdel en ijdel is ook uw geloof" (1 Cor. 15 vers 14).
„Wij laten in het midden, wat er waar is van het historische verhaal : of het mogelijk is, en zoo ja, of het ook werkelijk gebeurd is, dat Jezus lichamelijk uit den dood is opgestaan. Het is voor het geloof het voornaamste niet".
Eigenlijk kunnen we hier wel óp houden. En dat leert men nu vrijelijk in de Hervormde Kerk, met haar aloude belijdenis !
Wat de Vrijzinnige dan overhoudt van het Evangelie der opstanding ?
Het gaat er om — zegt men - „dat het Goede, Schoone, Ware in ons geboren wordt, in ons opstaat, in ons leeft" ! Dat is het „goddelijke" !
Dat zal de wereld overwinnen.
Heeft men sterker bewijs kunnen leveren, dat het niet goed staat in onze Hervormde Kerk ? Dat onze Hervormde Kerk in de zonde leeft ?
Dat hier sprake is van „onze zonde"
EEN MENGELMOES VAN LEVENSLEER.
Er is een boekje verschenen : „De weg naar geluk". Wij hebben het niet gelezen. Maar we lazen ergens een paar citaten. Die Laten we hier volgen. Het is een mengsel van fatalisme met de noodlotsleer, van pantheïsme, evolutionisme, theosophie. Christian Science, reïncarnatie-leer, boeddhisme, enz.
„Alles, wat ons menschen — 't zij nu of morgen of in de oneindige reeks onzer levens — beschoren is, was al sedert het oerbegin voorbeschikt".
„Alles is Oerkracht (God), 't zij mensch, dier, plant of steen".
„De schuld, die wij menschen door onze onwetendheid, dikwijls al in een vorig leven, gedwongen door de wet der voorbeschikking, ter wille van onze hoogere ontwikkeling op ons geladen hebben, moeten wij in dit leven boeten".
„De menschen worden alleen maar ziek tengevolge van hun hersenschimmen, van hun verkeerde ideeën over het leven".
„Eens zal het ontwikkelingsproces voleindigd, het Karma in ons uitgewerkt zijn. Alle leed is dan verdwenen ; wij hebben ons doel bereikt, want wij hebben den waan overwonnen".
Jammer, dat de mensch niet gelooft wat de Psalmist zegt : „Uw Woord is mij een lamp voor mijnen voet, een licht op mijn pad" (Psalm 119 vers 105).
En de Christus der Schriften zegt in het midden van een zondige wereld: „Komt allen tot Mij, die vermoeid en beladen, zijt. Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Die in Mij gelooft, heeft het eeuwige leven".
TWEE WILLEN ZELFONDERZOEK
Wij lazen een zeer breedvoerige bespreking van „De wil in de nieuwere psychologie" door dr. A. Kuypers. In dat verband wordt dan ook gesproken over middel en doel. Waarom doet men dit en waarom doet men dat ? Telkens staat de mensch voor een keuze. En wat wil hij dan ? Waarom doet hij het ? Waartoe zal het leiden ?
Dr. Kuypers (die de Psychologie van dr. Bavinck bewerkte en een „Inleiding in de Psychologie" gaf) spreekt dan Ook van de „twee willen". En zegt dan :
„Klassiek is het geval van de „twee willen" van Augustinus. In liet VlIIe boek van zijn „Belijdenissen" schrijft Augustinus : „Daarom zijn er twee willen en geen van deze is geheel en compleet ; maar de één bezit, wal den ander ontbreekt Ik wilde noch geheel, noch ook geheel niet. Daarorm lag ik met mij zelf in strijd en was in mij gedeeld. Maar ook de tweespalt was tegen zijn wil, maar hij gewaagde niet van een vreemden geest in mij. Eén en dezelfde ziel is het, die met halven wil het één en met halven wil het ander begeerde".
De apostel Paulus gaf een soortgelijke zelfanalyse, toen hij schreef : „Want het goede dat ik wil, dat doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik". En : „Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bij ligt". (Rom. 7 vers 19—21).
„Bij Paulus en Augustinus zou men die houding aldus kunnen omschrijven : ik wil eenerzijds de lust der zonde niet missen en anderzijds de zaligheid der vromen niet derven. Het ééne — misschien onbewuste — doel : ik wïl geen offer brengen ; ik wil alles hebben". Het aantrekkelijke in deze psychologische verklaring is, dat zij de verantwoordelijkheid niet opheft, maar juist wil accentueeren.
Dr. Kuypers, die hier weergeeft wat de beschouwing is van Künkel, zegt : „Geheel bevredigen echter doet ze niet. Künkel's zienswijze doet denken aan die van den R.K. psycholoog A. Pfänder. Deze maakt onderscheid tusschen een „grondwil" en een „empirischen wil", die elkaar Lang niet altijd dekken. De grondwil kan een doel hebben, maar daarvan is men zich lang niet altijd bewust, waarom nauwgezette zelfbezinning en zelfonderzoek noodig is. Het is telkens de „grondwil", die voor het gedrag, voor ons doen en voor ons laten, den doorslag geeft.
„Denken we nu nog eens aan hetgeen Paulus schrijft in Rom. 7" — aldus dr. Kuypers. „Wanneer Paulus het goede wil, maar niet doet, of ook het kwade niet wil, maar wèl doet, dan| blijkt daaruit, dat het „empirisch willen" in heide gevallen machteloos staat, omdat het zwak is, vergeleken bij den „grondwil".
Als Christen weten we trouwens maar al te goed, en Paulus bedoelt stellig, dit ook hier uil te spreken, dat de „grondwil" die hem nolens volens (tegen wil en dank) het kwade laat doen en hem weerhoudt het goede te doen, onmiddellijk samenhangt, ja, opwelt uil de verdorven natuur des menschen.
De strijd tusschen de door de zondige natuur bepaalde drijfveeren aan de ééne zijde èn de door schriftuurlijke normen bepaalde motieven van het bewuste willen aan den anderen kant, treedt hier sterk op den voorgrond."
„Het is duidelijk, dat we met deze kwestie beland zijn op het grensgebied van psychologie en ethica'."
„Tegenwoordig spreekt men op theologisch terrein veel over „zelfonderzoek". Ik geloof, dat daarmede de „zelfontdekking" hand in hand moet gaan ; dat de „zelfontdekking" in het algemeen behoort vooraf te gaan."
En de tegenwoordige heftige polemiek in de kerkelijke bladen als voorbeeld nemend, zegt dr. Kuypers, die dus wil dat men eerst zelf het deksel moet oplichten, om dan te onderzoeken wat er eigenlijk in en wat er eigenlijk achter die bestrijding van elkaar zit bij geestverwanten en kerkgenooten.
„Het is helaas geen zeldzaamheid, dat iemand de vroomste motieven meent te hebben bij zijn polemiek, terwijl de drijfveeren toch heusch ontspringen in eigenliefde, zelfheerjkheid ; of zelfs in haat en ressentiment, 't Is wel jammer, maar toch is het niet anders." „Ontdekking d.i. blootlegging der drijfveeren en ontmaskering der „mooie" motieven, moet de eerste etappe bij elk zelfonderzoek zijn."
Wij gelooven ook, dat het aanbeveling verdient, dat degenen, die in kerkelijke bladen 200 heftig en zoo scherp, soms zelfs zoo venijnig en zoo hartstochtelijk polemiek voeren, goed zouden doen zich zelf eens ernstig te onder-zoeken (dat is onder hetgeen zich in 't publiek voordoet te zoeken) naar de eigenlijke drijfveeren ; dat zij goed zouden doen van het zichtbare, dat zich naar buiten vertoont, het deksel eens op te lichten, om dan na te speuren wat eigenlijk de diepste ondergrond is (die zich voor 't oog der menschen verschuilt achter allerlei mooie woorden). Het is toch God, die ook in deze het hart aanziet, terwijl de menschen slechts zien wat voor oogen is.
Sprak dr. Kuypers, de christen-psycholoog, in deze niet van „haat", „eigenliefde",
„zelfhéerlijkheid", van jalouzie, nijdigheid, naijver enz. ?
DE A.S. CLASSICALE VERGADERING.
Hoe moet het toch straks met de Classicale Vergadering, den laatsten Woensdag van Juni ?
Daar is als het voornaamste punt van de agenda natuurlijk : het Reorganisatie-Ontwerp. Dat moet rustig, grondig besproken worden. Waarvoor de Classicale Vergadering, waar de Kerken van de Classis wettig vertegenwoordigd zijn, de aangewezen plaats is.
Maar er zijn ook de „gewone" Synodalia, die dit jaar niet zijn uitgebleven en dus om bespreking vragen.
Hoe moet dat nu ?
Op één dag kan dat alles niet gebeuren. En het moet toch behandeld worden.
Daarom is hier en daar de gedachte opgekomen : laten we er ditmaal twee dagen voor nemen. Hetgeen wij van harte toejuichen. Laten: wij, Hervormden, nu ook eens laten blijken, dat er nog „kerkelijk" bloed in onze aderen vloeit ! En waar het zoo zelden voorkomt, dat wij eens echt kerkelijk over kerkelijke aangelegenheden op een kerkelijke vergadering kunnen samenspreken (Provinciale Synoden hebben wij niet, en ook missen wij onze Nationale Synode als kerkelijke vergadering ) moeten wij deze gelegenheid nu niet over z'n kant laten gaan en onbenut laten passeeren, maar moeten we met elkaar eens onze uiterste best doen om als Kerk een samenspreking te hebben.
Daarom overwege men het plan : dit jaar twee dagen Classicale Vergadering ! Overal !
En dan op den eersten dag : de gewone werkzaamheden, met de gewone Synodalia. Zoo vlug en zoo vlot mogelijk. Enkelen die daarvoor talent en tijd en lust hebben moeten ons daarbij tijdig van toelichting en advies dienen, dan kunnen we allen daarvan gebruik maken. Vlug en vlot moet dat gaan.
En dan stellen we ons voor, dat 's middags van den eersten dag door twee inleiders uit de Classis een toelichting van het Reorganisatie-Ontwerp wordt gegeven, de èèn pro en de ander contra. Als die twee heeren, door hel Classicaal Bestuur uitgenoodigd, zich daarvoor willen geven, zou te voren een schets, overzichtelijk en zakelijk, aan al de leden van de Classicale Vergadering (aan de Kerkeraden) kunnen worden toegezonden. De sprekers lichten die schets dan toe op de Vergadering van de Classis.
We zouden dan den tweeden dag de besprekingen kunnen hebben, om tot een omschreven advies te komen voor de a.s. Synode in Augustus.
Laten we nu — we herhalen het gaarne nog eens — als Hervormden toonen, dat er nog kerkelijk bloed in onze aderen stroomt. En als voor-en tegenstanders dan willen meewerken om zakelijk, ernstig, vlot te kunnen beraadslagen, dan is er nog iets goeds te verwachten voor onze Ned. Hervormde Kerk !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's