De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

Jaarvergadering Geref. Bond gehouden Donderdag 28 April 1938

67 minuten leestijd

In de groote zaal van het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen is Donderdag 28 April j.l. onder groote belangstelling de Jaarvergadering van den Geref. Bond gehouden onder voorzitterschap van ds. M. van Grieken van Rotterdam. Precies te half elf verzocht de Voorzitter te zingen Ps. 119 : 17, hij las daarna 2 Tim. 1 : 1—14 en ging voor in gebed. Het openingswoord had tot opschrift :
„Trouw aan ons beginsel”
en luidde als volgt :

Geachte Vergadering, Broeders en Zusters. Temidden van het geweldigst wereldgebeuren mogen wij vandaag op een stil plekje in het centrum van ons land samen komen om onze besprekingen te concentreeren op 's Heeren Kerk, zooals zij zich in ons land, in het midden van ons volk openbaart, met name in onze Hervormde Kerk. Niemand legt haar hier ook maar iets in den weg. Zij is zoo vrij als een vogeltje in de lucht en kan, wanneer zij dat wil, leven naar haar aard als Kerk van Christus.
Als dat aan onzen geest voorbij gaat en het laat ons harte niet onberoerd, dan is het om klein te worden bij zoovele zegeningen, om stil te worden voor Gods aangezicht.
Want het ontstellend wereldgebeuren, dat doordringt tot vlak aan onze grenzen staat veelszins in het teeken van onder Gods ordinantiën uit te komen en Gods Kerk te benauwen en uit te roeien. En nóg is het einde niet. Pas heeft een dictator snoevend gesproken, gelijk eens Nebucadnezar deed : dit is het Babel dat ik gebouwd heb. En nog schrijnt een woord van een anderen imperator onze ziel, dit woord : „de dolk tusschen de tanden, de bommen in de handen en een souverein minachten van 't gevaar in het hart".
De Kerk des Heeren raakt bij deze dingen hoe langs hoe meer in de klem. Van Sowjet-Rusland weten we dat allang. Voor Judas een standbeeld, Christus dood verklaard, de Kerk vervolgd, de christenen gedood. Het is een wonder dat er nog zijn overgebleven van de belijders van 's Heeren macht, maar de adem wordt hen afgeknepen. Men zal niet rusten tot dat er geen steen meer op den ander is overgebleven.
Het wereldgebeuren cirkelt zich rondom de Kerk. Ook Duitschland bewijst het dagelijks. Het is of men met blindheid geslagen is. Er is een doldriftig woeden tegen 's Heeren Kerk. Het heidendom grijpt naar de Kroon. En we denken aan de droeve klacht van Ps. 79 : „Getrouwe God, de heidenen zijn gekomen, zij hebben stout uw erfland ingenomen ; Jeruzalem, de tempel, Uw altaren, 't ligt al verwoest door die geweldenaren". — Doch luisteren we goed, dan klinkt daar een stem door de tralies, van achter de gevangenismuren : „Houdt Christus Zijne Kerk in stand, zoo mag de hel vrij woeden, gezeten aan Gods rechterhand, zal Hij haar wel behoeden".
De Kerk -- en daar gaat het ons nu om -- is van God gewild en zal van God bewaard worden, juist om voor de ongelukkige wereld tot een zegen te zijn, èn om te wezen „de gemeenschap de heiligen, met vergeving der zonden en de hope der opstanding".
Die Kerk is onder ons bewaard geworden en in het midden van ons volk en Vaderland is due Kerk vrij, om vrij te leven naar Gods Woord, onder haar Hoofd Jezus Christus.
Tegelijk als we dat zeggen tot roem van Gods barmhartigheid, Wiens trouw aan ons bewezen, groot is wordt het ons bang te moede.
Want zouden wij, nu al dertig jaar, onzen Geref. Bond hebben en zouden wij vandaag wel hier vergaderd zijn, met zichtbare spanning, als dat waar was : dat de Kerk des Heeren, met name nu genoemd de Hervormde Kerk, die vrij is in al haar doen en laten in Nederland, ook werkelijk leefde naar 't Woord des Heeren, onder haar éénig Hoofd Jezus Christus ?
De vraag te stellen, is tegelijk een antwoord geven.
In 1905, toen op politiek terrein de wateren heftig beroerd werden en boven alles uitklonk : „weg met de clericalen" — (het is nu precies vijftig jaar geleden, dat Nederland 't christelijk ministerie Mackaij kreeg) schreef een Hervormd dominé, dat het Boedhisme de ideaal godsdienst was, en het christendom, daarbij vergeleken, een barbarendom. Vrij kon dat geschreven en gepropageerd worden in onze Hervormde Kerk. En ieder voelde, dat de organisatie der Kerk, met haar besturenapparaat, het grootste obstakel was, omdat de toeleg niet onduidelijk is om zóó de belijdenis der Kerk krachteloos te maken en de Kerk te verlagen tot een „Vereeniging van elk wat wils", waar in feite alles kan worden geleerd en gepropageerd wat men wil.
De belijdenis der Kerk is in naam bewaard, maar opgeborgen in de safe en de organisatie is zóó, dat de belijdenis vrij geschonden kan worden door iedereen, die er lust in heeft. Dat is de zonde van de Kerk onzer Vaderen.
Een paar vertrouwensmannen kwamen te Utrecht saam, in het Tehuis voor Militairen — de heer Duymaer van Twist was daar misschien wel de oorzaak van, dat daar werd vergaderd — om over de treurige kerkelijke toestanden te beraadslagen, onder den indruk van het optreden van ds. Louis Bahler, die natuurlijk ten slotte vrij gesproken werd door de hoogste kerkelijke instantie. Maar de meeningen waren van stonde af aan verdeeld, toen het ging over de vraag van Kerkherstel. 't Meest op den voorgrond kwam 'eerst „de politieke weg". Want in uitzicht werd gesteld, dat de Regeering door Kon. Besluiten op te heffen en regelingen van vroeger ongedaan te maken, de vrijmaking der Hervormde Kerken zou kunnen mogelijk maken. „Dit mag niet onmogelijk geacht worden", werd gezegd.
Tegelijk werd door anderen, met name door den heer Duymaer van Twist, betoogd, dat we het oog op den kerkdijken weg moesten hebben, en dat de Synodale Organisatie zal moeten verdwijnen en dat we zoo moeten komen tot een „herboren Gereformeerde Kerk".
Dit tweeslachtig beginsel, dat van stonde af aan verdeeldheid gaf in eigen kring, kwam ook uit in Art. 4 van de Statuten van den Bond van vrijmaking der Ned. Herv. Kerken (1906).
Deze actie is op een mislukking uitgeloopen ; de een na den ander verliet de gelederen 26 October 1908 schreef prof. Visscher, de Voorzitter van den Bond tot vrijmaking, zijn bedankbrief en zei daarin o.a. dat hij heenging, omdat het hem bleek, dat de Broeders anders dachten dan hij. ,,Niet zonder diep leedwezen", zoo schreef prof. Visscher, „ga ik tot dezen stap over, daar ik ten zeerste gehoopt had met u te kunnen medewerken tot heil der Geref. gemeenten in de Ned. Herv. Kerk. Bovendien laad ik den schijn op mij wel een zaak te beginnen, maar haar niet te voleindigen. Doch waar het mij voor jaren in den Zendingsbond en ook thans weer in dezen Bond bleek, dat ik meer een belemmering ben voor den opbloei dan een steun, blijft mij niet anders over dan dien schijn te dragen. Waarschijnlijk versta ik iets anders onder gereformeerd dan de meeste Hervormde predikanten, die zich gaarne met dien naam présenteeren enz."
Prof. Visscher ging dus heen, de gelegenheid waarnemende om den Geref. Zendingsbond en den Geref. Bond tegelijk een getuigschrift uit te reiken, dat niet precies een eervolle vermelding bevatte.
De crisis der jeugd — die wel méér voorkomt en dan wel gepaard gaat met groeistuipen — hebben we doorworsteld. En in October 1909 werd besloten ons werk voort te zetten onder een anderen naam en met een ander grondleggend artikel 4 in de Statuten — zooals we dat op heden nog hebben, door de zorgende liefde en trouw onzes Gods.
Stond in den beginne op den voorgrond de politieke weg, nu ging het om den kerkelijken weg. Was het eerst de opheffing van . Kon, Besluiten en vrijmaking der Hervormde Kerken, waarbij, op de wijze van een modusvivendi, gedacht werd aan een „afzonderlijke organisatie der Gereformeerden", — in 1909 ging het, naar het woord van den heer Duymaer van Twist, in dezen weg : de Synodale Organisatie van heden zal moeten plaats maken voor een andere, naar de beginselen van de Dordtsche Kerkorde, om zóó te komen tot een herboren Gereformeerde Kerk in het midden van ons volksleven. (Gedenkhoek blz. 107).
Dat is toen neergelegd als een onveranderlijk beginsel in Art. 4 van ons tegenwoordig Statuut en met dat ideaal voor oogen zijn we nu bijna dertig jaar geleden begonnen met onzen tegenwoordigen „Geref. Bond tot verbreiding en verdediging der Geref. waarheid in het midden van de Nederl. Hervormde (Geref.) Kerk, om, mede daardoor, te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar vanouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619."
Met name is dus genoemd, dat de Synodale-Besturen-Organisatie zal moeten verdwijnen en dat voor onze Hervormde Kerk de presibyteriale Kerkregeering, zooals die, wat de beginselen betreft, in de Dordtsche Kerkorde is omschreven, moet worden terug verlangd.
Onderscheidene voormannen hebben ons sinds dien tijd telkens aan het doel van den Bond herinnerd en door hun bezielend woord geïnspireerd, om in den sinds 1909 ingeslagen weg moedig voort te gaan. Wij herinneren, ons nog wat in 191i0 ds. Remme, die in de vacature dr. de Lind van Wijngaarden gekozen was, sprak in zijn referaat, dat tot titel had : „De nood der Kerk, het bestaansrecht van den Bond." „De nood der Kerk", aldus deze spreker op de Jaarvergadering, „is zondennood". En uit zondennood wordt verlossing slechts geboren in den weg van 't : „wij hebben gezondigd, wij en onze vaderen, en gedaan wat kwaad is in de oogen des Heeren." „De Kerk moet haar zuiverheid zoeken te bewaren in de bediening des Woords, der Sacramenten en der kerkelijke tucht. Wie uwer is het niet bekend, dat de prediking des Woords in vele gemeenten in verval is ; dat, waar de één God dankt voor een ledige Avondmaalstafel, de ander de schare in massa drijft aan den heiligen Disch des Verbonds ; wie weet niet, dat de tucht, die heilzame instelling des Heeren, onder ons goeddeels is als een zwaard, dat in de scheede is vastgeroest. Het is een dubbelonverdiende gunst, als de Heere ons nog zoovele zegeningen geeft. Dat niemand verachte wat de Heere nog onder ons doet. Als elk levensteekenen geweken zijn, medicineert de arts niet meer. En nu moeten wij spreken van de zonde der Kerk, niet als degenen, die zelf geen schuld aan deze dingen hebben. Want wij en onze vaderen hebben gezondigd. Maar dan moeten we ook de genezing zoeken. Niet dat wij den steen der wijzen hebben gevonden en den weg precies weten. Maar wanneer er zijn, die meenen, dat uittreden de eenige oplossing is — dan antwoorden wij, dat wij het te ernstig mieenen om héén te gaan en voor indringers te ruimen. Vernieuwd, gezuiverd, doorlouterd geestesleven moet de bedding graven, waarin zich de stroom van vernieuwd, hersteld kerkelijk leven zal kunnen voortspoeden. En wij moeten met onzen Geref. Bond een werkkring, een spade, zoo gij wilt, in Gods hand willen zijn, om de bedding te mogen helpen uitgraven, waarin zich straks de stroom van verjongd en gereinigd kerkelijk leven zal kunnen voortbewegen, tusschen de oevers onzer vaderlijke erve, die ons lief geworden is, bovenal door het lijden en strijden, door het bloed en de tranen onzer vaderen. Er is periculum in mora d.i. de toekomst van ons volk staat en valt met de toekomst onzer Kerk. Ze heeft de Leidsvrouwe te zijn, die de schare, aan haar toevertrouwd, voorgaat en den weg wijst naar de Sprinkader der levende wateren. Zij heeft over het leven des volks te doen opgaan het licht van den Christus, in Wien het antwoord ligt op alle vraag en raadsel."
Enkele jaren later sprak ds. Goslinga, het was in 1917, over: „De hand niet afgetrokken". ,, Het kerkelijk leven heeft ons aller belangstelling. Temeer, waar het kerkelijk leven onder ons krank is. Hoe kan het zóó worden, dat het waarlijk gezond mag heeten, zooals het ons in het Woord staat vermeld? Grif willen wij aannemen, dat velen van die heengingen en zeiden : ,, de strik is gebroken, het juk is afgeschud" - werden aangespoord door de oprechte begeerte om van al het zondige en verkeerde in de Kerkelijke wereld zich vrij te maken. Zich vrij te maken zeggen we. Maar de Kerk, waarom het ging en gaan moet, is er niet door bevrijd. Ja, het Kerkelijk vraagstuk is er nog veel ingewikkelder door geworden". „Wij verlangen er niet naar, dat de Kerk des Heeren in dezen lande in stukken wordt verdeeld, dat de boom wordt afgekapt, dat het huis onzer Vaderen verwoest achter gelaten wordt". „Wil men het brokkel systeem op Kerkelijk terrein ? Wat komen dan tegelijk allerlei ongerechtigheden binnen. Want hier zoekt men een zieltje te winnen en daar bestookt men met alle macht, wat vlak naast de deur gevonden wordt. De Naam des Heeren wordt er door gelasterd en de Kerk des Heeren wordt er door afgebroken inplaats van opgebouwd. „Er moet verzameld worden en opgebouwd. Dat moet ons saam bezielen. De hand niet afgetrokken".
Wij willen niet voortgaan om nog eens weer óp te halen wat in den loop der jaren onder ons is gesproken in betrekking tot den nood der Kerk en den arbeid van onzen Bond. Wij hebben het alleen gedaan opdat ons weer bij vernieuwing voor oogen zal staan wat ons doel en streven altijd geweest is en wat het ook blijven moet in de toekomst.
Wanneer er dan hier en daar meer kerkelijk besef komt dan verblijden wij ons. Onder alle richtingen is er iets merkbaar, dat de Kerk weer meer in het midden moet komen, zelfs onder de Modernen en onder de Ethischen. En zoo is het kerkelijk vraagstuk een nieuwe fase ingegaan ; nationaal en internationaal ; waarover wij ons verheugen. De nood der tijden heeft ontdekt aan den nood der Kerk. En de nood der Kerk is het bestaansrecht van onzen Bond.
Gelukkig, dat wij nu onzen Bond hebben. Nu kan men ons niet verwijten, dat de Gereformeerden in de Hervormde Kerk zich niets van de Kerk, en van den nood der Kerk aantrekken. Men kan ons ook niet verwijten, dat wij aansturen op scheuring en scheiding ; dat bij ons de gedachte leeft : „als wij, als Gereformeerde partij, maar vrijheid genieten, dan zijn we tevreê en trekken we ons van de Kerk als zoodanig niets aan". Dertig jaar lang hebben wij ons tegen een dergelijk streven gekant, om des beginsels wille. En het is óns pogen geweest, om door verbreiding en verdediging der Waarheid in te werken op de Hervormde Kerk, opdat zij mee daardoor uit haar diepen val mocht worden opgericht, en weer als een pilaar en vastigheid der Waarheid mocht komen staan in het midden van ons volk. Want de Hervormde Kerk is, naar Gods bestel, zoodanig met het volk, en het volk zóó danig met de Hervormde Kerk verbonden, dat het een onschatbare zegen zou zijn, indien de Hervormde Kerk, door den Heere in dezen lande geplant, weer mocht verwaardigd worden het licht uit te dragen naar alle kanten, in stad en dorp.
Daarbij hebben we als Geref. Bond ons eigen standpunt, dat niet nieuw is, maar zoo oud, als de Geref Kerk van Nederland is.
Hierin voelen we ons geestverwant van mr. Groen van Prinsterer, die óók in den Kerkstrijd zoo dikwijls gezegd heeft : „wat ik bedoel is eigenlijk niets anders, dan het oude tegenover het nieuwe te stellen, omdat het nieuwe is opgekomen uit de beginselen der revolutie, en het oude haar oorsprong vindt in het, Evangelie." „Tegen de Revolutie het Evangelie" was dan ook zijn geloofsgetuigenis en zijn strijdleus.
Ook onze strijd gaat tegen alles, wat niet beantwoordt aan het Evangelie, aan de waarheid naar Gods Woord en de belijdenis der Kerk zelve. Aan dat beginsel wenschen we trouw te blijven en hier ligt onze kracht.
In Groen's strijd op elk terrein komt telkens uit, dat tegenover het stelselmatige ongeloof gesteld moet worden de stelselmatige belijdenis, het ordelijk, samenhangend geheel van ons allerheiligst geloof, naar de Schriften ; van die Goddelijke Waarheid, die de Heere Zelf ons in Zijn Woord heeft: geopenbaard, boven alles in Jezus Christus.
In de „verlichte eeuw" was het een dooven en uitblusschen van het licht Gods, het licht van Gods Woord, het licht van Christus. Denk alleen maar eens aan de Kerk en aan de school. Het heette alles wijsheid, licht, deugd, braafheid — maar het was alles bedekking en loochening van het licht dat van Boven is. Bij al het praten en systematiseeren stond men met den rug naar den levenden God. Men deed alles om met eigen licht en waarheid te verdonkeren en krachteloos te maken het licht des Heeren, dat de lampe van Gods Woord doet vallen op onzen weg. Aan de Universiteiten en op de lagere scholen, in de rechtbank en op de redactie-bureaux van de couranten ; op politiek terrein en niet 't minst in de Kerk. En nu kwam Groen en zei : tegenover al die revolutie-bewegingen en alles omverwerpende theorieën en practijken moet gesteld worden - - wat ? Een ander menschelijk stelsel ? Andere theorieën en practijken ? Neen — zegt Groen. „Ik kom met het Evangelie, met de openbaring van Gods Waarheid in het Woord, in Jezus Christus, Zijnen lieven Zoon, onzen Heiland en Heere !"
De belijdenis des Evangelies is het hart van Groen's optreden. Hij wil niet iets nieuws — maar hij wil iets anders. Iets anders dan de moderne tijd had gebracht. En dat andere was het oude, zooals God Zelf ons leert in Zijn Woord, alle eeuwen door.
En omdat voor Groen de Kerk was : de Ned. Hervormde Kerk, heeft hij voor die Kerk gestreden en gebeden en geleden, begeerende, dat zij in haar belijdenis en in haar Kerkorde weer zich mocht gaan openbaren zooals van ouds onder ons geweest is.
Hierbij denken we aan een bekend woord van Groen, en wel : „in ons isolement ligt onze kracht".
Wat beteekent dat ?
Bijna altijd wordt het uitgelegd héél anders dan Groen het zelf bedoeld heeft. En dan maakt men er van, dat het zoo iets beteekend heeft als : in onze afscheiding, in onze afzondering, in onze eenzelvigheid en onze eenzaamheid als geïsoleerde groep ligt onze kracht. Doch dit is nooit door Groen bedoeld noch gezegd. En wij achten ons gelukkig, dat de Eere-Voorzitter van de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal-Schoolonderwijs in de periodiek van die Vereeniging „Berichten en Bijdragen" zelf een verklaring van deze woorden gegeven heeft. Want daar lezen we (blz. 362, noot 1) : „in de eigenaardigheid van ons beginsel, dat bestreden wordt door alle verscheidenheden der vrijzinnigheid, in het vasthouden aan dit kenmerk, in dit isolement ligt onze niet geringe kracht."
Wij zeggen het Groen na : in ons isolement, in ons beginsel en onze beginselvastheid, ligt onze niet geringe kracht.
Dan kunnen we ook, gelijk Groen steeds deed, op anderen letten, zelfs met waardeering op anderen acht geven, waar het mag en noodig is, ook met anderen samenwerken — als we maar uit ons beginsel leven en ons beginsel hoog houden. Ons beginsel, om naar Gods Woord en naar de belijdenis onzer Geref. Kerk, op te komen, voor de belangen van de Hervormde Kerk, om het goede voor haar te zoeken, opdat zij mee door onzen arbeid mag worden opgericht uit haar diepen val, en weer haar plaats mag terug ontvangen in het midden van ons volksleven.
In dit isolement ligt onze niet geringe kracht.
Broeders en Zusters, — God geve ons vandaag Zijn genade en Zijn gunst te ervaren, dat we als Geref. Bonders in ons beginsel worden gesterkt en met al de kracht, die in ons is, mogen medearbeiden, ook nu, tot heil en zegen van onze Hervormde Kerk, waarbij wij er naar verlangen, dat in den kerkelijken weg de Synodale-Besturen-Organisatie, die met het wezen der Kerk in strijd is, mag verdwijnen en we weer mogen terug krijgen een presbyteriale Kerkregeering, om zoo als Kerk des Heeren in dezen lande weer te mogen gaan leven naar Gods Woord en onze belijdenis, onder de heerschappij van haar éénig Hoofd Jezus Christus.
In dit isolement ligt onze niet geringe kracht.
Wij verlangen niets nieuws voor onze Hervormde Kerk ; wij verlangen met Groen, naar wat velen „wanhopig oud" believen te noe­men ; maar wat wij terug verlangen, omdat het staat tegenover het nieuwe, dat de moderne tijd opbouwde naar de beginselen der Revolutie, ontleend aan het Woord van God, dat altijd weer nieuw is en nooit veroudert.
Ik heb gezegd.

Na dit openingswoord deelde de Voorzitter mee, dat ons bestuurslid mr. Verkerk, burgemeester van Boskoop, door ambtsbezigheden .verhinderd was de vergadering bij te wonen.

Van ds. J. G. Woelderink van Ouderkerk aan den IJssel was een brief ingekomen waarin deze mededeelde om gezondheidsredenen te moeten bedanken als lid van het Hoofdbestuur. Dit was voor den Voorzitter oorzaak, om een diep gevoeld waardeerend woord te spreken, waarin hij releveerde de groote verdiensten van ds. Woelderink ook voor onzen Bond, waar de Heere hem met zoovele goede gaven gezegend heeft voor hoofd en hart, waarvan wij zoovele jaren hebben mogen genieten in onze vergaderingen en niet 't minst in ons Bondsorgaan „De Waarheidsvriend". Onder stille aandacht werden deze waardeerende woorden aangehoord en allen stemden in met de wensch en de bede, dat de Heere ds. Woelderink naar lichaam en ziel, voor huis en arbeid, genadiglijk mag behoeden en gunstrijk mag zegenen !

Nu wordt het woord gegeven aan prof. dr. J. Severijn tot het houden van zijn referaat :

HET REORGANISATIE-ONTWERP 1937, Referaat, gehouden op de jaarvergadering van den Gereformeerden Bond den 28 April 1938, door prof. dr. J. Severijn.
Het reorganisatie-ontwerp heeft de algemeene belangstelling van de Hervormde Kerk en ook daarbuiten heeft men het oog gericht op wat hier staat te gebeuren.
Men kon dus verwachten, dat het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond het ontwerp op deze vergadering tot een punt van behandeling zou maken.
Het ontwerp ligt daar. Nu besloten werd de kerk te hooren en zoo straks ook onze mannen aan de discussie in de Classicale Vergaderingen zullen deelnemen, is er een reden te meer, dat ons gereformeerde volk zich van zijn grondslag, strekking en bedoeling rekenschap tracht te geven ^en. zijn houding bepaalt.
Het voorstel is niet van de gereformfeerde gezindheid uitgegaan. Dit heeft men wel in aanmerking te nemen. Met haar beginselen en belangen houdt het dan ook bitter weinig rekening en wij durven beweren, dat de toekomst van het gereformeerde volk in de Hervormde Kerk op het spel staat, indien de geest van dit ontwerp overwint.
Sommigen vinden deze bewering misschien wat overdreven. Wanneer men althans in aanmerking neemt, dat er onder ons zijn, die min of meer sympathiek, althans niet beslist afwijzend tegenover het voorstel staan, dan moet men wel onderstellen, dat zij de strekking van het ontwerp niet zoo ernstig inzien.
Op zich zelf kan dit reeds op de wenschelijkheid wijzen om, het voorstel nader onder het oog te vatten. Het is toch van het grootste belang, dat de gereformeerde gezindheid zich bewust is van wat er op zoo belangrijk gebied als zijn kerkelijk leven aan de orde is.
Zij zal haar zaak niet kunnen dienen, als zij niet als één man optrekt, haar standpunt bepaalt en schouder aan schouder voor haar goed recht opkomt.
Zonder eenig verwijt te maken aan hen, die de door mij uitgesproken zienswijze niet deelen, of het daarmede niet in .alle stukken eens zijn, heb ik toch geen oogenblik geaarzeld aan het verzoek van het Hoofdbestuur te voldoen om in Uw midden het ontwerp in te leiden.
Het is mij toch een aangename taak een poging te mogen wagen om ons volk te wijzen op de gevaren, die zijn kerkelijke toekomst bedreigen, en ik spreek de hartelijke hoop uitv! dat deze vergadering moge bijdragen tot versterking van den onderlingen band en tot eenstemmigheid op den gemeenschappelijken grondslag des geloofs.
De belijdenis der vaderen, .waarop wij ons plegen te beroepen, toone haar kracht bij het licht van Gods genade, opdat deze dag een einde zie aan het onderling krakeel en ons volk vereenigd één van geest en één van zin om de zaak te dienen, welke ons allen ter harte gaat.
Het is niet doenlijk het geheele ontwerp in al zijn deelen bij U in te. leiden en dat is ook niet noodig. Ik zal mij dus bij de hoofdzaken bepalen, die van centrale beteekenis zijn om het in zijn grondslag en strekking te verstaan.
Daarom ga ik voorbij aan de bepalingen, die tot de voorgestelde Kerkorde in engeren zin behooren. Dat kan zonder schade gebeuren, omdat de voordeelen, die men ziet in het verdwijnen der huidige besturen en hun vervanging door kerkelijke vergaderingen, wegvallen tegenover de principieele bezwaren.
Bij de nieuwe organisatie, welke op grond van het accoord van Kerkherstel en Kerkopbouw wordt voorgesteld, is men nu eenmaal van een Kerkbegrip uitgegaan, waarin het kenmerkend gereformeerde element ontbreekt Zij brengt geen herstel van de rechten der plaatselijke kerk.
Bovendien kan niemand verwachten, dat de kerkelijke vergaderingen in de toekomst een domineerende positie zullen brengen aan de gereformeerde gezindheid, tenzij zij waren gehouden tot handhaving van de gereformeerde belijdenis, hetgeen uitdrukkelijk, niet het geval is.
Niemand kan trouwens aannemen, dat de voorstellers zich in de nieuwe orde als gereformeerde gezindheid zullen gedragen, terwijl zij in de vrijheid van het huidige stelsel een afkeerige houding aannemen, instede zich bij haar aan te sluiten.
De gezindheden blijven, ook als men er in slaagt om haar uiting en gedragslijn met zachten dwang eenigermate te beteugelen en met moederlijke zorg binnen het gareel te houden.
De eenheidsorganen in Moderator en Kerkvisitatoren voorgesteld, zijn figuren in de nieuwe kerkorde, die tegen den hoogkerkelijken achtergrond van het ontwerp in de compositie des geheels wel passen, doch naar onzen smaak ondanks den zachten purperglans, waarmede zij worden bekleed, zien zij wat episcopaals, om niet te zeggen pauselijk, uit.
Zoo zijn wij eigenlijk reeds aan den grondslag dezer nieuwe organisatie toe, waarop de voorgestelde eenheidskerk zal worden geconstrueerd.
De kerk zal weer een belijdende kerk zijn, zoo heeft men niet zonder geestdrift beweerd.
Wat beteekent dat ?
Voor velen, die het hooren verluiden, roept dat een voorstelling op van wat zij zelf onder een belijdende kerk verstaan.
Zoo vertoonen de vrijzinnigen in hun „Vliegend Blaadje" een nerveuze gevoeligheid. Zij worden opgeschrikt door herinneringen aan de Synode van Dordrecht, alsof de nagalm van het befaamde Ite, ite hun nog in de ooren klinkt.
Zoo’n vaart loopt het echter niet. De voorstanders van deze nieuwe belijdenis zijn niet zoo Dordtsch precies, en de vrijzinnige rekkelijkheid is niet zoo verstijfd, of zij weet zich zelfs nog in de leer der Hervormde kerk te bewegen.
Het ligt echter in den aard der vrijzinnigheid, dat de banden van het kerkelijk dogma spoedig te veel drukken.
Daarom juist kan geen gereformeerd man uit het protest der vrijzinnigen de conclusie trekken, dat de strengen der belijdenis tamelijk strak zullen worden aangehaald, zoodat hij het er wel op kan wagen.
Men is haastig geneigd om den term belijdende kerk naar eigen gevoelen te nemen en dus gereformeerd te verstaan.
Eenige maanden geleden kon men b.v. in „De Wekker", het orgaan der Christelijke Gereformeerde kerk, een artikel lezen, dat met voorbarige opgetogenheid den volke bekend maakte, dat de Hervormde kerk nu op den goeden weg was. De schrijver dacht natuurlijk aan een gereformeerd belijdende kerk.
Het zou niet moeilijk zijn om meer voorbeelden van niet-Hervormde auteurs aan te halen, waaruit blijkt, dat zij met het vraagstuk niet op de hoogte zijn. Met alle waardeering voor de blijken van belangstelling, ware het toch verstandiger, dat men zich op dit terrein niet waagde zonder nauwkeurig van de interne zaken op de hoogte te zijn.
Dat kan ook schaden.
Want hetzelfde verschijnsel doet zich ook bijl onze menschen voor. Sommigen gaan op het woord belijdende kerk af, zonder te weten, wat de voorstellers daarmede bedoelen.
Het is niet eens duidelijk, of de voorstellers het zélf allen wel weten. In ieder geval zijn er verdedigers, die uit een duister besef spreken en anderen opwekken om het dan maar in het geloof te wagen.
Wij zouden gaarne verstaan, welk geloof hier te hulp wordt geroepen. Het geloof, dat iedere verandering beter is dan wat wij hebben, of misschien, dat het nog wel zal meevallen, of dat er toch wat gebeuren moet ? Het is ook mogelijk, dat men zoo spreekt uit een overtuiging, dat men op den goeden weg is, maar wij kunnen daarop zoo maar niet doorgaan.
De gereformeerde gezindheid heeft de openbaring van de kerk der belijdenis te zoeken. Daarmede bedoel ik de kerk; die ons in de belijdenis wordt voorgesteld.
Daarom is het van de grootste beteekenis, te onderzoeken, wat wij van het door het ontwerp in uitzicht gestelde mogen verwachten.
Gaat het om de kerk, die ons door de belijdenis wordt voorgesteld ? d. w. z. kunnen wij verwachten, dat het ontwerp, eenmaal wet geworden, ons zal brengen een kerk, staande op den grondslag der Drie Formulieren van Eenigheid en met het plechtig voornemen die te handhaven, zooals de gereformeerde gezindheid zulks in overeenstemming met die belijdenis verstaat ?
Nog anders : Zal deze reorganisatie ons de gereformeerde kerk met een gereformeerde kerkorde brengen, waarvoor de gereformeerde gezindheid sedert 1816 gestreden heeft ?
Zonder eenigen twijfel : neen.
Daaromtrent behoeft geen verschil van meening te zijn, want indien men dat uit het ontwerp zelf nog niet begrepen had, is dat wel duidelijk geworden uit het talrijk geschrijf over de zaak. Ik noem slechts het artikel van prof. Haitjema, dat reflecteert op de bezwaren van prof. Visscher en mij, in „Nieuw Kerkelijk Leven".
Voor den Gereformeerden Bond is dit echter een punt van groot gewicht en van beslissende beteekenis voor het standpunt, dat wij hebben in te nemen. Om dat nader te bevestigen, moet ik op een paar dingen uitdrukkelijk wijzen, en wel in de eerste plaats op art. 4 van onze Statuten.
Dit artikel gaat over grondslag en doel :
„De vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de Drie Formulieren van Eenigheid, laatstelijk vastgesteld op de Nationale Synode te Dordrecht in 1618-'19 gehouden, te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsche Hervormde (Gereformeerde) Kerk, om mede daardoor Le komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619".
Weliswaar is het kerkelijk streven der gereformeerde gezindheid in dit statuut heel wat zachter uitgedrukt dan bij de oprichting van den Gereformeerden Bond, maar het zit er nog in.
Let slechts op de woorden ,,om mede daardoor te komen tot oprichting" etc. Mede door de „verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid" laat ruimte voor andere middelen en wegen, die bevorderlijk kunnen zijn aan het doel.
Ik spreek van het streven der gereformeerde gezindheid, en wat dit beteekent, kan onder ons geen onbekende zaak zijn. Het streven der gereformeerde gezindheid heeft zich in de kerkelijke historie sedert 1816, de invoering der synodale organisatie, duidelijk afgeteekend.
Een voortdurend protest, telkens uitbrekend in een levende actie, heeft onuitwischbare sporen in de geschiedenis getrokken.
Is het nog noodig de herinnering op te scherpen aan allen strijd en actie, welke alleen het noemen van de jaartallen 1834 en 1886 weder wakker roept ?
Werkte niet dezelfde drang naar gereformeerd kerkelijk leven in de gedunde gelederen der gereformeerde gezindheid, die het vaderlijk erfdeel niet had verlaten, en zich onder de leiding van de toenmalige voortrekkers in den Gereformeerden Bond vereenigden tot vrijmaking der kerk.
Zeker, vrees voor een nieuwe doleantie heeft er toe geleid den kloeken opzet te laten varen voor een minder militant klinkende doelstelling.
Nochtans staat ook het huidig statuut nog op één plan met de gereformeerde gezindheid, wier streven, uit den innerlijken levensdrang des geloofs opgekomen, gericht was op herstel harer rechten. Bij verandering van methode heeft zij zelfs de gedachte niet losgelaten de gansche Hervormde kerk als geheel nog een­ maal als een gereformeerde in belijdenis en orde te mogen begroeten.
Een gereformeerde kerk werd nagestreefd.
Wat eenmaal in de onderlinge discussie als de weg v.an het zuurdeeg werd aangewezen, heeft op zijn minst getoond, dat men deze gedachte koesterde en werd zelfs een argument van tegenweer tegen de pogingen van Modusvivendi en Convent om in den weg van zelfstandigmaking der richtingen het kerkelijk vraagstuk op te lossen.
Met deze dingen voor oogen, kan niemand onder ons weerspreken, dat ook het huidig statuut nog in het teeken staat van den gemeenschappelijken strijd der gereformeerde gezindheid tegen het synodaal instituut en van het streven naar handhaving der gereformeerde belijdenis en herstel der gereformeerde kerkorde.
Nadrukkelijk wordt op de Drie Formulieren van Eenigheid gewezen en op vasthouding aan de Dordtsche kerkorde.
Wat staat ons nu te doen ten aanzien van een ontwerp, hetwelk ons niet alleen niet nader brengt aan het doel, maar veeleer den weg daarheen afsnijdt.
Aan een soort liquidatie der synodale organisatie, waarbij de gereformeerde gezindheid tot zelfstandig kerkelijk leven had kunnen komen, als door Modus vivendi en Convent werd voorgesteld, heeft men niet willen medewerken. Integendeel, men heeft zich daartegen verzet om zoo mogelijk de gansche kerk voor de toekomst te behouden.
Al te zeer heeft men er blijkbaar op gerekend, dat alleen van gereformeerde zijde pogingen tot reorganisatie in het werk zouden worden gesteld, zoodat men rustig den tijd zou hebben om onder het bestaande regime langzaam maar zeker zijn invloed uit te breiden.
Reeds de Modus vivendi echter wees op het toenemend besef ook bij andere richtingen, dat reorganisatie noodig was.
Daarbij had men in onzen kring moeten bedenken, dat verschil van richting ook verschil in beweegreden en doelstelling eener reorganisatie moet insluiten.
Slechts één gevolgtrekking kon uit de toenemende belangstelling met zekerheid worden opgemaakt, n.l. dat het einde der synodale organisatie in haar huidige gestalte naderde. Voorheen waren alleen de gereformeerden actief geweest in hun streven naar verandering. Thans begon van alle zijden zulk een streven wakker te worden.
De feiten van de laatste tien jaren toonen aan, dat dit zoo is. Ik wijs op de reorganisatie-voorstellen van 1929, de oprichting van Kerkherstel en Kerkopbouw, het accoord van 1936 en het huidig ontwerp.
Wanneer dit ontwerp wordt aanvaard en doorgevoerd, zullen wij de synodale organisatie van 1816 zien overgaan aan de firma Kerkherstel en Ko, welke zich het monopolie van een gloednieuwe gereformeerdheid naar de eischen des tijds zal toeëigenen.
Alvorens een antwoord te geven op de zooeven gestelde vraag, wat moeten wij doen ten aanzien van dit ontwerp, kan het zijn nut hebben nog iets naders omtrent uitgangspunt en strekking der voorgestelde reorganisatie te vernemen.
Ik stel dan allereerst de conclusie op den voorgrond, dat tot en met de oprichting van den Gereformeerden Bond de reactie tegen het synodale stelsel alleen van de gereformeerde gezindheid is uitgegaan. Zij kwam op uit het gereformeerd bewustzijn, dat zich toetste aan de belijdenis van de Drie Formulieren van Eenigheid.
Deze beweging is zoozeer innerlijk verknocht aan de belijdenis, dat zij daarmede staat en valt.
Reeds de Modus-vivendi echter kwam onder medewerking van de voormannen der verschillende richtingen tot stand.
Van het Convent wil ik bescheidenheidshalve niet veel zeggen. Deze beweging als zoodanig werd echter in den Gereformeerd.en Bond geboren. Zij nam het denkbeeld van zelfstandigmaking der richtingen over, doch vermeed de bezwaren aan boedelscheiding verbonden. Niet in eigen kring, maar daarbuiten is opgemerkt, dat, indien de voorstellen van het Convent zouden worden aanvaard,
binnen afzienbaren tijd de Hervormde Kerk een Gereformeerde kerk zou zijn.
De reacties, welke na de afwijzing dezer voorstellen het kerkelijk leven hebben bewogen, kwamen niet meer voort uit den boezem van de gereformeerde gezindheid. Ik wil daarop allen nadruk leggen. Kerkherstel en Kerkopbouw hebben na eenige jaren van zelfstandig optreden de leiding gezamenlijk overgenomen.
Reeds a priori kon men dus verwachten, dat een ontwerp van die zijde een geheel ander karakter zou dragen. Geheel de oriëntatie is een andere : uitgangspunt, kerkbegrip, dogmatische instelling, het is alles anders.
Daarom vertegenwoordigt ook het begrip belijdende kerk een andere waardeering als die der gereformeerde gezindheid. Dit vindt trouwens zijn uitdrukking in de onderscheiding, welke zoo met nadruk wordt naar voren gebracht, van belijdenis en belijdenisschrift. De afstand tusschen belijdenis en haar expressie schept een sfeer van rekkelijkheid.
In den grond der zaak is daarmede alle belijdenisschrift geoordeeld, wijl het wil uitdrukken, wat zich niet laat uitdrukken. In ieder geval houdt dit een veroordeeling van haar handhaving naar de letter in.
Men wil geen leervrijheid, doch ook geen leerdwang en zelfs geen strenge leertucht.
De aanhef van art. 8 bepaalt zich er dan ook bij om in de historische belijdenisschriften alleen uitdrukking van wezen en doel der kerk te zien.
Alleen deze erkenning acht men voldoende om van een belijdende kerk te spreken en als grondslag te aanvaarden van het reorganisatie-ontwerp.
Wanneer de kerk erkent, dat haar wezen en doel is belijden, wordt zij als belijdende kerk beschouwd. Wezen en doel der kerk gaan in het (belijden op. Niet in de eerste plaats, wat zij belijdt, maar, dat zij belijdt, staat op den voorgrond.
De vorm, waarin zij belijdt, is immers onzuiver, gebrekkig, niet adaequaat, altijd weer wisselend en veranderlijk, en daarom secundair.
Vandaar, dat art. 8, punt 5, (Je zorg voor haar belijdenis, dat is de belijdenis der kerk, allereerst bepaalt tot hervorming en dan tot handhaving.
Ter verklaring daarvan moei men goede nota nemen van de onderscheiding van belijdenis als het belijden en het belijdenisschrift.
Zorg voor het belijden is altijd weer belijden, doch wie belijdt, doet dat in een. vorm. De zorg voor haar belijdenis kan derhalve niet buiten den vorm omgaan en heeft altoos weer den vorm te verzorgen, altoos weer te hervormen.
Zoo wordt dit hervormen der belijdenis vanzelf een integreerend deel van het handhaven. Het belijden handhaaft zich in het telkens opnieuw belijden en dus opnieuw vormen.
Wat belijdt men dus eigenlijk ? Wat is het, dat hoe onzuiver en benaderend dan ook, telkens weer uitdrukking erlangt ?
Antwoord : Het geloof der kerk.
Van welke kerk ?
Van de Kerk met een Hoofdletter !
Wat bedoelt men dan weer met de Kerk met een Hoofdletter ?
Verstaat men dat reformatorisch, n. 1. die geestelijke werkelijkheid, welke het Lichaam van Christus genoemd wordt ? De heilige vergadering der uitverkorenen Gods in den hemel en op aarde ? Wij gelooven en belijden eene eenige katholieke of algemeene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgeloovigen, alle hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewasschen zijnde door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest ? (Art. 27 Ned. Gel. bel.).
Hoor slechts, wat prof. Scholten schrijft, omtrent den grondslag van het ontwerp.
„De grondgedachte van het ontwerp is geen andere dan die, welke de oecumenische beweging vervult, welke de houding bepaalt in de landen, waar het Christendom tegen een vijandige staatsmacht heeft te strijden, de gedachte, dat de kerk kerk moet zijn." (Reorganisatie, 1 April '38).
Ziedaar een onverdacht getuigenis, en een ieder, die kennis nam van de velerlei geschriften, welke in deze dagen over de onderhavige zaak verschijnen, weet, dat prof. Scholten hierin niet slechts een persoonlijke meening heeft uitgesproken.
Telkens weer speurt men daarin den geest van Edinburgh en Oxford.
Het ontwerp staat in het teeken der oecumenische beweging.
Dat behoeft niemand te bevreemden. Het ligt toch voor de hand, dat het Verbond van Kerkherstel door diezelfde gedachte werd ge­ dragen, toen het zijn grondslag koos in vraag 54 van den Catechismus.
Intusschen worde opgemerkt, dat in deze vraag niet zoozeer het oecumenische als de uitverkiezende daad van den Zone Gods in de eenigheid des waren geloofs door Zijn Woord en Geest wordt beleden.
De oecumenische beweging heeft wel het meeste te strijden met de oneenigheid des waren geloofs. Haar grondgedachte toch is naar het woord van prof. Scholten, dat de kerk kerk moet zijn.
Zonder twijfel ligt daarin de klacht, dat de kerk geen kerk is, zich althans niet als zoodanig openbaart.
Zoo schrijft ook dr. W. H. v. d. Pol : elke kerk, die waarlijk Kerk met een Hoofdletter is. (De geloofsbelijdenis in onzen eeredienst, blz. 3).
„De kerk 'moet Kerk zijn". Schuilt daarin niet een vernietigende critiek aan het adres van haar, wie dat oordeel treft ?
Inderdaad is de oecumenische beweging een crisisverschijnsel , in de ontredderde wereld van onzen tijd, een reactie uit de machteloosheid van een ontkerstende kerk tegenover den geest van het absolutisme, belichaamd in den modernen totalitairen staat.
Daardoor wordt immers haar houding bepaald. Zij is een poging om de overgebleven krachten te verzamelen, een appèl op de historische kracht des geloofs en tracht een verschansing op te richten, door de brokstukken van kerkelijk leven bijeen te brengen.
En wie de beweging wèl gadeslaat en acht geeft op haar uitingen, kan het niet ontgaan, dat zij zich de instituëering van een wereldkerk ten doel heeft gesteld.
De kerken saambrengen in een wereldinstituut, ziedaar de grondgedachte van deze beweging. Tegenover den totalitairen staat, de totalitaire kerk. Uit dezen gezichtshoek kan men de bedoeling verstaan van art. 8, wanneer dit de Hervormde kerk als deel van de algemeene Christelijke kerk wil gezien hebben.
Heel duidelijk is de uitspraak van dr. de Haan : de leden van iedere kerkgemeenschap moeten in hun eigen kerk een kerkorde trachten te bereiken, die in wezen de Una Sancta zooveel mogelijk benadert (Het Ambt, blz. 17)
Een andere uitspraak :
„Daarom is het noodig, dat iedere predikant, zich zooveel mogelijk durft uitspreken voor Kerkherstel en Kerkopbouw".
„De autonomie der plaatselijke gemeente kan in de Ned. Hervormde kerk geen plaats hebben, (t.a.p. blz. 18).
Vergelijk daarbij, dat de oude belijders van vraag 54 van den Catechismus uitgesproken voorstanders van de autonomie der plaatselijke kerken waren, dat zij ook tegen het staatkundig absolutisme te strijden hadden, maar, dat zij geen totalitaire kerkidee koesterden.
Het streven naar een totalitaire kerk onder den naam van Una Sancta, heeft tengevolge, dat men een belijdenis op breeden grondslag moet zoeken.
Men zal toch ook menschen in dit wereldomvattend instituut willen vergaderen en dat wel uit de volkeren, die van het geloof der kerk vervreemd zijn en voor zoover zij nog belangstelling voor de kerken koesterden, werden gevoed met de verintellectualiseerde resten van het voorvaderlijk geloof.
De kerk moet Kerk zijn !
Hoe zal men dat bevorderen ?
Men kan toch moeilijk volstaan met de belijdenis : Ik geloof wat de Kerk gelooft.
Het gevaar dreigt, dat het bedoelde wereldinstituut een sacramenteel karakter zal aannemen.
Ook daarvan kan men de symptomen reeds waarnemen.
Zoo schrijft dr. v. d. Pol : „Het is de kerk, die haar geloof belijdt, de enkeling belijdt dat geloof met, in en door de kerk. Vandaar dat in de kerk van onze Roomsch-Katholieke mede-christenen aan het begin van den doopdienst aan de(n) doopeling gevraagd wordt : „Wat begeert gij van de Kerk ? " En het antwoord luidt : „Het Geloof", (t.a.p. blz. 3 v.v.)
Als men het in dien weg zoekt, gaat de Una Sancta haar verroomsching tegemoet.
Misschien zou men ook kunnen spreken van een soort kerkelijk fascisme.
Ook daarvan zijn symptomen waar te nemen.
De totaalstaat kent geen politieke partijen, maar is artikel 8 niet eenigermate de knop, waarmede de kerkelijke richtingen zullen worden gelijkgeschakeld ?
„Het vóórkomen van kerkelijke verscheidenheid", zoo schrijft dr. de Haan, „die vaak gepaard gaat met het negeeren van de leden van het eene kerkgenootschap, door die van het andere, mag niet als blijvende, doch slechts als een voorloopige toestand gekenschetst worden", (t.a.p. blz. 16).
De Moderator is geen dictator, maar de bevoegdheden, aan hem toegekend, mede in verband met de bemoeienis der verschillende organen, instellingen en commissies, met al den arbeid, die tot het terrein der kerk kan gerekend worden — ook als die thans niet kerkelijk geschiedt — dit alles lijkt toch heel veel op de idee van een totaalkerk.
Men leze art. 8 er op na om te zien, hoever men die zorg in beginsel wil uitstrekken. Zelfs ook staat en maatschappij worden daarbij betrokken.
En om nog een enkel voorbeeld te noemen : art. 26b, betrekking hebbende op leden, die zich doelbewust van het kerkelijk leven ter plaatse onttrekken en op een andere wijze geestelijke verzorging en gemeenschappelijke Godsvereering zoeken.
Art. 28 verklaart de kerkeraden bevoegd om zich met vereenigingen of groepen in verbinding te stellen, die zich bezig houden met de behartiging van belangen in art. 8 genoemd, teneinde die betrekkingen meer duurzaam te maken.
In mijn brochure : „Een kerk op art. 8", heb ik .daarop uitvoeriger gewezen. (Vgl. blz. 15 V.V.).
Men kan alzoo niet tegenspreken, dat deze reorganisatieplannen een moedertje-kerk voorstellen, die een eenigszins fluweelachtige weerspiegeling is van vadertje-staat, die alles doet.
En nu de vraag : „wat moeten wij doen ? "
Voor die vraag worden wij heden gesteld. Zij is ons opgelegd om zoo te zeggen van buiten af.
Zullen wij heden ons statuut loslaten en onze instemming met grondslag en doel als uitgedrukt in art. 4 onzer statuten terugnemen ?
Zoo en niet anders staat de zaak. Meegaan met het reorganisatie-ontwerp, bevorderen, dat het tot kerkelijke wet wordt gemaakt, beteekent breken met de traditie der gereformeerde gezindheid, breken met ons statuut.
Wij zijn als leden van den Gereformeerden Bond gebonden aan genoemd artikel, dat niet kan worden gewijzigd, d.i. gebonden aan de Drie Formulieren van Eenigheid en de Dordtsche Kerkorde.
Krachtens dit feit is slechts één gedragslijn mogelijk, zoo wij getrouw zullen zijn aan het beginsel en de traditie der gereformeerde gezindheid, n.l. zonder beding tegen het ontwerp.
Wie dat niet wil, wie vóór dit ontwerp is en voor zijn aanvaarding ijvert, handelt in strijd met den onveranderlijken grondslag van onze actie.
Het verwondert mij dan ook zeer, dat sommigen dit niet inzien blijkens het feit, dat zij meenen tegelijk lid van Kerkherstel en van den Gereformeerden Bond te kunnen zijn.
Naar mijn oordeel staat de zaak zóó, dat in deze aangelegenheid niet een discussie van pro en contra het in te nemen standpunt kan bepalen, omdat dit door het genoemde artikel van ons statuut bepaald is.
Ter nadere opheldering vraag ik u, waar gaan wij heen, als gij dit niet eenstemmig alzoo gevoelt ?
Ziet gij niet in, hoezeer wij in verlegenheid komen met de stereotype verwijzing naar de Drie Formulieren als onze grondslag in alle statuten onzer bonden en vereenigingen ?
In de voorgestelde reorganisatie is dat historisch goed geworden.
Wordt die aangenomen, dan staan wij op den grondslag van art. 8 punt 5, en verplichten ons tot behartiging van de zorgen in dat artikel genoemd en zulks overeenkomstig de inzichten der gelijkgeschakelde belijdende kerk.
Wanneer wij daaraan steun verleenen, hebben wij zelf het handel der gelijkschakeling mede omgedraaid en de schoone termen van „de kerk der vaderen", „het vaderlijk erfdeel", „de aloude belijdenis" en zooveel meer tot ijdelheid gemaakt.
En welke beweegredenen zal iemand aanvoeren om onze beginselen prijs te geven en de gereformeerde gezindheid te verloochenen ?
Dat er maar eens iets moet gebeuren ?
Op zich zelf kan dat geen motief zijn, tenzij dan een motief der vertwijfeling en dat is zeker niet het karakter der gereformeerde gezindheid.
Of soms, gelijk iemand mij schreef, omdat hij de verantwoordelijkheid niet kan dragen voor de vrijzinnige prediking ?
Indien men dat meent, is het nog een synodale dwaling. Hoe kan een gereformeerd man andere gemeente ? Zulk een gedachte kan alleen post vatten als men met de vrijzinnigen in óén instituut samenwoont. Denkt men aan de
zelfstandigheid der plaatselijke kerk, dan wordt dat geheel anders.
Neen, daar kan slechts één motief zijn om ons statuut los te laten, dat beteekent den Gereformeerden Bond op te heffen en de gereformeerde gezindheid prijs te geven, n.l. de overtuiging, dat de Drie Formulieren niet langer kunnen worden aangemerkt als een zuivere uitdrukking van het geloof, dat naar de Heilige Schrift is.
Dus : wanneer zij in strijd zijn met de leer der apostelen en profeten.
En dan kome men niet met een of andere uitdrukking, die volgens zijn meening herziening zou behoeven.
Dat is ten eenenmale niet aan de orde.
Indien dat zoo ware, indien in de gereformeerde gezindheid een, zoodanig gravamen rees, dan zou de belijdenis ons zelf den weg wijzen.
Onbevangen stond Calvijn tegenover belijdenisschriften en dogmata. Hij toetste die aan den eenigen maatstaf, welke hij erkende, zijnde de leer der apostelen en profeten, zooals hij die door genade mocht verstaan, om onverbiddelijk te veroordeelen, wat daarmede kennelijk in strijd was, maar ook aanvaardende wat uit dezelfde religie geboren was en daarmede overeenkwam.
Nog eens, indien dat punt aan de orde ware, dan zouden wij dit met alle vrijmoedigheid onder de oogen zien en voor herziening pleiten, echter onder beding, dat alleen de gereformeerde gezindheid over haar belijdenis zou handelen en geen andere gezindheden. Aan deze voorwaarde wordt door het ontwerp niet voldaan. Die oordeelen zullen, rekenen zich meerendeels niet tot de gereformeerde gezindheid.
Thans echter gaat het niet over een zeker punt, maar over de hervorming der belijdenis als geheel ! Men wil immers een geheel nieuwen vorm, en dien bepaald mede door diegenen, die tot op heden niet tot de gereformeerde gezindheid' in den zin der belijdenis willen gerekend worden.
Zoo staat de zaak.
Mannen broeders, het is een ernstige ure.
Het gaat om de waarheid der gereformeerde belijdenis en ons recht om naar die belijdenis te leven. Dat staat op het spel.
Zal dan het leven van Gods Kerk in de 20ste eeuw een ander zijn dan in de l6e ? Is God de Heere veranderd en is de leer der apostelen en profeten veranderd ?
Indien de Drie Formulieren een valsche religie leeren, dat wij ze als één man van ons werpen, maar indien wij bevinden, dat zij uit hetzelfde geloof zijn opgekomen, in hetwelk ons de Schriften onderrichten, laat ons het pand bewaren ons toebetrouwd.
Onze vaderen hebben voor deze belijdenis ten bloede toe gestreden, zullen wij dan niet pal staan als de reeds zoo geknotte vrijheid dezer belijdenis bedreigd wordt ?
Wij belijden, dat Christus Zijn Kerk vergadert, beschermt en onderhoudt en de Zijnen saambrengt uit alle volk en tong en natie, welaan, wat hebben wij dan met een oecumenische makelij van menschen te doen ?
God geve in Zijn groote genade, dat wij als gereformeerde gezindheid trouw mogen zijn in onze roeping.
Hoe gaarne zou ik wenschen, dat wij heden om de hooge belangen, die op het spel staan, onzen onderlingen twist en oneenigheid vergeten mochten, om ons als één man ie scharen onder de banier van ons overgeleverd geloof.
En zoo niet, dat zij van ons uitgaan, die van zulk een gezindheid niet zijn.
Het verdriete ons niet, als wij met weinigen slechts over blijven. Beter met weinigen eensgezind, dan met een menigte, die verdeeld is.
„Welke verwachting hebt gij ? ", zoo hoor ik iemand vragen.
Strijdt gij niet voor een verloren zaak ?
En welken weg wijst gij ons, als gij het waagt zelfs met een kleinen hoop te blijven staan ?
Vooreerst moogt gij indachtig zijn, dat de zaak des geloofs nooit een verloren zaak kan zijn. Het is Gods zaak. Alles komt op dat ééne punt neer, of wij gelooven, dat de belijdenis getuigenis geeft van de waarachtige religie der Schriften.
Het ware verkieselijker met behoud dier religie de nederlaag te lijden dan zonder haar te zegevieren.
Wat hebben wij dan nog te overwegen, als wij weten en betrouwen, dat Christus Zijn Kerk in stand houdt, die machtig is om zelfs in de nederlaag de overwinning te geven.
En verder ons recht is van den Heere.
De gemeente heeft recht op de prediking naar de confessie en de gereformeerde gezindheid heeft recht op een kerkelijk leven naar haar belijdenis op het erf der vaderen.
Die de macht heeft is schuldig ons dat recht te geven.
Het is waar, dat men haar dat recht betwist. Het valt niet te weerspreken, dat men de verdedigers van dat recht nog altijd wil beschouwen als mannen van de nachtschuit, als drijvers van een repristinatie, en hen aan de kaak wil stellen als dwalenden en dwazen.
Niettemin staat het vast, dat de gereformeerde gezindheid van haar kerkelijke rechten werd beroofd en zoolang zij leeft uit het reformatorisch geloof zal zij strijden voor haar recht.
Zij zal de kerkelijke machthebbers in gebreke hebben te stellen, die haar haar rechten blijven onthouden.
De Synodale organisatie is immers vrij om het onrecht der gereformeerde gezindheid aangedaan te herstellen ?
Mede terwille van de politieke eenheid van ons nationale leven heeft de toenmalige regeering de kerk van haar eigen orde beroofd en de handhaving harer belijdenis onmogelijk gemaakt.
Nochtans is een voortdurend appèl van het gereformeerde volk uitgegaan om herstel harer rechten.
En nu ? Onder den invloed van politieke omstandigheden in het land, waar de reformatorische kerk van meetaf de zaken van belijdenis en kerkorde in handen van de Overheid heeft gesteld, trachten de voorstellers en verdedigers van dit ontwerp een meerderheid te vormen om terwille van het ideaal eener wereldkerk, de rechten van onze nationale belijdenis en haar handhaving voor goed prijs te geven.
Wat anders doen wij, zoo wij ons daartegen niet met alle kracht te weer stellen, dan ons eerstgeboorterecht verkoopen ?
Daarom, mannen broeders, het geldt een heilig recht. Weest kloekmoedig en onversaagd, in den strijd om het vaderlijk erfdeel, want ons recht is van den Heere.
En onze Koning is van Israels God gegeven.
Ds. Schroten maakt gaarne van de gelegenheid gebruik om eenige opmerkingen te maken. Hij is voorstander van het nieuwe voorstel. Hij vindt het beter dan hetgeen we nu hebben. Hij meent, dat het met de veranderingen in de belijdenis zulk een vaart niet loopen zal, omdat er 2/3 van de stemmen toe noodig zijn.
Prof. Severijn antwoordt hem, dat er tusschen dit reorganisatievoorstel en de statuten van de Gereformeerden Bond zulk een diepgaand onderscheid is, dat deze twee onvereenigbaar zijn. Hij is ook van meening, dat de praktijk heeft bewezen, dat onze gereformeerde groep maar weinig heil heeft te verwachten van hen, die zoo ijveren in Kerkopbouw en Kerkherstel.
De heer Hegeman verzoekt om voorlezing van het eindrapport van de door den Bond benoemde commissie. Ds. Timmer deelt hem mede, dat er door elk van de heeren een rapport is ingediend en dat bij het vormen van een eindconclusie door het Hoofdbestuur een dankbaar gebruik van deze rapporten gemaakt is. Er is dus geen meerderheids-of minderheidsrapport door de commissie ingediend.
De heer Witz, uit Haarlem, hoopt op meer eenheid op kerkelijk terrein.
Ds. Blok vraagt opheldering over een zinsnede in het referaat van prof. Severijn, waarin hij spreekt over het niet verantwoordelijk zijn voor moderne prediking in andere gemeenten.
Prof. Severijn antwoordt hem, dat die bevreemding zal wegvallen, als we uitgaan van de gedachte van de plaatselijke kerken. Calvijn kende geen nationale kerken.
De heer De Waal vraagt, welke leer de Gereform. Bond moet verbreiden. Hij wenschte daarop meer den nadruk gelegd te zien.
Prof. Severijn meent, dat die vraag reeds genoegzaam beantwoord is, doordat telkens is verwezen naar de belijdenisgeschriften, waarin we het waarachtige leven voelen tintelen.
De heer Luitjes dringt er op aan, dat vooral in de Catechismusprediking de gereformeerde beginselen steeds meer zullen worden verbreid.
Ds. Van Grieken dankt prof. Severijn voor zijn gehouden referaat en de duidelijke beantwoording der sprekers.
De afgevaardigde uit Gouda krijgt nu gelegenheid het voorstel van de afdeeling toe te lichten. Hij verwacht ook veel goeds van dit reorganisatievoorstel. Het verkeerde zou kunnen worden geamendeerd.
Ondanks dit betoog, bleken bij de stemming slechts een achttal stemmen niet met het Hoofdbestuur te kunnen meegaan in de verwerping van het reorganisatievoorstel.
Omdat er maar enkele voorstanders waren van het reorganisatievoorstel, werden de voorstellen van de afdeelingen Hoogeveen en Delft ingetrokken.
Voorstel twee van Gouda werd aangenomen.
Goede nota neme men ook van het feit, dat het voorstel van de afd. Apeldoorn is aangenomen. Het houdt in, dat de secretaris van elke afdeeling de naam van een vertrekkend lid zal opgeven aan den secretaris van de afdeeling der gemeente, waar de vertrekkende zich gaat vestigen. We hopen op de medewerking van alle afdeelingssecretarissen.
Om tijd te winnen, zijn de verslagen van den Secretaris en de Propaganda-commissie niet voorgelezen. Ze volgen nu hieronder.

Geachte Leden van den Geref. Bond !
Op mij als Secretaris rust de aangename taak om U een jaarverslag aan te bieden over de werkzaamheden van onzen bond. De eerste vergadering, die we in het afgeloopen boekjaar hielden, begon met het herdenken van het overlijden van ons mede-Hoofdbestuurslid ds. Batelaan. Voor de meesten onzer is dit droeve feit weer al historie geworden. O, wat worden de dooden spoedig vergeten. Met opzet wilde ik mijn verslag nog weer eens met de herdenking van zijn heengaan beginnen, opdat wij ook op dezen Bondsdag aan den dood zouden worden herinnerd, maar opdat we ook zouden stilstaan bij de heerlijkheid van Christus' opstandingskracht, waarvan ds. Batelaan in zijn leven en op zijn ziekbed heeft getuigd. Moge zijn gedachtenis ons ten zegen zijn.
In de December-vergadering had een bespreking plaats met enkele leden van het Hoofdbesluur van den Gereform. Jongelings-bond, n.l. met ds. De Geus en met ds. Bout. Deze besprekingen, die liepen over wederzijdsche aanbeveling in de organen van beide Bonden, hadden een zeer aangenaam karakter.
Helaas, zonden maar weinige afdeelingen een jaarverslag bij mij in. Des te meer waardeerden < \Me de buitengewoon keurige versla gen van de afdeelingen Gouda en Vlaardingen en van eenige andere afdeelingen. Met belangstelling is van deze verslagen in de December- en Januari-vergadering kennis genomen.
Het Studiefonds vroeg telkens weer onze aandacht. Uit het verslag van den Penningmeester zal blijken, dat vele studenten door ons werden gesteund. We danken al de kerkeraden en afdeelingen, die spreekbeurten lieten houden ten bate van onze Fondsen en ook de predikanten, die in die diensten wilden voorgaan.
In de plaats van ds. Batelaan werd mr. E. Verkerk benoemd tot secretaris van de Studiecommissie.
Van de vorige jaarvergadering kwam een uitvoerig verslag voor in De Waarheidsvriend.
Ik kan daarover kort zijn.
Ds. Timmer hield het referaat. Het had tot titel : „De moeilijkheden, waarmede de Gereformeerde Bond te kampen heeft".
In de vacature van ds. Batelaan werd prof. dr. .1. Severijn gekozen, die tot onze blijdschap de benoeming aanvaardde en niet alleen in de gehoudene vergaderingen zijn krachten heeft willen geven, maar ook zijn gewaardeerde medewerking aan De Waarheidsvriend verleende. De andere aftredenden werden herkozen.
Op de jaarvergadering is ook besloten om in Mei een Predikantenvergadering te houden, waarin de moeilijkheden, die zich op kerkelijk terrein voordoen, konden worden besproken. Deze vergadering is gehouden te Utrecht.
Het voorzitterschap werd in handen gesteld van prof. Severijn. Toen zijn allerlei problemen onder de oogen gezien.
Doordat prof. dr. H. Visscher zijn ambt als hoogleeraar vanwege onzen Bond zoowel te Utrecht als te Leiden heeft neergelegd, bleven de leerstoelen onbezet.
Het heeft ons verheugd, dat prof. Severijn zich belangeloos beschikbaar, heeft gesteld tot bet''houden van een privatissimumvoor onze studenten. Door vele studenten is dit college gevolgd. We zijn prof. Severijn grooten dank verschuldigd.
Aan het reorganisatievoorstel is groote aandacht gewijd door 't Hoofdbestuur. Een commissie is benoemd, die het voorstel in studie heeft genomen. Dit is echter pas gedaan, toen het voorstel definitief was vastgesteld en in druk verschenen was.
De commissie bestond uit de volgende heeren : prof. Severijn, ds. v. Grieken, ds. Woelderink, ds. Goslinga, ds. Vreugdenhil, ds. Van Hof, ds. Bartlema, ds. Meijers en mr. Verkerk.
Deze commissie heeft eenige malen vergaderd. Ieder van de heeren heeft een rapport opgesteld. Al deze rapporten zijn door het Hoofdbestuur weer verwerkt. Bij het vormen van een eindconclusie is van deze rapporten een dankbaar gebruik gemaakt.
Het bleek, dat alleen ds. Woelderink voorstander was van het reorganisatieplan. Al de andere leden van het Hoofdbestuur waren er tegen om verschillende redenen.
Hij is geen voorstander van dit reglement, omdat hij geen gevaren voor de belijdenis onzer vaderen zou zien, maar omdat hij de kerk tot een belijdende kerk wil maken. Mocht het dan met de belijdenis mis gaan, dan zal God de Heere den weg wel aanwijzen dien wij te volgen hebben. Aldus ds. W.
Ds. Woelderink is dus een voorstander van het rapport, omdat hij het met de huidige organisatie der Synode tot een doorbraak wil laten komen.
Wij vinden dien sprong gewaagd, maar willen zijn meening eerbiedigen.
Voorstellen van het Verbond tot Kerkherstel, om over het reorganisatievoorstel te vergaderen, werden van de hand gewezen, omdat onze Bond op kerkelijk terrein zijn eigen weg zal volgen.
In sommige gemeenten van ons land zat men met moeilijkheden. Dé afdeelingen zagen zich voor de vraag geplaatst, of men al of niet zou evangeliseeren op Zondag of alleen in de week (tegen Ethisch en en Confessioneelen). Zoo werd gecorrespondeerd met Vaassen, Amstelveen, Zaandam en andere gemeenten. Een commissie uit het Hoofdbestuur zal dergelijke zaken behandelen. Ze toestaat uit de heeren : prof., Severijn, ds. Goslinga en ds. Remme. Deze commissie zal het Hoofdbestuur van advies dienen.
Afdeelingen werden gevormd te Veenendaal en te Monster. Te Veenendaal nam de Vereeniging „Troffel en Zwaard" eigenlijk reeds de plaats in van een afdeeling. Aangezien door plaatselijke omstandigheden niet alle leden van den Bond ook leden van „Troffel en Zwaard" waren, is er in Veenendaal een afdeeling van den Geref. Bond opgericht naast „Troffel en Zwaard". Deze nieuwe afdeeling lelde bij de oprichting ± 80 leden.
De statuten laten het toe, dat ook vereenigingen in een gemeente naast de afdeeling lid van den Gerefonm. Bond kunnen zijn.
De leden van onze Propagandacommissie hebben ons veel werk uit de handen genomen. We danken de heeren zeer voor al het goede, wal door hen voor onzen Bond gedaan is en hopen ook in de toekomst op hunne medewerking.
Op de vergaderingen van het Hoofdbestuur is ook menigmaal de aandacht geschonken aan de noodzakelijkheid van het hebben van een Zendeling-predikant op Celebes. Ook het gebrek aan juristen en leeraren van ons beginsel is groot. Het Hoofdbestuur hoopt ook hierop de aandacht te richten.
Overbodig zal het wel zijn, dat het beheer van het kapitaal van onzen Bond gedurig het onderwerp van gesprek uitmaakte.
Ook de vragen op dogmatisch terrein, over Doop, Venbond en Belijdenis enz., roepen om behandeling.
Den predikanten, die meditaties schreven in De Waarheidsvriend, breng ik daarvoor mijn dank.
Moge God de Heere bij vernieuwing zich erbarmen over den arbeid van onzen Gereformeerden Bond. Schenke Hij ons het licht van Zijnen Heiligen Geest, die ons alleen in de Waarheid leiden kan.
Ziende op den grooten nood der tijden en op het feit, dat de kerk in het midden der branding komt te staan, is het noodig dat allen die eensgeestes zijn, ook samen met elkander zullen optrekken tegen den gemeenschappelijken vijand.
Immers : eendracht maakt macht.
J. J. TIMMER, Secretaris.

Geachte Vergadering,
Op heden is het de vijfde maal dat wij u vanaf deze plaats mede namens de commissieleden, de vrienden Maarleveld en De Groot, een kort verslag doen hooren.
Drie vergaderingen werden dit jaar door ons gehouden in waren broedergeest. Volkomen zijn wij het eens hierin, dat wij ons ten volle willen wijden aan de taak ons opgelegd door het Hoofdbestuur en door ons vrijwillig aanvaard, 't Is ons een lust en geen last, iets, ja veel te kunnen doen in het belang van onzen Gereform. Bond, omdat wij de vaste overtuiging hebben dat, zal de gereformeerde groep in onze Hervormde Kerk nog iets beteekenen, onze Bond hecht en sterk en één moet zijn.
Volgens gewoonte werd ook nu aan al de afdeelingen een vragenlijst gezonden met verzoek deize na invulling terug te zenden. Het ging de commissie hiermede als den Bondssecretaris vorig jaar, die daarom in zijn jaarverslag zei : sommige afdeelingen zonden een keurig verslag, andere lieten niets van zich hooren. Wij moeten zeggen : de meesten zonden ons op tijd een keurige lijst, anderen op aanmaning, sommigen in 't geheel niet.
Broeders, één vraag aan allen, ook van deze plaats : voldoet aan ons verzoek, voor den goeden gang van zaken.
Op velerlei vragen betreffende de actie tot ons gericht, hebben wij volgaarne een antwoord gegeven. Voldaan hebben wij, waar het mogelijk was de helpende hand te verleenen.
Het is de Commissie een oorzaak van blijdschap te constateeren, dat er in de afdeelingen of ook op plaatsen waar tot heden geen afdeeling bestaat, een begeerte zich openbaart om iets te doen of ook meér te doen dan tot heden geschiedde.
Als dan ook aan ondergeteekende gevraagd wordt het doel van den Bond uiteen te zetten, doet hij dat .met meer dan gewoon genoegen. Dit jaar vond dit plaats te Veenendaal en te Garderen. 'k Wil den wensch uitspreken dat het op 'meerdere plaatsen zal geschieden. Men verbindt zich tot niets en 't kan z'n nut hebben.Veelal heerscht er zoo'n verkeerde gedachte ten opzichte van onzen Gereformeerden Bond, dat het waarlijk geen weelde schijnt te zijn, noch overbodig is, gelegenheid te krijgen de zaken eens recht te zetten.
Aan het verzoek van de Afdeelingsbesturen van Sluipwijk, Amstelveen en Delf shaven, om een onderwerp op de ledenvergadering in te leiden, is door den voorzitter onzer Gomimissie dan ook zeer gaarne voldaan.
Wij willen u de verzekering geven, dat wij ten allen tijde klaar staan voor allen en ieder, zooveel in ons vermogen is.
Dat velen, die nu nog verstrooid zijn, zich aanéén inogen sluiten !
Dat de Afdeelingen steeds meerdere activiteit mogen aan den dag leggen, opdat inderdaad een gezond Bondsleven openbaar worde.
Om de éénheid der broederen te bevorderen, willen wij allen alles zijn.
De Heere God schenke ons daartoe Zijnen zegen.

P. BRINKERS.

Utrecht, 28 April 1938.
Volgens de statuten móet het verslag van den Penningmeester gehouden worden. Dit mag om vele redenen niet achterwege blijven.
Ds. J. Goslinga, de Penningmeester, krijgt nu het woord.
Zijn verslag luidt als volgt :

Van den Penningmeester.
’t Kost ons, in het algemeen gesproken, in den regel veel minder moeite om de schaduwzijde van de dingen op te merken, dan. de lichtzijde te zien. Dit hangt samen met de ontwrichte structuur van den menschelijken geest. Wij zien wat wij gaarne anders wenschten, veel scherper omlijnd dan wat wij als iets gewoons qualificeeren. In heel de levensgang merkt ge ditzelfde verschijnsel. Gaat het heele leven maar na. Ge zijt gezond en krachtig, de arbeid valt u licht, totdat het moment komt, dat er iets hapert. Al is het nog zoo klein, heel een ge dachten wereld wordt u dan voorgelegd. Een kleine zenuw, die bloot ligt, wij­ zigt uw hersenen, 't Kleinste euvel hindert u vaak het meest.
Zoo komt het dan ook, dat menschen, die nooit iets mankeerden, het slechtste hun leed kunnen dragen. Een, die zijn gezonde dagen kan tellen, die veel doormaakt, gedraagt zich daarentegen niet zelden als een held of heldin, een beschamend voorbeeld voor ieder.
Wij gebruiken dit inleidend woord om onze gedachtengang gemakkelijker ingang te doen vinden, n.l. : wat leven wij toch in een rijk land! Wat 'n gezegend plekske werd ons door 's Heeren wonder bestel toegewezen. Wanneer in ordelijke lijn de rijke gunsten, ons te beurt gevallen, aan uwen geest zouden worden voorgelegd, zou het relaas haast onoverzichtelijk blijken.
Ik weet wel, en in dat koor zingen wij ieder op zijn eigen wijze telkens mee, dat hiertegenover heel wat donkers valt te melden. Een vraag lijkt ons in deze alleszins gewettigd. Wordt het kwaad daardoor kleiner ? Vergeet geen moment, dat aan de wereldontwrichting geen enkel land ontkomt. Elk land krijgt zijn eigen aandeel thuis. Geen enkele grenswacht, hoe scherp de controle mag wezen, weet dit af te weren. Hoe langer hoe duidelijker treedt in het licht de waarheid van het Woord des Heeren „waar één lid lijdt, lijden al de leden". Het kwaad is universeel. Het mag verschillen in openbaring, de wortel is bij allen eender.
Zoo komt het dan ook, voornamelijk door de tallooze verbindingen, op alle mogelijke manier door het zich steeds uitbreidend verkeer der volken onderling, door de radio, door de pers, ja, waar niét door, dat wij als een kluwen door elkander zijn gewoeld. En daardoor golven, naast gezochte, tegelijk de minst begeerlijke dingen, die wij gaarne zouden zien afgewend, naar binnen. Hierover uit te weiden, zou ons weinig moeite kosten. Wat er evenwel door bereikt zou worden, is weinig anders dan eigen aandeel aan de schuld zoeken te verkleinen, den indruk wekkend : wij zijn toch zoo slecht nog niet als andere landen en volken. Wanneer er geen besmetting had plaats gehad van buiten af, waren wij de beste van de besten. Zelfverheerlijking, eigengerechtigheid, behooren tot de inheemsche planten in den menschelijken hortus.
Vandaar is het zoo goed, dat wij het Woord des Heeren ons telkens weer zien voorgelegd. Wij doen uit de tallooze plaatsen, waar ons de juiste omschrijving van de menschelijke geaardheid wordt geleerd, maar een greep. Legt u de eerste bladzijde maar eens voor van de profetieën van Jesaja. „Het gansche hoofd is krank en het gansche 'hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve”.
Dit is duidelijke taal.
Gold dit woord in eerste instantie het oude volk, het volk Zijner keuze, waaraan zooveel bizondere gunste was bewezen, wie zou er dan nog den moed hebben om voor eenige natie een uitzonderlijke positie te durven opvorderen. Neen, zij zijn tezamen afgeweken, zij zijn onnut geworden.
De zaden der zonde vindt ge overal gelijkelijk. Toch is er geen klein verschil in openbaring van het kwade. En nu kom ik, waar ik de gelegenheid vind om op Gods wonderen weg, gehouden met deze lage landen aan de zee — want dit wordt toch in den naam „Nederland" zeer duidelijk vertolkt - - te kunnen wijzen.
Waar vindt ge een land, waar in alle opzichten zooveel gunsten Gods werden bewezen ? Waar bleef het Woord der Waarheid zoo zuiver en in zoo'n breeden kring bewaard als hier ? Heele streken in ons vaderland, zij mogen als achterlijk en conservatief tot in 't dwaze door niet weinigen versleten worden, ieder, dien het Woord des Heeren lief werd, zal belijden : „hier gevoel ik me wonderwel thuis". Tallooze gemeenten, die niet anders begeeren dan dat Evangelie, waarin God alleen wordt verheerlijkt, n.l. in de zaliging van zondaren, enkel en alleen door en om het werk van Christus Jezus. Goddeloozen worden gerechtvaardigd.
Dit te loochenen, zal niemand aandurven, alleen de opmerking zou kunnen worden gemaakt, dat zulks van geslachten her zoo is geweest. Ongetwijfeld zal dit onmiddellijk worden toegegeven, maar zijn er geen droeve ervaringen te over in de landen buiten onze grenzen, waar ditzelfde verschijnsel sedert langer of korter tijd geheel is verdwenen ? Door allerlei invloeden, inzonderheid door de scholen en door de inwerking van organisaties, in fabriek en werkplaats, is alle positieve religie weggemaaid.
Had dit hier ook niet gekund ? Is Gods zorgende goedheid hier niet op het hoogste te prijzen ?
’k Wil nog op iets anders wijzen. In vele plaatsen, van ons vaderland zijn wij. eenigszins bekend geraakt met de toestanden, een kleine halve eeuw geleden en thans. En nu staat mij het woord van den Apostel voor den geest : „wanneer ik roemen zal, zoo zal ik roemen in den Heere". Waar vóór 50 jaar, of iets korter of iets langer, een moderne prediking werd gevonden, daar is sedert jaren de zuivere prediking van het Woord. Wie •heeft dit anders bewerkt dan de Heere zelf ? Daar zijn nog tal van dingen op te merken, die op dezelfde verschijnselen tei'uggrijpen. Door de Scheiding en later door de Doleantie, waren heele brokstukken van het meelevend deel van de natie, die vooraan hadden gestaan in den strijd voor de Waarheid, onttrokken aan mogelijke opbouw van het oude Gereformeerde leven in de Ned. Hervormde Kerk. Zoodat, naar menschelijke berekening, niet meer gehoopt mocht worden op terugkeer op de oude paden. En toch heeft het Gode behaagd honger te wekken naar het Woord des Heeren. Menige kansel mag daarvan getuigen : „wat onmogelijk was bij de menschen, is mogelijk ibij God". In Gereformeerden zin is in stee van achteruitgang, juist een opleven te merken geweest. Van menige kerkeraad kreeg men een schrijven : kunt ge ons niet helpen in dezen".
Zie, dit onopgemerkt laten, zou ons schuldig stellen voor God. Door Zijn hand werd dit alleen verkregen.
Dit ziende, wat hier valt op te merken en wat in alle landen schier wordt gemist, wat zeg ik, in vele zelfs wordt gebannen en zoo mogelijk wordt te gronde gericht, blijft er maar éene bekentenis over : „wij zijn schuldiger dan een, wanneer Godes Naam hier niet op het hoogst wordt verheerlijkt". Geen één land, waar zooveel eerbied werd getoond voor de oude Gereformeerde Waarheid, als hier. Immers naast ons en rondom ons merkt ge een en dezelfde drang naar hetzelfde Evangelie.
Kan het u verwonderen, dat wij kwamen tot deze vraag : „Waar vindt ge een stee, waar zooveel gunsten Gods werden bewezen ? "
Nu, in dit verband dient ook te worden gezien de arbeid, door den Gereformeerden Bond begonnen en voortgezet tot op dezen dag.
De Heere heeft onze zwakke en gebrekkige pogingen rijk, willen zegenen. In den groeienden nood heliben wij door de hulpe Gods eenigermate mogen voorzien door steun te mogen bieden aan tal van jonge menschen, die thans met eere mogen worden genoemd : „Bedienaren des Goddelijken Woords", in het midden van onze Hervormde Kerk.
Wanneer we dan ook op dit huidige moment weer als Bond van Gereformeerde mannen tezamen komen, kon en mocht een loflied op 's Heeren trouw worden aangeheven. Wij werden en worden door de gunste Gods nog gedragen. Van veel goeds van 's Heeren zijde mogen wij gewagen. Hem daarvoor dank te weten, is ons een schuldige plicht. In de kleinste gave mochten wij vaak Zijn hand duidelijk merken, zoodat wij wellicht den schijn mochten wekken, dat wij altijd tot danken waren geneigd. Toch konden wij niet anders. Aan Zijn bijstand heeft het ons in geenen deele ontbroken.
Beschaamd werden wij telkenmale, als de gedachte bij ons opkwam : zoude de ongunst der tijden niet een zoodanigen invloed hebben op de inkomsten, dat de zaak, waarvoor ge uwe krachten geeft, daaronder zoodanig zou lijden, dat ge met moeite verder zult kunnen gaan ?
Vooreerst mag worden opgemerkt, dat wat onze bezittingen betreft, geen enkel verlies ons heeft getroffen. Op het eenige vaste pand is voor enkele jaren reeds zooveel afgeschreven, dat de reëele waarde hiermee werd weergegeven. Ook is geen dergenen die in onze boeken staan aangeduid als onze schuldenaars, ook maar voor één halve cent in gebreke gebleven. Dit zegt in onze dagen niet weinig. De geldswaardige papieren zijn eerder geklommen dan gedaald.
Alles wijst naar boven. 't Is waarlijk niet aan onze accuratesse te wijten — neen, in geenen deele. Godes wijs toestel is hier enkel op te merken.
Van de Waarheidsvriend, die het eigendom is van den Bond en waarvan geregeld een batig saldo viel te boeken, niettemin aan niet weinige lezers een reductie werd verleend of gratis werd toegezonden, mocht opk thi^ns nog een batig slot worden geboekt.
Is dit niet een heerlijk resultaat ? Want al zou dit in ongunstigen zin zijn gewijzigd, zoo kon de uitgave hierdoor niet worden stopgezet. Vooreerst om de geregelde rubrieken niet, die in breeden kring met graagte worden gevolgd ; doch stel u eens voor, wat ik zou móeten beginnen als mij geen gelegenheid werd gelaten mijn overzicht weer te geven van wat er geregeld bij mij inkwam. Ons wekelijksch orgaan is voor mij onontbeerlijk. Ik dank er den Hemel voor, dat niettegenstaande de moeite, ons vaak door menschenhand veroorzaakt, ons blad zijn positie mag blijven bewaren. Wij blijven intusschen bij allen, die met ons meeleven, met aandrang vragen om krachtige steun.
’k Vermeen niet, dat er een onder ons zich bevindt bij wie een andere gewaarwording opkomt dan deze : blijft hier wel iets anders over dan God te danken ?
Nu kom ik weer met hetzelfde naar voren, waarmee ik begonnen ben. Daar zijn twee zijden aan elk ding, een lichtzijde en een schaduwzijde. En nu is het samenhangend met onze natuurlijke aanleg, om altijd de schaduwzijde te zoeken. Ook het tegenovergestelde is mogelijk. Deze hebben wij gekozen, door acht te geven op wat God de Heere ons in Zijn onbegrepen goedheid nog deed geworden.
Daar zijn twee mogelijkheden om het kwade niet te zien. De eerste is door, als het dier, de oogen te sluiten, het hoofd te verbergen in het zand ; de tweede is door het hoofd op te beuren en te letten op Gods daden. Dit laatste lijkt mij de meest veilige weg, en wat mij alles zegt : deze is de van God gebodene weg. Let maar weer op het Woord des Heeren : „Vergeet niet een van Zijn weldadigheden. Immers 't was God, die z' u bewees".
Wij hopen in dezen weg nog menige gunst van Zijn hand op te merken.
Nu is het, al zult ge omtrent wat door ons werd te berde gebracht niet verschillen, toch niet onmogelijk, dat ge enkele vragen heibt.
'k Voorkom deze liever, dan dat ik deze mij zie voorgelegd, 'k Merk n.l., zoo stel ik mij de vrager voor, dat er elk jaar iets minder uitgegeven wordt dan er werd gebeurd. Dat gebeurt lang niet overal.
Dit kan tweeërlei uitwerken : dat kan jaloersche menschen maken, en dat kan tot nieuwen arbeid prikkelen. Van jaloerschheid hebt ge niets anders dan kwaad te wachten. Daarheen wenden wij het aangezicht niet.
Wèl, naar wat er op volgde. Tot nieuwen arbeid zag men zich geprikkeld door het gunstig verkregen resultaat.
Hierbij sluit ik mij onmiddellijk aan.
De gelden, in het verleden door Gods hand ons toebeschikt, zullen moeten beantwoorden aan het door Hem ons aangegeven doel: „Predikt het Woord. Houdt aan tijdiglijk en ontij diglijk". Vertraagt niet. De alleszins dwaze opmerking, die uit kortzichtigheid of uit gebrek aan nadenken is ontsproten, kwam met dit voorstel aandragen: „Zet nu de heele zaak maar stop. Daar is geld genoeg".
Getuigt zulk een zeggen wel van een open oog voor den werkelijken toestand onzer dagen ? Dat is spelen met het gevaar. Door Gods goedheid hebben wij kapitaal mogen vormen. Hier werd met verstand en nudhteren zin gewerkt. Evenwel, wie meent, dat hiermede een halt werd verkregen, die zou ik willen doen opmerken, dat al zulke haltes door den nood der tijden zijn opgeheven.
Wij mogen en moeten naast het vormen van predikers, thans onze volle aandacht wijden aan de gemeenten. De arbeid, voornamelijk in de groote plaatsen, vordert naast de prediking, hulp in meer dan één vorm. Hier moet steun worden verleend, niet weinig.
Beschamend voor ons is wat er gedaan wordt door de verschillende groepen naast de onze. Van Confessioneele zijde. Van Etliische zijde. Van de Modernen blijft er geen één werkeloos. Ook hier zijn hulpbronnen.
’t Is al enkele jaren geleden, dat mij een overzicht van de financiën van den Protestanten-Bond in handen kwam. Hier stonden getallen vermeld, die toentertijd het dutobele vermeldden wat de Gereform. Bond bezat.
Dit is nog niet zoo heel lang geleden.
Ge krijgt een gevoel van ver achter d te zijn, als ge daar zaagt getallen als hier.
Van de Doetinchemsche Stichtingen hoort ge nooit iets. Wat zich wel laat afleiden is dit: daar heerscht igeen enkel gebrek. Daar is eenheid van willen. Men durft op ieder terrein beide voeten te planten. Om maar één ding te noemen. Waar iedereen zou denken: den inleiding voor dominé kan nu iet of wat worden ingeperkt, daar leert ge hier het tegenovergestelde. Wij moeten niet alleen zorg dragen voor studenten, doch ook op de voorbereiding onzen arbeid weer toespitsen.
Wakkerheid aan alle kanten. Niet inperken maar aanpakken.
Wanneer ik éen gedachte funest vind, is het deze : „dat wij het eindpunt zouden hebben benaderd". Niets is minder waar. 't Begin is er nauwelijks. Van alle kanten zie ik handen toegestoken : Kom, help ons met geeste-.lijke en stoffelijke gaven. Verslapt niet, maar laat het gedurig gebed opklimmen :
Verlaat niet wat Uw hand O Levensbron, Wil bijstand zenden.
Ik heb gezegd.
De Voorzitter dankt ds. Goslinga voor zijn keurig verslag en zijn drukke werk als Penningmeester.

Resultaat van stemming. Duymaer van Twist 420, Verbeek Wolthuys 352, Timmer 471, Hoogeboom 17, Tjalma 99, De Geus 6, Bartlema 34, Van den Berg 21, Aalders 9, Mulder 1, Schouten. 7, Enkelaar 2, Rijnsburger 6, Leenmans 1, Beens 1, Van der Pol 1, prof. Visscher 1, Zandt l, Asmus 1, Lokhorst 3, blanco 1, onwaarde 1.
De herkozene aftredenden namen tot blijdschap van den voorzitter de herbenoeming aan.
De voorstellen uit Den Haag werden niet in stemiming gebracht. Eerst zal er D.v. nog een breede samenspreking plaats hebben in dèn loop van dit jaar tusschen het afdeelingsbestuur van Den Haag en het Hoofdbestuur.
Aan het Afdeelingsbestuur van Utrecht komt grooten dank toe voor den arbeid, die op de jaarvergadering gedaan is. Het voorbereidende werk en de leiding der stemming was bij hen in goede handen.
Deze vergadering was buitengewoon druk bezocht. Er heerschte een groote samenbinding en eensgezindheid, zoodat geen enkele wanklank gehoord werd.
Gezongen werd Psalm 25 vers 4.
Prof. Severijn ging voor in dankgebed.

De Secretaris.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's