MEDITATIE
En ga niet in 't gericht met Uwen knecht; want niemand die leeft zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn. Psalm 1A3 vers 2.
Wij, menschen, leven in 't algemeen zoo gerust. Al roept de Heere ons toe : „Wee, wee, de gerusten in Sion en de verzekerden op den berg van Samaria", toch laten wij ons daardoor niet verschrikken en blijven in onze doode gerustheid. Ja, al komt de Heere ons beproeven of bedroeven en al toont Hij Zijn heiligen toorn in rechtmatige kastijding, dan nog ontwaken talloos velen niet en blijven in hun rustige verzekerdheid en leven alsof er geen hemel en geen hel en geen rechtvaardig God en geen eeuwigheid is.
Daarom noemt de Waarheid ons hardslapenden en zelfs dooden.
Gelijk een doode geen warmte of kou gevoelt en zich niet bekommert om liefkoozing of bedreiging of slagen, zoo leeft menigeen onbekommerd en onbewust voort. Wat moet er dus een groote verandering plaats grijpen in den mensch, eer de bede van onzen tekst uit 't harte rijst en de lippen het uitspreken :
Wil Uwen knecht, door schuld verslagen O Heere, niet voor Uw vierschaar dagen, Want niemand zal in dat gericht, Daar zelfs zijn hart hem aan moet klagen. Rechtvaardig zijn voor Uw gezicht.
Ziet, als deze bede in geest en in waarheid uit een hart oprijst, dan zal het de engelen voor Gods troon verblijden, want er is vreugde in den hemel over één zondaar die zich bekeert.
Zalig de zondaar, die voor eigen ziel de inhoud van deze bede leerde verstaan en mocht uitspreken voor den Heere, want zulkeen is onder de bearbeiding des Heiligen Geestes. Uit onszelf zouden wij daar nooit toe komen. Dit hebt gij zelf misschien al ondervonden. Hoe vaak moeten wij ons veroordeelen niet alleen over de zonde, maar ook over de koudheid en onverschilligheid omtrent de zonde.
Menigeen heeft wel eens gedacht dat hij wel wil, maar niet kan komen op de plaats der zelfveroordeeling en verbreking des harten. De onmacht om waar berouw te wekken in eigen hart wordt somtijds gevoeld. Maar ge weet 't wel, hoe Gods Woord ons leert, dat 't niet slechts onmacht is, doch ook onwil, want wij willen niet buigen voor den Heere.
De mensch is door en door afkeerig van zelfvernedering. Wij zijn liefhebbers van onszelf en daarbij heeft de duivelsche hoogmoed ons geheele wezen verkankerd, zoodat wij steeds onszelf willen handhaven en verheffen. Wij denken, dat zelfverbetering voldoende is.
Als ge de menschen hun zonde Iaat zien, dan noemen ze u hatelijk. Als de Heere Jezus den Farizeërs toont dat ze zijn gepleisterde graven, van binnen vol verrotting en doodsbeenderen, dan klagen zelfs de discipelen : „deze rede is hard ; wie kan ze hooren". De menschen willen wèl hooren dat ze allen zondaren zijn, maar er mag geen persoonlijke toepassing bij.
Misschien verstaat ge nu wel, dat het alleen Gods genade is die door Zijn Heiligen Geest ons tot zondaars maakt en ons hart verbreekt en ons in oprecht berouw nederbuigt voor Zijn genadetroon.
’t Is geen gemakkelijk plaatsje, zooals ge wel kunt beluisteren in onzen tekst. De psalmist sidderde en beefde voor 't gericht, want hij gevoelde dat hij kwam te staan voor een heilig en rechtvaardig God en hij gevoelde in zijn eigen geweten dat de Heere den schuldige geenszins onschuldig houdt.
De Schrift zegt, dat de Heere God is een verterend vuur voor den goddelooze ; hoe zouden wij dan voor Hem bestaan ? Elk zelfontdekte zal iets kennen van de bevinding van Mozes, toen hij uitriep : „Want wij vergaan door Uw toorn en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt. Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns".
Wie met God te doen krijgt, zal 't gevoelen dat geen uitvlucht baat en dat er geen schuilplaats bestaat waarin wij ons verbergen kunnen (Psalm 139 vers 4) en geen voorwendsel, waarmee wij ons verontschuldigen kunnen en dat we niets tot onze verdediging kunnen aanvoeren.
En toch is dit eigenaardig en opmerkelijk. Job zegt : „ik zal mijn Rechter om genade bidden". David «valt in onze tekst den Heere ook biddende te voet en zoo zouden we uit vele plaatsen van Gods Woord kunnen bewijzen, dat diezelfde heilige en rechtvaardige Rechter, Die niets van Zijn recht laat vallen, toch den overtuigden zondaar in zulk een ure niet verschijnt als een wreed Rechter, Die lust zou hebben in onzen dood en verderf.
Integendeel — de Heere wordt dan gekend als zeer lankmoedig en weldadig. Die niet alleen droeg en spaarde, maar Die ook dag aan dag overlaadde met weldadigheden, zooals de dichter dat ook bezingt in Psalm 86 vers 8 :
Maar Gij, Heer, Gij zijt lankmoedig. Zeer barmhartig, overvloedig In gena, die ons behoedt ; Groot van waarheid, eindeloos goed.
Dan zullen die lankmoedigheid en eindelooze goedheid des Heeren eensdeels 't schuldverslagen harte te meer in verslagenheid doen neerzitten en anderdeels zal 't weer een punt van hoop opleveren, gelijk de koning van Ninevé het zijn onderdanen toeriep : „Wie weet. God mocht Zich wenden en berouw hebben ; Hij mocht Zich wenden van de hittigheid Zijns toorns, dat wij niet vergingen".
O, gij, die dit bij ervaring verstaat, gij weet ook dat het in zulke tijden niet is een ontkennen van de schuld, gelijk Adam en Eva deden na den val, en ook niet een van zich afzetten, van de verantwoordelijkheid.-Het is een volmondige en eerlijke schuldbelijdenis voor God. Het is een toevallen aan 't recht des Heeren en dan toch een weten dat in God Zelf de mogelijkheid ligt om te kunnen vergeven.
Die mogelijkheid der schuldvergiffenis is er voor allen, die door de ontdekkende werkingen des Heiligen Geestes hun eigen zonde en schuld hebben leeren kennen en erkennen en betreuren, maar dan ook voor zulken alléén.
„Wie zijn ongerechtigheid bekent en laat, dien zal barmhartigheid geschieden", spreekt de Heere. Daar moet dus zijn een middel, waardoor het Gode mogelijk moet zijn om de zondeschuld te vergeven, en nu ontsluit Gods Woord op menige bladzijde dat kostelijke heilgeheim, dat „God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende, hare zonde haar niet toerekenend".
Dat weten wij uit kracht van opvoeding, maar hoe geheel anders klinken ons die woorden in de ooren, als wij onze schuld leerden verstaan en het geweten ons aanklaagt en 't hart weigert getroost te worden.
Hoe dierbaar wordt dan die Heiland, Jezus Christus, als de Heilige Geest ons als bij de hand leidt naar Gabbatha en wij Hem als Borg zien staan in het gericht voor den rechterstoel om Zich te laten veroordeelen in de plaats van Zijn volk.
Hoe dierbaar wordt Jezus, als we Hem dan zien gaan naar Golgotha, bezwijkend onder 't kruis, en als we Hem zien hangen aan 't vloekhout om hellesmarten te lijden om ons eeuwig van de hel te bevrijden.
Wie daar komt tot de bevinding welke Jesaja uitspreekt : ,,de straf die ons den vrede aanbrengt was op Hem en door Zijne striemen is ons genezing geworden", die z^l dien Borg en Zaligmaker nooit meer kunnen missen, maar die zal in Hem vinden genade en vergiffenis en eeuwig leven.
S.
O.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's