De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

GODS WEG TOT ONS

18 minuten leestijd

„Jezus zeide tot hem: omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd: zalig zijn ze die niet zullen gezien hebben en nochtans zullen geloofd hebben." Joh. 20 : 29.

Wat kan een discipel van Jezus toch ver van huis raken. Thomas had het al heel bar gemaakt. Men zou soms niet zeggen, dat hij een discipel was.
De andere tien zijn tot hem gekomen, en hebben hem toegeroepen : „Wij hebben den Heere gezien!" — Was dit voor Thomas niet e.en blijde boodschap ? Was het geen. oorzaak van groote blijdschap, dat hem die blijde tijding werd verkondigd : „De Heere is waarlijk opgestaan — wij hebben Hem zelve gezien!" ?
Het is door deze boodschap, dat de Heere tot hem komt. Het is de wijze, waarop als regel voortaan het Paasch-Evangelie zal worden uitgedragen; door het getuigeiiis der apostelen, dat door den mond vaii menschen komt tot andere menschen. Dat is Gods weg tot ons, de weg van het Woord, de weg van de prediking des Woords. Door menschenmond wil God het ons doen verkondigen : , , Wat zoekt gij den Levenden Christus bij de dooden ? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Hij is waarlijk opgestaan, want Hij is van de apostelen gezien !"
Dat is Gods weg tot ons : de weg van het Woord, dat Hij ons doet verkondigen. En dit Woord komt wel tot ons door menschenmond, maar heeft het getuigenis der waarheid in zichzelven. Zie slechts de eenstemmigheid van het getuigenis der tien apostelen, die tot Thomas komen : „Wij hebben den Heere gezien!" Het is waa: r — gij werpt misschien tegen : „Alle menschen zijn van zichzelve leugenaars, en ijdeler dan de ijdelheid zelve!" Maar als er tien getuigen zijn, wier getuigenis omtrent een zaak eenstemmig is, dan is toch wel eën ernstig onderzoek van noode, voordat wij die tien getuigen alle voor leugenaars verklaren !
Doch Thomas slaat geen acht op het gstuigenis van tien apostelen tegelijk. Hij acht zichzelven een meer betrouwbaar getuige, dan al die tien anderen tezamen! Doch hij zeide tot hen : Indien ik in Zijn handen niet zie het teeken der nagelen, en mijn vinger steek in het teeken der nagelen, en steek mijn hand in Zijn zijde — ik zal geenszins gelooven!"
Wat heeft Thomas toch gedacht: dat die anderen zich maar iets hebben ingebeeld ? Dat zou niet vreemd zijn. Want zoo wordt nóg dikwijls het Woord Gods ontvangen door den mensch. ,,Dat Christus op aarde gekomen is om zondaren zalig te maken, dat Hij is gestorven om onze zonden te verzoenen, en opgestaan om ons de gerechtigheid en het leven te geven — wie bewijst mij dat ? Er zijn wel menschen, die zeggen, dat zij Hem zelve hebben gezien. Maar wie waarborgt mij, dat zij zich niets hebben ingebeeld ? Neen, hoor : ik moet eerst een deugdelijk bewijs hebben, vóórdat ik zulk een prediking gelooven kan. Als ik niet zie met eigen oogen en tast met eigen handen, zal ik geenszins gelooven !"
Vreemdsoortig bewijs, dat gij vraagt! Dus als gij zelf zoudt zien met eigen oogen en tasten met eigen handen, dan zoudt gij willen gelooven ? En als tien anderen u komen verzekeren : „Hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens, dat verkondigen wij u!" — dan wilt gij niet gelooven, omdat zij het zich kunnen hebben ingebeeld ? Dus gij alleen zoudt betrouwbaar zijn als getuige ? Als gy zoudt zien en tasten, dan zou het goed zijn — dus gy alleen kunt u niet iets inbeelden ? Dat is voorwaar een inbeelding des harten, die beter kan genoemd worden met haar waren naam : dat is niets anders dan trotsche hoogmoed, die niet wenscht overtuigd te worden!
Thomas wil eerst zien, en dan gelooven. Maar ziet hij dan niet ? Ziet hij niet die tien anderen, wien de blijdschap afstraalt van het gelaat ? Hoe komt dat zoo opeens?
Want hij heeft ze toch wel anders gekend, deze makkers op den levensweg, die nu van blijdschap stralen, en die nu vol zekerheid getuigen : „Wij hebben den Heere gezien !" Hij heeft ze gekend, nog maar zoo heel kort geleden, als tobbers, troostelooze zoekers, net als hijzelf. Hij heeft ze gekend als menschen, die het kruis hadden gezien, en meer nog niet. Toen was daar geen blijdschap, want zij hadden het kruis gezien, en aan dat kruis hun Heiland voor hun zonden. Doch dat begrepen zij toen nog niet. Zij wisten maar één ding : zij hadden het kruis gezien, en aan dat kruis hun Heiland, den Gekruisigde. En daarna hadden zij hun Heiland niet weer gezien. En daarom was er bij hen geen blijdschap, maar droefheid en diepe treurigheid des harten, net als bij Thomas. — Dat was nog niet één dag geleden. En nu komen zij tot hem, en roepen hem, van blijdschap stralend, toe : „Wij hebben den Heere gezien !" Hoe komen zij er bij ? Het laatste, wat Thomas heeft gezien, is het kruis, en aan het kruis zijn Heiland. En daarna heeft hij zijn Heiland niet weer gezien.
En nu zou hij moeten gelooven, wat zij hem verkondigen : „Wij hebben den Heere gezien !" ? — „Als ik niet zie en tast — ik zal geenszins gelooven!"
Maar Thomas, ziet gij dan niet ? Zijn dat nu die tobbers, die troostelooze zoekers, net als gijzelf : die menschen, die daar vóór u staan, stralend van blijdschap ? Zijn dat nu dezelfde menschen, die gij gekend hebt vroeger, eergisteren, gisteren nog : twijfelmoedig, treurig, verslagen van hart — net als gijzelf ? Gij hebt ze toch gekend, die menschen, voor wie het geen feest kon zijn, waar Jezus niet was — die van dit Paschen geen Paasch-feest konden maken, omdat zij hun Heiland misten ?
En zie, zie dan toch, Thomas : nu is het feest voor hen — dus Jezus moet er zijn! Paschen is voor hen Paasch-feest geworden, want de blijdschap straalt hen van 't gelaat. En daar gij ze kent, moet gij toch weten, dat de reden, die zijzelve opgeven voor hun vreugde, de eenige ware reden kan zijn : „Wij hebben den Heere gezien !" Als gij dan hun woord niet gelooft, zie dan .naar hun gedichten, let dan op de vreugde, die dóórtrilt in hun stem : „Wij hebben den Heere gezien! Wij, arme zondaren, verslagenen van hart; wij die zonder Christus geen feest kunnen vieren : wij vieren feest, wij zijn geheeld van hart, wij weten ons rijk en blij — want wij hebben den Heere gezien !"
Dat is Gods weg tot ons : als Hij Zijn Woord tot ons doet komen, en het bevestigt door de kracht van dat Woord ons voor oogen te stellen : als Hij Zijn Woord bevestigt in het bevindelijk leven der Zijnen. Het is waar : dé bevinding van anderen kan u niet zalig maken. Maar gij moogt toch ook weer niet zeggen : „De bevinding van anderen kan mij niet baten!" Want hebt gij nooit zulke menschen ontmoet, die het u vertelden : „Wij hebben den Heere gezien !"? En hebt gij nooit gelet op de blijdschap, die kon afstralen van hun gelaat ? En hebt gij ze vroeger niet gekend : arme tobbers, troostelooze zoekers — net als gij misschien ? Gij wist toch van hen : zij konden nooit feest vieren, als Christus er niet was. En nu is het feest in hun hart, en de feestvreugde straalt hun uit het oog en trilt dóór in hun stem : hoe kan dat ? Hoe kan dat anders, dan omdat Gods Woord de waarheid spreekt: , , Christus is waarlijk opgestaan!" Hoe kan dat anders, dan omdat wij hebben een levenden Heiland?
Dàt is de waarde van het bevindelijk leven, waarin anderen bij tijden Hem ontmoeten : gij kunt het zien aan anderen, aan de blijdschap die straalt uit hun oog en trilt in hun stem, als zij spreken over Jezus, den Heere : Hij is de levende Heiland, de Zoon van den levenden God.
Maar zelfs de levende gemeente kan zoozeer dwalen, door eigen ongeloovigheid. En dan blijkt het altijd weer : Gods weg tot ons is de weg van het Woord. En Wie dat Woord niet aanneemt in geloof, die ervaart ook niet den zegen van Gods weg tot ons in het bevindelijk leven der Zijnen. Die zegen kón zoo groot zijn. Want ook zelfs het bevindelijk leven van andere geloovigen, waarin zij aan eigen ziel ervaren de kracht der opstanding van Christus, kan óns zijn tot grooten troost, tot bemoediging voor eigen levensweg! Want het is immers de levende bevestiging van Gods Woord: de Heere is de levende God, en Zijn Woord getuigt u van een levenden Heiland. Zie slechts de bevestiging van die prediking des Woords : zie slechts de blijdschap, die afstraalt van het aangezicht dergenen, die het u toeroepen : „Wij hebben den Heere gezien!" De levende Heiland oefent levensgemeenschap met de Zijnen.
Doch die zegen gaat verloren voor wie het Woord niet aanneemt in geloof. Zie slechts Thomas : omdat hij hun woord niet gelooft, heeft hij niets aan de verandering, welke bij die anderen heeft plaats gegrepen, aan hun blijdschap, hun zekerheid, hun feestelijk gelaat. Dat kan ook niet anders. Want heel het bevindelijk leven kan slechts zijn : bevestiging van het Woord. Maar het kan nooit innemen de plaats van het Woord. Het kan nooit zijn de grond, waarop wij bouwen. Want daar is maar één weg Gods tot ons : Gods weg tot ons is de weg van het Woord, waarop wij hebben te bouwen, waarnaar wij hooren moeten : 'de weg van het gehoor — gehoor van het gepredikte Woord.
Maar Thomas is niet tevreden met Gods weg tot ons. Hij kan niet accoord gaan met Gods weg met hem, met Gods leiding in zijn leven. Als die anderen dat allemaal ervaren hebben, waarom hij dan niet ? Als die anderen allemaal den Heere hebben gezien, waarom hij dan niet ? Waarom werden zij geleid op den weg van het zien, en hij op den weg van het gehoor des Woords?
Maar Gods weg tot ons is een weg, onbegrijpelijk vol van lankmoedigheid en geduld en ontferming. Dwars door den stroom van onze ongerechtigheden heen weet Hij ons te vinden. Acht dagen later staat de Heiland vóór Thomas, en zegt : „Breng uw vinger hier, en zie Mijn handen, en breng uw hand en steek ze in Mijn zijde — en wees niet ongeloovig, maar geloovig!"
Dan is alle tegenstand gebroken. Diep beschaamd valt Thomas zijn Heiland in aanbidding te voet: „Mijn Heere, en mijn God!" —
Zoo is Gods weg tot ons. Hij komt, Hij zoekt — totdat Hij vindt.
Gods Woord moest ons genoeg zijn, omdat het Gods Woord is. Het getuigenis der apostelen, het getuigenis dergenen die Hem ons prediken, moest een vast geloof in ons wekken: om hun eenstemmigheid, om hun blijdschap in hun levenden Heiland — bovenal: omdat het overeenkomt met het Woord Gods, voorheen door Christus tot ons gesproken.
Doch nóg dieper buigt de Heere Zich neer tot de Zijnen, wanneer Hij, ondanks hun dwingen, tot hen komt.
„Jezus zeide tot hem : Omdat Gij Mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd: zalig zijn ze, die niet zullen gezien hebben, en nochtans zullen geloofd hebben."
Jezus misprijst dus in Thomas niet, dat hij gelooft — maar dat hij eerst heeft willen zien. Want Thomas heeft één ding toch wel totaal vergeten : hoe zal hij straks als apostel geloof kunnen verwachten in het Woord Gods, dat hij predikt ? Want hijzelf heeft het woord van tien apostelen tegelijk niet geloofd — hoe kan hij dan bij anderen verwachten geloof in het woord van één apostel ?
En toch is dat de wijze, waarop als regel voortaan het Paasch-Evangelie zal worden uitgedragen : door het getuigenis der. apostelen, dat door den mond van menschen komt tot andere menschen. Ook door den mond van Thomas. Dat is Gods weg tot ons, de gewone weg: de weg van het Woord, de weg van de prediking des Woords.
En wat is Gods bedoeling met die prediking ? Waartoe laat Hij ons Zijn Woord verkondigen ?
Opdat wij het zouden aannemen in geloof : omdat het Zijn Woord is. Dat is onze weg tot God : de weg des geloofs, waardoor wij Zijn Woord aannemen.
Onze weg tot God is niet de weg van het zien. Het zien komt wel, maar in de tweede plaats. Want God spreekt niet in de eerste plaats door teekenen en wonderen, doch door Zijn Woord tot ons. En als gij Zijn Woord niet aanneemt, zijt gij niet op Gods weg, en zult gij ook de teekenen niet opmerken.
Als wij daarop letten, zijn wij een oogenblik geneigd te vragen: wat is er nu voor verschil tusschen Thomas en de Joden, die Jezus verwerpen ? Want wij weten het, wat Paulus zoo typisch zegt: de Joden begeeren een teeken. Zij gelooven niet het Woord van den Heiland, doch zij vragen om een teeken, opdat zij kunnen zien en gelooven.
Dat is niet onze weg tot God. Want dat is niet Gods weg tot ons. De Heere begint nooit met een teeken : Hij begint altijd met tot ons te komen door bet Woord. En wie dat Woord niet gelooft, ziet ook de teekenen niet.
Dat blijkt wel heel sterk bij de Joden. Zij hadden teekenen genoeg van Jezus ontvangen, zij hadden heel veel om te zien. Doch ziende waren zij blind. Want als de Heiland pas Van zeven brooden en enkele vischjes op wonderlijke wijze gespijzigd heeft een schare van vierduizend mannen, zonder nog de vrouwen en kinderen te tellen — dan komen onmiddellijk daarop dé Farizeërs en Sadduceërs, en begeeren van Jezus, dat Hij hun een teeken uit den hemel zoude toonen....!
Wie het Woord niet aanneemt in geloof, merkt ook de teekenen niet op. Dat blijkt ook bij Thomas. Hij wil het getuigenis der apostelen niet gelooven — en merkt daardoor niet op de groote verandering, die bij menschen in zijn naaste omgeving heeft plaats gegrepen. Twijfelaars, bekommerde zielen, ongetrooste zoekers als hijzelf — zijn geworden tot blijde boodschappers, vol van de zekerheid des geloofs, tot verkondigers van het Woord van troost. Zij, die hebben geloofd, als ware er niet dan een doode Christus, prediken nu den levenden Heiland. Hoe vraagt hij dan nog een teeken, die Thomas ? Hoe begeert hij dan nog te zien — hij die ziende niet ziet, en hoorende niet opmerkt ? !
Maar nogmaals : wat is er dan voor verschil tusschen Thomas en die ongeloovige Joden ? Een ongeloovige Thomas en ongeloovige Joden — is het niet lood om oud ijzer ?
Men zou het wel zeggen — en tóch : de Joden vieren feest, terwijl Thomas ronddoolt als een treurende, een ongetrooste ziel, die eenzaam rouw bedrijft. Zij meenen beide, dat Jezus dood is : de ongeloovige Thomas evengoed als de ongeloovige Joden. Maar dit is het verschil: de Joden vieren feest, en Thomas gaat in het zwart, en bedrijft rouw. De Joden vieren feest, hoewel Jezus weg is — sommigen vieren misschien wel dubbel luidruchtig feest, omdat Jezus weg is. Doch Thomas kan niet feestvieren, als Christus er niet is. Want in den grond is Thomas een geloovige, terwijl de Joden in den grond ongeloovig zijn. En daarom krijgt Thomas het teeken, dat hij vraagt, dat hij afdwingt bijkans —terwijl de Joden het niet kregen.
Doch Thomas krijgt het gevraagde teeken niet, omdat hij het verdient. Integendeel : hij krijgt een ernstige berisping van zijn Heiland : „Wees niet ongeloovig, maar geloovig ! Als gij een geloovige zijt, en dat zijt ge toch, Thomas, openbaar u dan ook niet als een ongeloovige. Want, Thomas, bedenk toch eens : als de wereld u ziet, kan zij niet anders dan gelooven, dat uw Heiland dood is. Want die wereld weet het zeer wel, dat gij alleen feest kunt vieren, als Christus er is, als uw Heiland lééft. En dat is u toch verkondigd ? En wat u gepredikt werd, stemt toch volkomen overeen met het Woord, dat Ik tot u gesproken had: dat Ik ten derden dage zou opstaan van de dooden ? En nu is het geschied, en nog bedrijft gij rouw — zoodat de wereld wel moet gelooven, dat uw Heiland niet is opgestaan, dat dus Zijn belofte niet is vervuld, dat één van Zijn woorden ter aarde is gevallen. Door uw troostelooze en ontroostbare droefheid verheerlijkt gij uw Heiland niet!"
Nog verder gaat de bestraffing van Christus: „Omdat gij Mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd. Maar dat is niet de weg tot God. Gods weg tot u is de weg van het Woord, en niet de weg van het teeken. Des menschen weg tot God is dus ook niet de weg van het zien, doch de weg des geloofs. En het geloof is uit het gehoor — uit het gehoor van het Woord Gods.
Dat Woord Gods moet gij, Thomas, als Mijn apostel straks verkondigen. En dan zult gij van velen moeten vragen een gelooven door het gehoor van het Woord, dat gij predikt — zonder dat uw hoorders kunnen zien, hetgeen gij nu moogt zien. En velen zullen door uw woord in Mij gelooven : zalig zijn zij, die zonder te zien nochtans zullen geloofd 'hebben: zij schenken Mij grooter geloof dan gij!"
Dat is onze weg tot God : de weg des geloofs. De weg van het geloof in Christus Jezus, den Gekruisigde, Die is opgestaan, en Die is opgevaren ten hemel. En Die daarom door de Zijnen voor een kleinen tijd niet wordt gezien. Éénmaal zal Hij wederkomen ! Dan zullen al de Zijnen Hem mogen zien, gelijk Hij is. Doch hier op aarde wandelen wij door geloof, en niet door aanschouwen.
En toch : het geloof kent ook zijn eigen aanschouwen — een zien met het oog des geloofs. Christus zegt: „Wie Mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien !"
Hèbt gij Christus reeds gezien ? Dat is mogelijk, hier op aarde : Christus zien, met het oog des geloofs, wanneer Hij u voor oogen wordt geschilderd in de prediking des Woords.
Want merkt toch hierop : Gods weg tot ons, en onze weg tot God, die zijn één! Er is maar één weg tot God : dat is de weg, waarlangs God komt tot ons. Gods weg is de weg van het Woord. En dat Woord is Christus, het Woord Gods, dat vleesch is geworden, en onder ons heeft gewoond : hebt gij Zijn heerlijkheid aanschouwd ?
Dat kan alleen, als gij wandelt op onzen weg tot God : dat is de weg des geloofs — des geloofs in Christus.
Gods weg tot ons loopt door Christus, het vleesch geworden Woord. Onze weg tot God loopt door Christus, het vleesch geworden Woord. Daar is maar één weg, van God tot ons, en van ons tot God. God wil slechts langs één weg tot ons komen, en dat is : door Christus. En wij kunnen maar één weg inslaan tot God: den weg van het geloof in Christus, den weg van Christus. Elke andere weg brengt ons niet tot God, maar tot den duivel. Elke andere weg kan ons wel hier op aarde doen feestvieren, Paasch-feest misschien, maar .zonder Christus. Doch hiernamaals zal het blijken, dat zulk een weg uitkomt in het land zonder Christus, waar weening is en knersing der tanden. Want ook daar is nog wel een weg van God tot ons — doch het is de weg van eeuwige toorn en gramschap, waarlangs Hij komt' om met vlammend vuur wrake te doen, omdat gij hebt versmaad den weg, dien Hij ons had ontsloten in Zijn geliefden Zoon, opdat gij tot genade zoudt komen en behouden zoudt worden. Maar daar is niet meer een weg van ons tot God. En daarom : haast u, om uws levens wil, terwijl de weg tot God in Christus voor u nog openstaat! Hijzelf roept het u toe : „Wees niet ongeloovig, maar geloovig !"
En gij, die den weg des geloofs zijt opgegaan, en die geen feest meer kunt vieren, als Christus er niet is : bedenkt toch dit: de weg des geloofs in Christus is wel de weg tot God — maar op den weg van het geloof is het niet altijd feest. Gij kunt daar niet leven in ééne groote ontmoeting met Christus, uw verheerlijkten Heiland. Feest is het sinds de opstanding en de hemelvaart van Christus voor de Zijnen slechts bij oogenblikken. En die oogenblikken worden talrijker en duurzamer van aard, naarmate gij het meer leert: Christus te zien met het oog des geloofs.
Dat kan. Want Gods weg is de weg van het Woord. Bidt den Heere, dat gij Christus moogt zien in Zijn Woord, dat van Hem getuigt. Bidt den Heere, dat Hij uw geloof ook bevestige, door wat gij van Hem en Zijn gemeenschap moogt zien in anderen en van hen hooren. Bidt den Heere, Die „acht hebbende op onze traagheid en zwakheid", op onze zucht om te zien, „ons heeft verordend de Sacramenten.... dewelke Hij gevoegd heeft bij het Woord des Evangelies, om te beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen, zoowel hetgeen Hij ons te verstaan geeft door Zijn Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten.." (Ned. Geloofsbel. Art. 33) — bidt Hem, dat Hij u geve, dat gij Christus moogt zien in het gebroken brood en den vergoten wijn.
En bovenal: bidt den Heere, dat Hij u geve — ook als het geen feest is, omdat gij niet ziet — dat gij nochtans moogt gelooven !
Suawoude.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's