KERKELIJKE RONDSCHOUW
RONDOM HET REORGANISATIE-RAPPORT (8)
Wij geven nog eens het woord aan ds. Lingbeek, opdat we weten met welke bezwaren hij komt inzake het Reorganisatie-Ontwerp, dat nu in het middelpunt van aller belangstelling staat.
Ds. L. zegt : die straks de belijdenis onzer Kerk nullen hebben te hervormen en te handhaven, zullen dan alléén aan dit Artikel 8 zijn gebonden. Dit geeft ons reden, om vooral in dit Art. 8 „een zeer ondubbelzinnige uitspraak te verlangen omtrent de gebondenheid aan Gods Woord. En die vinden we hier niet !"
Ds. L. gaat dan Art. 8 nog eens woord voor woord na. Er staat b.v. : „opdat de openbaring van God, Vader, Zoon en H. Geest naar de Heilige Schrift, als regel van geloof en leven worde geëerbiedigd".
Let op de komma ! Geef acht waar die komma staat !
Want nu behooren die woorden „naar de Heilige Schrift" bij „de openbaring van God Drieëenig" — en die openbaring van God Drieëenig moet dan geacht worden „regel van geloof en leven" te zijn.
Verplaatst men de komma en zet men die achter den H. Geest — aldus ds. L. — dan wordt de H. Schrift geëerbiedigd als regel van geloof en leven ; maar nu niet. Nu komt „de openbaring van den Drieëenigen God" terecht in de Kerkorde — en moet dan als regel genomen worden voor hét kerkelijk leven !
Dat is al te wonderlijk. Want als in een Kerkorde over de belijdenis gesproken wordt, moet het zóó geschieden, dat het verband tusschen Kerk (kerkelijk leven) en de belijdenis, in 't licht wordt gesteld ; maar nu wordt een bepaald stuk en speciaal onderdeel van de belijdenis genomen, n.l. de leer van den Drieeenigen God, en dat stuk van de belijdenis is dan 't een en het al, voor het kerkelijk leven.
Als de Heilige Schrift de regel voor het geloof en leven is, waartoe moet dan nog eens apart de belijdenis van den Drieëenigen Naam worden genoemd ?
„Wij hebben dit ernstig bezwaar, dat juist door die aparte noeming van het ééne stuk der Drieëenheid, de verklaring, dat de H. Schrift de regel des geloofs is, wordt krachteloos gemaakt. Als er in het artikel stond, dat al wat God in de H. Schrift ter zaligheid heeft geopenbaard moest worden geëerbiedigd, dan wisten we precies waar wij aan toe waren. Maar nu, apart en alléén, het stuk der Drieeenheid genoemd wordt, en niet b.v. het stuk der voorzienigheid, der uitverkiezing, der rechtvaardiging uit het geloof — nu is het alsof hier de belijdenisschriften wel worden genoemd, en de H. Schrift ook wel wordt genoemd, maar alsof 't in dit artikel toch eigenlijk meer te doen was om een minimum der belijdenis, n.l. de belijdenis van den Drieeenigen Naam. In welk minimum (het zij terloops gezegd), hoe kostelijk het zijn moge, niets speciaal Gereformeerds ligt".
„Als de toekomstige hervormers der belijdenis alleen aan den Drieëenigen Naam gebonden zijn, dan staat het hun vrij om van onize Kerk een Doopsgezinde, Luthersche, zelfs een Roomsche Kerk te maken".
Ds. L. merkt hierbij verder op : „Dr. Hoedemaker heeft indertijd meer dan eens zijn vrees uitgesproken, dat, als het op een handhaven van de leer zal aankomen, zonder dat •daarbij voor de noodige waarborgen zal zijn gezorgd, die handhaving hierop neer zou komen, dat men de uitersten ter linkerzijde en de uitersten ter rechterzijde, met andere woorden : de Modernen en de Gereformeerden, zou buitensluiten". „Dat gevaar dreigt bij een zich terugtrekken op het minimum van de belijdenis van God, Vader, Zoon en Heiligen Geest. Voor de Modernen zal dit bed te lang, voor den Gereformeerde te kort blijken te zijn".
„Wij moeten het geheele Woord Gods hebben en niet den Drieëenigen Naam alléén, (bladz. 11).
Ds. L. schrijft dan verder nog nader over dat „hervormen" van de belijdenis.
„Hervorming staat voorop ; handhaving komt in de tweede plaats. Daarin komt een zuiver Remonstrantsche beschouwing omtrent de belijdenis en de revisie der belijdenis om den hoek kijken. De Remonstranten immers (vóór 1618) zeiden : de belijdenis onzer Kerk is niet naar onzen zjn, ze moet dus. worden.... herzien". Met andere woorden : zij eischten „revisie" der belijdenis.
Hierin is de geschiedenis leerzaam. Want toen omstreeks het jaar l6OO het verlangen naar bijeenroeping eener Nationale Synode ontwaakte, kwam men van Remonstrantsche zijde aanstonds voor den dag met den eisch, dat dan op zulk een Synode de belijdenis der Kerk zou worden herzien. De Staten-Generaal (waarvan de Remonstrant Oldenbarnevelt de ziel was) waren bereid zoo'n Synode toe te staan(!), mits op die Synode de belijdenis en de Catechismus zouden worden herzien. Geruststellend zei Oldenbarnevelt, dat herziening (revisie) van de belijdenis volstrekt niet altijd meebracht, dat de belijdenis zou worden „veranderd", het kon heel best zijn, dat zij werd „bevestigd". Men moest volstrekt niet denken, dat men „aan de waarheid der leer twijfelde", of dat per sé „eenige verbetering moest worden aangebracht". Men moest dan ook tegen den eisch van de Remonstranten , geen groote zwarigheid maken" (Triglandt : Kerckelycke Geschiedenissen, bladz. 350 ; zie brochure van ds. Lingbeek bij de „aanteekeningen" op bladz. 26).
Wat onschuldig leek dus alles ! Maar toch stelde men den eisch van eerst „revisie" of „herziening"..... waarin de Gereformeerden voelden, dat men gewisselijk zeer groote en zeer beteèkenisvolle bezwaren tegen de belijdenis en den Catechismus had, anders zou men niet, tegen den zin der Gereformeerden in, aan den eisch van „herziening" vasthouden !
En de geschiedenis heeft bewezen, dat degenen, die met zoo'n onschuldig gezicht spraken over „revisie", „herziening", „hervorming", „verandering" enz., inderdaad op verandering van de belijdenis uit waren, en waarlijk niet op ondergeschikte, „onschuldige" punten, maar zeer sterk tegen den draad van de Gereformeerde belijdenis ingaande. Waarvan de Vijf Leerregels van Dordt de bewijzen geven. Waar immers over de vijf dwalingen der Remonstranten wordt gehandeld, om die met de Schrift zelve te bestrijden en te weerleggen.
De vijf Remonstrantsche dwalingen waren:1. De verkiezing rust op een vóórgezien geloof — dus in de gewilligheid en deugdzaamheid van den mensch, waarbij Paulus b. v. zegt : er is niemand, die naar God vraagt. 2. Christus heeft de mogelijkheid van verlossing verworven — en nu staat het aan den mensch om te gelooven of niet te gelooven, om aan te nemen of te weigeren, naar zijn welbehagen. Zoo zou het willen en het werken uit den mensch zijn. 3. Onze wil is vrij ten goede. 4. De genade is niet onwederstandelijk. 5. Het geloof is verliesbaar.
’t Zijn dus waarlijk geen kleinigheden, geen niets beteekenende dingen, waarmee de Remonstranten met zoo'n onschuldig gezicht kwamen aandragen, eischende verandering van de belijdenis !
(Wordt voortgezet.)
WAAROM NIET EEN DOMINÉ VAN ONS?
’t Is al weer een langen tijd geleden. Maar een dezer dagen dachten we er toch weer aan. We zagen in de pers een plaatje, zooals dat tegenwoordig bij alle couranten gewoonte is om te doen. Het ging over een Zendingsconferentie op Celebes, belangende het werk der Zending onder de Toradja's. Daar op Celebes werkt sinds jaren onze Gereformeerde Zendingsbond — het zal wel langer dan 25 jaar geleden ^ijn, dat de heer Van de Loosdrecht .naar Celebes ging — èn daar werkt de Chr. Gereformeerde Kerk. De verhouding tusschen die twee Zendingscorporaties is best.-'t Kan niet beter. Het bleek ons een paar jaar geleden, toen we hier in Rotterdam een gemeenschappelijken Zendingsavond mochten hebben, waar ds. C. van der Zaal, toen pas uit Indië teruggekeerd, sprak over het land van de Toradja's, met lichtbeelden het gesprokene aanvullend en verduidelijkend.
Maar — en nu komen we terug bij „het plaatje in de courant" — bij die Zendingsconferentie, die onlangs gehouden werd op Celebes, was nu wel een dominé van de Chr. Geref. Kerk, en wel ds. M. Geleynse, die in 1930 door de Kerk van Hoogeveen werd uilgezonden, maar een dominé van ons, Hervormden, is op het Zendingsveld niet te vinden. Ds. Geleynse presideerde de vergaderingen, maar van ons was er en is er geen predikant. Waarom toch niet ?
Is ons werk op Celebes niet van die beteekenis, dat er een theoloog, dat er een dominé noodig is ?
Zijn we daar er nog niet aan toe, dat we tot Kerkstichting kunnen overgaan, onder leiding van een geordend predikant ?
Is er geen dominé te vinden, die voor dat werk lust gevoelt en die daar gebruikt zou kunnen worden ?
Waar de Chr. Geref. Kerk een predikant zendt, voelen wij, Hervormden, daarvoor dan niets ?
Wij dachten, dat de tijd nu wel haast gekomen was. En we zouden hier zekerlijk nuttig, prachtig, noodig werk kunnen doen.
Als hierin de Gereformeerde Zendingsbond en de Gereformeerde Bond elkander tot een hand en tot een voet konden zijn, zou dat ons grootelijks verblijden en het zou ons Zendingswerk zekerlijk ten goede komen.
IS DAT RECHT?
We zouden haast zeggen : „toevallig" kregen we een oud bericht onder de oogen, in verband met een kerkelijke verkiezing te Bolsward. Het ging om de verkiezing van gemachtigden in het Kiescollege der Ned. Herv. Gemeente aldaar. Nu is Bolsward „vrijzinnig". Maar bij de laatste verkiezing voor gemachtigden behaalden de vrijzinnigen 520 stemmen en de rechtzinnigen 420 stemmen. Op vrijzinnig-standpunt is het nu het grootste onrecht, dat de vrijzinnigen in de Kerk alles inpalmen. In de Kerk zeggen we. Want het vrijzinnig standpunt is, dat er verscheidenheid is en verscheidenheid moet izijn in de Kerk ten opzichte van de geestelijke dingen en dat di0 verscheidenheid moet erkend worden en vrij zich moet kunnen uitleven, anders is men „Roomsch" en „tyranniek".
De orthodoxen kunnen zoo niet spreken.
De vrijzinnigen in de Kerk willen, ja moeten zoo spreken. Dat brengt hun beginsel mee.
Maar inplaats van nu naar hun beginsel te handelen en aan de orthodoxen, die instemmen met de leer, de belijdenis der Kerk ; die wenschen te leven bij het Woord en bij de Sacramenten, zooals deze laatste omschreven zijn in de kerkelijke formulieren voor Doop en Avondmaal — inplaats van nu naar hun beginsel recht te doen aan een groot, zéér groot deel van de Hervormde Gemeente, weigert men recht te doen en doet men met volle bewustzijn onrecht.
En waarlijk niet in Bolsward alleen.
We denken b.v. aan Drachten waar enkele jaren geleden o.a. predikant was ds. Westmijse, die nu in Rotterdam als voorganger bij de Vereeniging van Vrijz. Hervormden, altijd de mond vol heeft over den Kerkeraad en het Kiescollege in de Maasstad, die, volgens hem en zijn geestverwanten, onrecht plegen aan de Vrijzinnigen, door in Rotterdam, en in Kralingen, en in Delfshaven geen vrijzinnigen dominé te beroepen ! Weet die man niet meer waar hij vandaan gekomen is ? Uit Drachten ! Waar men een paar jaar geleden op een verzoek van de sterke minderheid van rechtzinnigen (minderheid bij de stembus n.l.) antwoordde, dat men eigenlijk naar recht en billijkheid en óók overeenkomstig het vrijzinnige beginsel, zoo vol van verdraagzaamheid, aan de rechtzinnigen een predikant moest geven (1 vrijzinnige en 1 rechtzinnige dominé in Drachten), maar dat men het toch niet wilde doen, omdat er anders een paar orthodoxe stemmen meer zouden worden uitgebracht op de Classicale Vergadering, en dan zou het Provinciaal" Kerkbestuur (dat toen nog in meerderheid links was, nu rechts) wel eens „om" kunnen gaan, en dan zou weer de afvaardiging naar de Synode „om" kunnen gaan........
Is dat recht ?
Of is het misschien het grootste onrecht ?
We halen het nog maar weer eens even „op", om een straaltje licht te doen vallen over de tegenwoordige toestand van onze Hervormde Kerk, met haar belijdenis, die, naar Art. 11 Algemeen Reglement moet worden.... gehandhaafd, verdedigd, bewaard !
Een bewijs weer, dat de Hervormde Kerk, die een belijdende Kerk is en moet zijn, onder de huidige omstandigheden openbaart als een „Vereeniging van elk wat wils", waar het grootste onrecht welig tiert.
ONNOODIG BEZORGD
Er zijn er, die loopen met de vraag : wat zou er van al die gemeenten, waar nu een vrijzinnige prediking is, moeten komen als — stel eens — als het eens gebeurde, dat de modernen niet in de Hervormde Kerk konden blijven ? Wat moest er dan van die gemeenten „terecht" komen ?
Ten eerste zijn we nog niet zoover, dat het modernisme, dat de grondwaarheden van ons christelijk geloof loochent, in de Hervormde Kerk „onmogelijk" gemaakt zal worden.
Maar, stel eens een oogenblik, dat het zoover kwam, dat het modernisme (want daarom gaat het, het gaat niet allereerst om menschen te treffen, maar om de loochening der waarheid in de Kerk van Christus te bestrijden en te bestraffen) uit de Hervormde Kerk moest wijken, hoe zou het dan gaan in die en die, en in al die gemeenten waar nu een vrijzinnige prediking is ?
We zouden eerst willen vragen : hoe gaat het nu in zeer vele gemeenten, die modern zijn ? Vraag net eens hier en daar in Noord-Holland. Wat krijgt men dan te zien en te hooren ?
Wij herinneren ons nog goed, dat wij jaren geleden gevraagd werden in Stompetoren boven Alkmaar eens te preeken in een soort Evangelisatie. Toen hoorden we daar, dat er gewoonlijk zoo ongeveer niemand 's Zondags in de Kerk komt en de koster den dominé moest komen waarschuwen of er menschen gekomen waren of niet. En het is bekend, dat er in vele gemeenten Zondagen te over voorbij gaan, dat er „geen dienst" is.
Stel nu eens, dat er in zulke gemeenten. — waar eigenlijk niet het modernisme als religieuse beweging, maar het koude materialisme met totale onverschilligheid voor de religie de boventoon voert — een rechtzinnige dominé kwam, is er dan iemand ter wereld, die zou gelooven, dat er dan minder van het kerkelijk leven zou terecht komen ? Immers niemand !
Laat ons een heel ander voorbeeld nemen. Boskoop is 80 jaar modern geweest. En wat kwam er ten slotte van het kerkelijk leven terecht ? Hoe was de opkomst 's Zondags ? Ieder weet het. En er kwam een rechtzinnige prediking, toen dr. Jacobs beroepen werd en kwam (1933). Werd de belangstelling toen minder ? Kwamen er toen geen menschen meer in de, Kerk ? Ieder, die even informeert, kan het weten.
Dat is geen pocherij en roemen in een mensch, maar dat is om te constateeren, dat, wanneer men dan toch een preek wil beluisteren en toch naar de kerk gaan, men nog liever naar een orthodoxe preek luistert, dan naar een moderne verhandeling in humanistischen zin. Onder óns volk leeft ook nog véél te veel liefde voor de waarheid Gods, dan dat men dat zou kunnen uitroeien of straffeloos geweld aan zou kunnen doen.
Is het in Sliedrecht zooveel slechter geworden door de rechtzinnige prediking ? Of in Sneek ? Zou het in Bolsward zooveel slechter worden, als de Evangelisatie-menschen in de kerk kwamen als er een rechtzinnige prediking was ? Zou het in Oudshoorn bij Alphen aan den Rijn zooveel slechter gaan in de Hervormde Kerk, als de orthodoxen daar aan 't bewind kwamen ? Niemand die het gelooft ! En het zou veel meer natuurlijk zijn, dat de orthodoxen in de Kerk en niet in de Evangelisatie zaten — terwijl het heelemaal niet met de geschiedenis, met de reglementen ook, in strijd zou zijn, als de modernen er naast kwamen te staan. Zooals zoovele modernen in de Remonstrantsche Broederschap zich thuis voelen, veel beter dan in de Hervormde Kerk, die van huis uit en naar aard en wezen niet vrijzinnig is, gelijk ieder wel weet. Alleen met „onwaarachtig schipperen" kan men het zoowat gaande houden. Maar naar recht en billijkheid is het niet.
Nu moet men niet denken, dat wij al bezig zijn met de buit te verdeelen ; want we weten veel te goed, dat de beer nog niet geschoten is. Dat zal nog wel even duren, denken we.-Er zal eerst nog heel wat water door de Rijn gaan, naar we vermoeden. Het was alleen maar, omdat er nu zijn, die met die angstvraag loopen : Wat zou er toch van die honderden moderne gemeenten terecht komen, als „het" eens gebeurde.......
Wij zouden er niets bang voor zijn als Assen „om" ging, of Zwolle, of Bolsward, of Leeuwarden. Heusch, dan zou de Hervormde Kerk niet verloren zijn. Net zoo min als Gouda verloren was, toen dr. Borger weg ging en Boskoop, toen er een rechtzinnige prediking kwam. Laat de Kerk toch Kerk mogen worden, om zich als Kerk van Christus, naar Schrift en belijdenis te mogen openbaren in het midden des volks. Dat is naar haar aard en naar haar wezen. Dat is ook in de lijn der historie, naar recht en naar waarheid. En het is ook „barmhartiger" ten opzichte van de gemeenten, die alleen door het Evangelie des Kruises, in den weg van schuldbesef en zondebelijdenis, tot den eenigen waren troost gebracht kunnen worden, om te mogen leven door Hem, Die gezegd heeft : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u ruste geven”.
De Nederlandsche Hervormde Kerk onze Kerk.
Met een bepaald doel — dit houde men in 't oog — zeggen we, dat de Nederlandsche Hervormde Kerk „onze" Kerk is. Want natuurlijk is het niet „onze" Kerk. De Kerk is niet des menschen, maar des Heeren. Ook de Nederlandsche Hervormde Kerk, zooals die Kerk hier in Nederland door den Heere geplant, bewaard en gezegend is tot op vandaag, in weerwil van onze zonden.
Maar als we nu zeggen : de Nederlandsche Hervormde Kerk onze Kerk, dan willen wc daarmee zeggen, dat wij er mee voor verantwoordelijk zijn. De Heere heeft ons in die Kerk — ja, in die Kerk - doen geboren worden ; daar zijn we gedoopt, daar opgevoed en onderwezen ; daar hebben we belijdenis gedaan ; misschien zijn we daar in het ambt gesteld, 't zij als ouderling of diaken, of ook wel als Dienaar des Goddelijken Woords. Niet in een andere Kerk, maar juist in de Hervormde Kerk. Wat niet meebrengt, dat we moeten denken, dat de Ned. Hervormde Kerk de eenige Kerk (formatie) is in Nederland. Wat allerminst meebrengt, dat we andere Kerken (Kerkformaties) moeten verachten en uitschelden en kleineeren en belasteren. Dat is niet onze roeping en plicht van Godswege. Maar wat wèl onze plicht en roeping is ? We zullen de Ned. Hervormde Kerk in bijzondere mate onze liefde moeten bewijzen en anet ijver moeten medewerken tot haar bestwil, om haar te sterken en haar te helpen in den moeilijken strijd om het bestaan ; om mee ook door ons geloof en onze belijdenis, door onze liefde en onze ijver, door ons werk en door ons gebed, haar weder te brengen tot den gewenschten stand voor God en de menschen, naar uitwijzen van Zijn Woord, belijdende den Christus, den Zoon des levenden Gods.
In de Hervormde Kerk ligt onze belofte. We hebben het eerlijk en oprecht beloofd tot haar bloei te zullen medewerken, volijverig, loyaal, met meer activiteit dan critiek, met meer opbouwend werk, dan met afbrekende bedilzucht.
Dat hebben allen beloofd, die in het openbaar in haar midden belijdenis hebben afgelegd ; die in haar midden in het ambt zijn gesteld ; die daar bun belofte tot de Evangeliebediening hebben bevestigd ; die daar hun tractement in ontvangst nemen.
We hebben niet beloofd, dat we haar zullen schelden en tegenwerken ; dat we zullen in practijk brengen : „verdeel en heersch" ; dat we haar zullen in stukken trekken en een deel uit haar zullen uitpeilen en isoleeren, om dan met een bepaald deel, grooter of kleiner, er van door te gaan, naar eigen lust en begeerte.
Dan zijn we verraders. Dan zijn we binnen gegaan terwijl we er niet thuis hooren. Dan hebben we beloofd, wat we niet van plan waren na te komen.
Als we dan royaal en eerlijk hadden willen zijn, hadden we ergens elders heen moeten gaan ; zooals anderen (terecht of ten onrechte) hebben gedaan.
Dan hadden we het „met God moeten wagen" ergens elders. Er zijn deuren genoeg open, hier en daar en overal. Maar dat hebben we niet gedaan. En we hebben het niet gedaan, omdat de Nederlandsche Hervormde Kerk ons lief is, ook met al haar gebreken en tekortkomingen. En omdat hare zonden onze zonden zijn, de zonden van onze Vaderen en van ons. Om nu voor de Nederlandsche Hervormde Kerk het goede te zoeken, in de mogendheid des Heeren, naar uitwijzen van Gods Woord, pleitende op 's Heeren beloften, die zoo ondoorgrondelijk rijk en vast zijn.
Dan zullen we te zamen in het midden van de Nederlandsche Hervormde Kerk, in stad en land, zeggen : „Bekeer u, o Israël ! tot den HEERE, uwen God ; want gij zijt gevallen om uwe ongerechtigheid. Zeg tot den HEERE : neem wèg alle ongerechtigheid, en geef het goede".
Dan zal de HEERE zeggen : „Ik zal hunlieder afkeering genezen ; Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben ; want Mijn toorn is van hen afgekeerd". (Hosea 14 vers 2, 3, 5).
Dat zóó de Nederlandsche Hervormde Kerk „onze" Kerk mag zijn, vooral ook in onze dagen, nu de .Kerk der Vaderen zoo zeer ons aller steun noodig heeft en onze royale medewerking ; daaraan meer behoefte hebbend dan aan onze felle critiek, die altijd makkelijker is dan de kunst om op te bouwen en te herstellen het Huis des Heeren onder ons, dat niet woest gelaten mag worden.
Laat ons roepen, bidden, werken óók, om haar reorganisatie, dat is : de vernieuwing van haar inrichting naar de beginselen van Schrift en belijdenis.
Laat ons den Heere bidden om regeneratie, d.i. om haar geestelijke vernieuwing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's