De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

TUSSCHEN PASCHEN EN PINKSTEREN.
Welke beteekenis, welk nut, welke zegening zal de opstanding van Christus voor ons hebben ? Zal het voor ons alleen hierbij blijven, dat wij het historisch feit van de opstanding voor waar aannemen en dus (historisch) gelooven, dat Jezus, Die dood geweest is, waarlijk uit het graf levend is opgestaan ? Als bet niet verder bij ons komt, zal het ons tenslotte geen nut doen. Want dan zijn wij in onze zonden en blijven in onze zonden en laten het feit van de opstanding eenvoudig een historisch gebeuren blijven, zonder dat wij er geestelijk deel aan hebben. Het is dan een zaak van ons hoofd, van ons verstand en van onze welwillendheid, maar een zaak des harten is het voor ons niet.
Het moet anders bij ons staan inzake de opstanding van Christus, zal het goed voor ons zijn. Het moet zóó bij ons zijn of worden: dat wij als arme zondaren aan het kruis Christus als onzen Schuldovernemenden Borg zien sterven, in Wien wij mede-sterven — terwijl wij dan bij het geopende graf onzen Heiland en Zaligmaker mogen ontmoeten, in Wien wij ons gerechtvaardigd mogen weten voor God. Zijn dood, onze dood ; Zijn leven, ons leven ! Dan zal de opstanding van Christus ook hel onderpand zijn van ónze zalige opstanding. Want Christus, die nu uit het graf is opgestaan, zal straks komen als Rechter op de wolken en dan zullen alle graven geopend worden op Zijn machtwoord, en alle dooden zullen opstaan en wij zullen allen geoordeeld worden, rechtvaardigen en onrechtvaardigen, tot een tweeërlei opstanding, ter rechter-èn ter linkerhand, tot een eeuwige zaligheid of tot een eeuwige verdoemenis.
Niet allen zullen dus tot hun troost Zijne heerlijkheid aanschouwen. Want er zal wel een opstanding voor allen zijn, maar het zal niet voor allen een zalige opstanding zijn. Hij immers zal de schapen aan Zijn rechterhand zetten, maar de bokken aan Zijn linkerhand. En alleen tot hen, die aan Zijn rechterhand staan, zal Hij zeggen : ,, Komt in, gij gezegenden Mijns Vaders, en beërft dat Koninkrijk, dat u bereid is vóór de grondlegging der wereld". Daarentegen zal Hij tot degenen, die aan Zijn linkerhand staan, zeggen : „Gaat wèg van Mij, gij vervloekten, in helt eeuwige vuur, dat den duivel en zijn engelen bereid is".
Wie zullen nu tot die zalige opstanding geraken ?
Allen, die den Heere Jezus Christus hebben leeren kennen in Zijn dood en opstanding ; die met Christus gestorven zijn, toen de Heiland stierf aan het kruis ; die met Christus opgewekt zijn tot gerechtigheid, die in Christus ten hemel gevaren zijn, al zijn wij nu zelf nog als een arm zondaar op aarde ; maar toch wetende, dat al onze gerechtigheid en ook al onze heiligheid ligt in den Borg en Middelaar, Die alle straf voor ons gedragen heeft, alle gerechtigheid voor ons vervuld heeft en alle gehoorzaamheid voor ons volbracht heeft.
Dan is ons leven verborgen bij God, in den hemel, in onzen Heiland en Hoogepriester, vanwaar het straks in volkomenheid en heerlijkheid zal geopenbaard worden.
Niet die zichzelf handhaaft in zijn eigen gerechtigheid, niet die zichzelf vleit in zijn eigen voornaamheid, gehoorzaamheid en heiligheid. Och, arme, wie - zal bestaan voor een heilig God ? Niet één ! — Maar die in Christus zijn Heiland en Verlosser mag kennen, die mag weten dat zijn gerechtigheid en zijn heiligheid in Christus verzekerd is en zijn zalige opstanding volgen zal. Dat zien we nu nog niet. Maar de apostel Paulus zegt dan ook met opzet : dat gelooven we. En in dat geloof ligt de vastigheid van 't geen we nu nog niet zien, maar waarop we vertrouwen en waarop we hopen ; welke hoop de Heere niet beschamen zal in den dag des oordeels, wanneer de groote opstanding zijn zal voor allen, met een zalige vreugd voor Christus' schapen, de schapen Zijner weide. „Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij" — hier staat dat „gelooven" ! — „zoo gelooven wij, dat wij óók met Hem zullen leven". (Rom. 6 vers 8)
Hier zal een christelijke zedeleer" niet baten. Hier kan alleen het Evangelie van Jezus Christus, den Gekruiste, troosten. „Christus te kennen en de kracht Zijner opstanding" is het middel en de weg der verlossing. Dan kunnen we ook troost putten uit dat andere woord van den apostel Paulus : „Broeders ! ik acht niet, dat ik zelf het gegrepen heb. Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus".
Dat zijn woorden des Geestes, en dat is het Evangelie der vertroosting in Jezus Christus, onzen Heere.
Zullen wij dan het Evangelie der genade verachten en blijven zaaien in ons eigen vleesch, om niets dan verderfenis te maaien ? Of zullen wij leeren in den Geest te zaaien en het eeuwige leven beërven ? (Gal. 6 vers 8).
Alleen de dood en de opstanding van Jezus Christus kan onze zonden verzoenen en onzen dood omzetten in leven. Neen, niet die zich aan zijn eigen vleesch vastklemt en hoopt op eigen gerechtigheid en eigen heiligheid, zal het leven beërven. Alle vleesch is voor God verdoemelijk. En al onze gerechtigheden zijn als een wègwerpelijk kleed voor God. Maar tegen den dood en de opstanding van den Borg en Middelaar kan Satan en hel het niet uithouden als zij Gods kinderen zoeken te verslinden. Waarom het Evangelie ook zegt : „Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden". Dan worden goddeloozen om niet gerechtvaardigd. Dan worden zondaren afgewasschen en gereinigd, om te zijn zonder vlek en zonder rimpel voor den heiligen God, omdat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. Niet onze gerechtigheden en heiligheden zullen ons dan toegang tot Gods rechterstoel geven, maar het uit genade geschonken bruiloftskleed.
Zoo zeker als de dood van Christus een zoendood is voor een zondig volk, zoo zeker is een zondig volk nu rechtvaardig voor God.
En zóó zeker als Christus alle gehoorzaamheid volbracht heeft, zóó zeker ligt er in Hem een volkomen heiligheid voor al de Zijnen, hoe onrein ze zijn en blijven in en uit zichzelf. „Geloof alleenlijk, Mijne genade is u genoeg, Mijn kracht wordt in uwe zwakheid volbracht", zegt de Heere tot degenen van wie Hij weet, wat maaksel dat ze zijn, gedachtig zijnde dat ze stof en assche zijn.
Dan geen zaaien in eigen vleesch, want we zullen de verdoemenis maaien.
Dan ook geen onverschillig spreken : „laat ons maar in de zonde leven, dan zal de genade des te meerder worden", want die den Naam des Heeren Jezus noemt, sta af van ongerechtigheid !
Maar wij zullen, als arme zondaren, al ons geloof en al onze hope moeten hebben in Jezus Christus, onzen Heere, gestorven om onze zonden en opgestaan — omdat de gerechtigheid nu door Zijn zoendood is gekomen over al de Zijnen, voor wie Hij stierf.
De dood moest Hem loslaten, nadat Hij alles had volbracht voor Zijn erfdeel. De Leeuw uit Juda heeft overwonnen. En in Zijn overwinning ligt Sions eeuwige zaligheid en heerlijkheid.
„Eertijds waart gij zondaar in de zonde tot verdoemenis — maar nu zijt gij afgewasschen, gij zijt heilig, gij zijt gerechtvaardigd in den Naam des Heeren Jezus en door den Geest onzes Gods".
Christus is voor onze zonden gestorven, en niet voor Zichzelven. Toen Christus stierf, stierf Hij voor al de Zijnen. Hij stierf als de tweede Adam, en in Hem waren al de Zijnen begrepen. Zoo zijn dan met Hem gestorven, allen, die in Hem gelooven. En toen Christus opstond en toen Hij ten hemel voer èn toen Hem een plaats werd aangewezen aan de rechterhand des Vaders, waren in Hem begrepen al de Zijnen. Hij stond óp voor hen, Hij werd in den 'hemel ontvangen met al Zijn erfdeel.
Daarom — zoo zegt Paulus — mag niemand u uw zonden meer verwijten, indien gij met Christus gestorven zijt. Daarom mag Satan u niet beschuldigen vanwege uwe onreine, vuile kleederen (Zacharia 3), want in Christus zijt gij afgewasschen, gerechtvaardigd, geheiligd, en 'gij zijt kinderen Gods, erfgenamen des eeuwigen levens.
Dat is een tegenstrijdigheid. En dat geeft strijd en moeite. Dat kan niet anders. Want de geloovigen zijn niet in hun handel en wandel, in hun gezindheid en in 'hun leven, zonder zonden. Integendeel ! En ziende op vleesch en bloed is alles verloren, hopeloos verloren. „Ik ellendig mensch" Zelfs als wij het goede willen, ligt het kwade ons bij. Wat wij niet willen, doen we, wat we zouden willen, doen we niet „Ik ellendig mensch" Het is verloren, hopeloos verloren. En Satan weet het, de wereld weet het, wij zelf weten het Duizend nooden, duizend dooden
Maar daar staat de Borg en Middelaar, Die stierf voor onze zonden en Die is opgewekt om onze rechtvaardigmaking. „Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij" (daar is dat „gelooven" weer !) „zoo gelooven wij, dat wij ook met Hem zullen leven". (Rom. 6 vers 8).
Ja, nu is het en nu blijft het : „ik ellendig mensch" (Rom. 7 vers 24a).
Dat zijn wij en dat blijven wij, tot onzen laatsten snik.
Maar nu is het tegelijk zóó, dat wij geloovig mogen bekennen en vertrouwend mogen belijden, ja, bemoedigd mogen uitroepen: ik danke God, voor de verlossing die daar is in Jezus Christus, onzen Heere". (Rom. 7 : 25)
Het is immers zóó, door Gods wónder-genadig bestel, dat in Christus Jezus, voor de kinderen Gods niets, maar dan ook niets meer in den weg staat, waardoor zij zouden moeten sidderen en vreezen. Want al het onze is op Christus aangeloopen en al Zijn gerechtigheid en heiligheid wordt óns geschonken als ons eeuwig goed. Hij is ons van God geworden tot wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid — ja. Hij is onze volkomen verlossing. (1 Cor. 1 vers 30).
Zoo is het dan, dat wij door het vleesch dood zijn in zonden en misdaden, maar door den Geest zijn wij levend gemaakt in Christus Jezus, onzen Heere, Die dood geweest is, maar Die leeft en Die niet wil dat wij in vreeze des doods wandelen zullen.
„Ik geloof, Heere — kom mijn ongeloof te hulp”.
Heilige Geest, kom en doorwaai onzen hof.
Dan zullen we weer vertroosting putten uit het Woord des Heeren : „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt ? Christus is het, die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods zit, die ook voor ons bidt". (Rom. 8 vers 33, 34).

VAN BROEK IN WATERLAND over Den Helder naar Amsterdam
Vooral in deze weken heeft de benoeming van leden der Synode onze bijzondere aandacht. Van de samenstelling van de komende Synode hangt zooveel af, gelijk ieder voelt. En nu hebben we met meer dan gewone belangstelling gevolgd de keuze van Noord-Holland.
Zooals men weet, vaardigen de groote provincies elk jaar twee leden af (de kleinere provincies een drietal jaren twee, maar dan weer een drietal jaren één lid, zooals Zeeland, Utrecht, Drenthe, Noord-Brabant en Limburg en de Waalsche Commissie). Maar voor de groote provincies geldt dan als regel: wel elk jaar twee leden, maar niet altijd b.v. twee dominees. Na drie zittingsjaren moet een dominé dan z'n plaats ruimen voor een ouderling.
Dat nu was met Noord-Holland het geval — alleen nu juist weer in omgekeerden vorm : een ouderling, die drie jaar zitting heeft gehad, moet nu wijken voor een predikant. Wie zou nu de plaats innemen van den Amsterdamschen ouderling Van den Bosch (orthodox en, vóórstander van het reorganisatie-ontwerp) ? Welke dominé ? Waarbij ook in 't geding was : orthodox of modern ?
Wij hadden verwacht, dat een vrijz. predikant, b.v. uit Broek in Waterland, zou worden afgevaardigd door het Prov. Kerkbestuur van Noord-Holland. Zoo iets doet men daar meer. Dan komt niet Den Helder of Alkmaar aan de beurt, neen, dan kiest men een dorpsdominé uit Waterland.
En nu is alles zoo anders geloopen. Want men heeft niet een vrijzinnig predikant gekozen, maar een orthodoxen dominé, en niemand minder dan dr. G. Oorthuys, van Amsterdam !
Een buitenstaander weet dikwijls zoo weinig van de kerkelijke gangen in het midden van de Besturenorganisatie. En wij willen wel bekennen, dat wij van deze keuze niets begrijpen. Omdat wij een vrijzinnigen candidaat hadden verwacht. En het wordt ons te méér wonderlijk, omdat naast het primuslid dr. Oorthuys, als secundus gekozen is dr. Van der Poel, vrijz. pred. te Den Helder.
In elk geval heeft men de route in Noord-Holland nu eens niet door de binnenlanden gekozen, maar men is over Den Helder naar Amsterdam gegaan, en dr. G. Oorthuys zal dus D.v. nu zitting nemen om de plaats van ouderling Van den Bosch in te nemen.
Voor zoover wij kunnen oordeelen, had Noord-Holland geen betere keus kunnen doen. Noord-Holland vooruit !

EEN KEUZE, DIE ONS MINDER AANSTAAT.
Ook het Prov. Kerkbestuur van Zuid-Holland moest een keuze doen inzake de afvaardiging van een lid van de Synode. Ds. P. Bokma, van Schiedam, de nestor der Synodeleden, die dan ook meer dan eens als „oudste lid in jaren" de Synode-zittingen met een toespraak geopend heeft, moest aftreden. Zijn drie jaren waren weer, om. En een ouderling moest komen in zijn plaats.
Nu had Zuid-Holland twee predikanten-leden, en wel: ds. Bokma van Schiedam en ds. Boer van Scheveningen.
Welke ouderling zou men nu kiezen in de plaats van ds. Bokma ? Zuid-Holland is nog al groot, en bestaat niet alleen uit Den Haag of Scheveningen. Maar naast den dominé van Scheveningen, die uitgesproken H.G.S.-er is, heeft men nu een ouderling van Scheveningen gekozen, die óók H.G.S.-er is, en beide leden van Zuid-Holland, die beide Scheveningers, en beide H.G.S.-ers zijn, zijn beide tegenstanders van het Reorganisatie-Ontwerp.
Het komt ons voor, dat hier de politiek er te dik op ligt. Een klein beetje politiek gaat nog. Maar als het al te gortig wordt, loopt het ook al te erg in de gaten. En wij denken, dat de bewijzen van ontevredenheid in deze niet uitblijven zullen. Men moet het nu niet heelemaal een „zaakje-onder-ons" maken.
Daar is onze Nederlandsche Hervormde Kerk niet voor en daarvoor is ook onze provincie Zuid-Holland te groot in aantal gemeenten en te veel van beteekénis, om er zóó mee óm te springen.
Wij zouden wel eens willen weten hoe dat zaakje zich heeft toegedragen. Het kon nog wel eens interessant zijn.
Toch geen politieke konkelarij ?
Laat het gordijn der geheimzinnigheid maar opgetrokken worden. Ramen open !

DE SABBAT IN DE HEILIGE SCHRIFT
De kwestie van het Kerkrecht is op 't oogenblik aan de orde, mee als vrucht van de pogingen tot reorganisatie der Hervormde Kerk. Dat het zoo blijve, want het is noodig dat we van het Gereformeerd Kerkrecht studie maken. We zijn in deze nog lang niet „uitgeleerd" !
Zoo kwam het, dat we de twee deelen : Gereformeerd Kerkrecht van prof. dr. H. Bouwman, in leven hoogleeraar aan de Theol. School te Kampen weer uit onze boekenkast hebben gehaald. Ze liggen nu weer open en ze kunnen ons weer goede diensten bewijzen !
In verband met een vraag die ons gedaan werd rakende den Zondag, gaande over kwesties van Zondagsrust en Zondagsheiliging, sloegen we Deel II van bovengenoemd studièwerk op bij blz. 465. Daar kan men (blz. 465 —498) over Zon-en Feestdagen heel wat lezen.
We schrijven een klein stukje af belangende De Zondag in de Heilige Schrift (blz. 465 —474). Een klein stukje maar voor 't oogenblik.
„De Sabbat is een instelling Gods. Hij steunt niet op een willekeurige vinding van den mensch, maar is door de wijsheid en de alvoorziende zorg des Scheppers bij de schepping gegeven, ten zegen voor den mensch. De Wet des Heeren verwijst voor de instelling van den Sabbat naar de schepping. Nadat de Heere in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt had, heeft Hij op den zevenden dag gerust, en dien als Sabbatdag gezegend en geheiligd (Gen. 2:2; Ex. 2'0 : 10). Deze zevende dag was voor God Zelf een feestdag, omdat Hij zag dat Zijn werk goed was, en Hij Zich in Zijn schepsel verheugde. De glorie van Zijn naam is het einddoel van al Zijn werk. En evenals een kunstenaar geniet in de aanschouwing van zijn werk, dat door zijn scheppend genie ontworpen en door zijn hand werd uitgevoerd, zoo ook verlustigde de Heere Zich in Zijn scheppingswerk om voortaan een God voor het geschapene te zijn. Want de rust Gods is niet een niets-doen, zoodat Hij na de Schepping Zich zou onttrekken aan Zijn schepsel, maar Hij blijft zorgen voor het geschapene, terwijl Hij door Zijn almachtige en alomtegenwoordige kracht alle dingen onderhoudt en regeert.
Maar juist omdat God op den zevenden dag rustte, en dien dag afscheidde van de gewone dagen, dien zegende en heiligde, blijkt daaruit Zijn wil, dat ook de mensch den sabbat viere. Des menschen lerven moet vertoonen eene afbeelding van hét leven Gods. Gelijk God na zesdaagschen arbeid rustte van Zijn schep-])ingswerk, zoo moet ook de mensch na zesdaagsche vlijt, na een arbeidsweek, rusten. Doch wijl de mensch is beelddrager Gods, er is om Gods wil, mag zijn werk niet zich zelf, maar God bedoelen, en moet zijn werk en zijn rusten beide daartoe dienen, dat hij inga in de rust Gods en Hem verheerlijke in Zijne werken. Die rust op den sabbat is dus niet een niets-doen, niet een ledig genieten in het schepsel, maar een ingaan in de levensgemeenschap met den Schepper. De schepping kent geen volstrekte ledigheid. De natuur vervolgt ook op den sabbat haren loop ; de zon verspreidt ook op sabbat haar licht en leven ; de aarde voedt ook op sabbat al het schepsel uit haar koesterenden schoot ; de almachtige kracht Gods werkt ook op den sabbat levenwekkend en onderhoudend' ; ook des menschen leven heeft op den sabbat zijn eischen en plichten, maar de mensch mag op den sabbat niet voor het aardsche leven, maar hij heeft op dezen dag zooveel mogelijk af te laten van de vervulling zijner aardsche roeping, om zich te wijden aan den dienst en de verheerlijking van zijnen Schepper”.
„De sabbat behoorde oorspronkelijk bij het werkverbond en droeg in zich de profetie, dat de mensch, zoo hij gehoorzaam was in den weg Gods, eenmaal zou komen tot den eeuwigen sabbat. Geschapen was hij zóó, dat hij kon ongehoorzaam zijn en kon uitvallen uit de rust en de gemeenschap met God. Maar wat hij kon, mocht hij niet doen. Op de overtreding van Gods geboden was de straf bedreigd, maar het leven en de zaligheid was beloofd op het onderhouden van Gods geboden. Dat was Adam voorgehouden in het proefgebod. De mensch viel. Het gebod, dat ten leven was, is hem ten doode geworden. Vervloekt werd de heer der schepping, en heel de schepping kwam mee onder de verdervende werking" van den vloek. Het behaagde echter den Heere, de vreeselijkheid der voltrekking van de straf, den triumf Zijner wrekende gerechtigheid, nog uit te stellen, de verterende macht der zonde een toom aan te leggen en haar in haar werking te stuiten, en Zich te openbaren in den rijkdom Zijner genade.
Ook de sabbat bleef als vrucht Zijner algemeene goedheid”.
„Wel was de sabbat voor den zondaar niet meer een profetie van de eeuwige rust, maar hij bleef voor hem een kostelijke weldaad voor het natuurlijke leven, en tevens een zegen voor zijn geestelijk leven. Immers, de Heere wil ook na den val niet, dat Zijn redelijk schepsel medegesleurd wordt door de rustelooze golving van het voortgejaagde leven. Hij schonk bepaalde rusttijden. Waar de arbeid een last werd, werd' de sabbat plicht, opdat de worstelende mensch tot herademing zou kunnen komen, en in de rust voor het aardsche leven de gespannen veer ontspannen wordt, opdat haar kracht niet wordt gebroken.
Maar in de tweede plaats wil de Heere in den telkens wederkeerenden sabbat den mensch herinneren, dat zijn eindbestemming niet is in de aarde, en dat hij uit het stof ópblikke naar boven om van den Vader aller barmhartigheid alle hulp en heil te verwachten, en de verzekering dat er een rust overblijft voor bet volk van God”.
De volgende week nog een klein stukje over den eersten dag der week als sabbat.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's