KERK, SCHOOL, VEREENIGING
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Beroepen:
te Hoogvliet J. j. Koning, cand. te Utrecht — te Ophemert J. H. Ch. Israël te Zoelen. — te 's-Heerenberg (toez.) T. Leendertz te Buitenpost — te Papendrecht (toez.) J. W. v. d. Linden te Kootwijk — te Wijngaarden dr. M. H. A. L. H. van. der Valk, .cand. te Hillegersberg.
Aangenomen :
naar Ezinge A. F. Scholte te Donkerbroek.
Bedankt:
voor Brakel j. de Lange te Wilsum (OV.) — voor IJzendoorn W. Vroegindewey te Reewijk.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Beroepen :
te Westervoort (als hulpprediker, met standplaats Lobith) J. C. Streefkerk, cand. ; te Soest.
Bedankt:
voor Urk (als hulpprediker voor de Evangelisatie onder de Zuiderzeewerkers) W. Loopstra, cand. te Groningen.
Aangenomen :
naar Naaldwijk C. Meynen te Visvliet.
CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK.
Tweetal:
te Dokkum : N. Brandsma te Wildervank en A. Zwiep te IJmuiden.
Bedankt:
voor Harlingen N. Brandsma te Wildervank — voor Werkendam W. F. Laman te Middelharnis.
GEREFORMEERDE GEMEENTEN.
Tweetal:
te Aagtekerke-Oostkapelle M. Heikoop te Utrecht, en A. van Stuyvenberg te Benthuizen.
Beroepen:
te Terneuzen M. Heikoop te Utrecht.
Bedankt:
voor Giessendam A. van Stuyvenberg te Benthuizen — voor Werkendam A. van. Stuyvenberg te Benthuizen.
AFSCHEID, BEVESTIGING EN INTREDE.
WANSWERD—MASTENBROEK.
Ds. Kuiper, pred. te Wanswerd, hoopt op 26 Juni a.s. zijn intrede te doen bij de Ned. Herv. Gemeente te Mastenbroek, na bevestigd te zijn door ds, B. van Ginkel, uit Wezep.
DEN HAM—GOUDA.
Ds. E. E. de Looze, van Den Ham, die het beroep naar Gouda aannam, zal 7 Augustus aldaar intrede doen, na bevestigd te zijn door ds. P. de Looze, van IJsselmonde.
GOUDERAK—'s-GREVELDUIN - CAPELLE.
Ds. T. H. Oostenbrug te Gouderak is voornemens 12 Juni afscheid te nemen aldaar en 19 Juni intrede te doen te 's-Grevelduin-Capelle, na bevestigd te zijn door , ds. H. Kraay, van Boven-Hardinxveld.
INTREDE VAN Ds. GEURTSEN IN JUTPHAAS.
Na des morgens bevestigd te zijn door zijn schoonvader, ds. Luteijn van Nijkerk, die als tekst gekozen had Hand. 1 vers 8 : en gij zult Mijne getuigen zijn", deed ds. Geurtsen, die ongeveer twee jaar als hulpprediker in Brummen werkzaam was geweest, voor een stampvolle kerk zijn intrede. Z.Eerw. had voor dit plechtige uur als tekst gekozen. Psalm 121 vers 1 en 2. Dit opgangslied had spreker gekozen, omdat — zoo zeide hij —ook predikanten gevaren dreigen. Hij wilde echter niet .dezelfde overtuiging als de Psalmist zijn nieuw ambt aanvaarden., n.l. in Gods kracht door Christus genade. Na de gebruikelijke toespraken tot colleges en vereenigingen, nam de consulent ds. O. J. Rootselaar, van IJselstein, het woord. In een eenigszins bestraffende toespraak, bestraffend waar het gold de jeugd in verband met het catechesatiebezoek, vermaande hij vooral de jonge menschen om zich in vol vertrouwen aan dezen jongen leeraar over te geven. Nadat op verzoek van den consulent de gemeente den nieuwen herder en leeraar Psalm 20 vers 1 had toegezongen„ werd deze plechtige dienst beëindigd.
Ds. L. J. LAMMERINK.
Het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland heeft aan ds. L. J. Lammerink, te Delft, op diens verzoek, wegens ongeschikt veklaring tot verdere uitoefening van zijn ambt door twee bevoegde geneesheren, om gezondheidsredenen emeritaat verleend met ingang van 30 Juni a.s.
PROTEST BIJ HET PROVINCIAAL KERKBESTUUR VAN ZUID-HOLLAND INGEDIEND.
Naar aanleiding van de keuze van ouderling J. J. C. Hardenberg, van Scheveningen, tot lid van de Algemeene Synode, heeft de Bijzondere Kerkeraad van Maassluis bij het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland een protest ingediend.
OPRICHTING EVANGELISATIE.
Breukelen, Men schrijft ons : Sedert de komst van ds. G. F. D. Locher als predikant der Ned. Hervormde Kerk alhier, laat het kerkelijk leven hier veel te wenschen over. De groep Gereformeerden die hier aanwezig is, welke bij de laatst gehouden verkiezing voor het Kiescollege 250 stemmen uitgebracht tegen 265 van Ethisch-confessionieelen, kan dan ook totaal geen bevrediging vinden bij den gang van zaken, die zich hier voordoet. Door drie van de zes kerkeraadsleden is een verzoek gedaan om per maand twee Zondagsbeurten te laten vervullen door een Gereformeerd predikant, welk verzoek later nog driemaal is herhaald voor een Comité met bijvoeging van 200 handteekeningen uit de gemeente. Niets baatte echter. Hoogstens één beurt werd toegestaan. Thans heeft genoemd Comité besloten vanaf 1 Mei vrij geregelde Zondagsbeurten te gaan houden in een zaal en heeft reeds van verschillende predikanten daarvoor medewerking mogen ontvangen. Een Gereformeerd ouderling heeft zich ook reeds genoodzaakt gezien zijn ambt neer te leggen, omdat hij in alles werd genegeerd, met verder daaraan verbonden tegenwerking.
Hieruit wordt weer gezien, hoe men gekant is tegen de Gereformeerde Waarheid, niettegenstaande de roep van zekere zijde om „vereeniging en samenwerking".
Ds. P. J. STEENBEEK.
Ds. P. J. Steenbeek, Ned. Herv. pred. te Oudewater, hoopt 18 Mei zijn 25-jarig ambtsjubileum te herdenken. 18 Mei 1913 deed ds. Steenbeek zijn intrede te Nijkerk, waar bij door zijn broeder bevestigd werd. Hierna volgden op 2 Maart 1919 Wilnis, 12 Juli 1925 Kampen, terwijl de jubilaris sedert 10 Nov. 1929 in Oudewater staat.
Ds. Steenbeek is praeses van de Classis Gouda.
Woensdag 18 Mei werd in „Oudewater Vooruit" een receptie gehouden.
NED. HERVORMDE GEMEENTE VAN ZEIST.
Ter vergadering van de Ned. Herv. Gem. van Zeist kwam ter tafel een verzoek van de Kiesvereeniging „Schrift en Belijdenis" om maatregelen te treffen, dat iedere Zondag tweemaal een dienst vervuld kon worden door een predikant van den Gereform. Bond, Wiens verzoek was vergezeld van 465 handtekeningen van gemeenteleden. Ds. R. Bartlema, die in geen enkel opzicht anderer prediking wilde disikwafiiceeren, ondersteunde dit verzoek, dat door anderen werd bestreden als te zijn geboren uit groepsbelang.
De kerkeraad besloot na uitvoerige discussie, het verzoek af te wijzen.
BEROEPINGSWERK TE AMSTERDAM.
Naast het drietal, door de Commissie van beroeping en benoeming gesteld, hebben 20 leden van den kerkeraad der Ned. Herv. Gem. te Amsterdam in de Vac. ds. B. Gjizel het volgende drietal-gesteld : ds. F. J. Boeyer te Katwijk aan Zee ; ds. A. J. van Rennes te Strijen en ds. H. Stolk te Scheveningen.
ALGEMEENE SYNODE NED. HERVORMDE KERK.
Het Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland heeft benoemd tot lid van de Algemeene Synode dr. G. Oorthuys, pred. te Amsterdam, en tot zijn secundus dr. F. W. J. van de Poel, pred. te Den Helder.
HELDRING-GESTICHTEN.
Ds. BLAAUWENDRAAD-PRESIDENT-DIRECTEUR.
Naar wij vernemen, is tot president-directeur van de Heldring-Gestichten te Zetten benoemd ds. E. H. Blaauwendraad, Ned. Herv. pred. te Baarn.
„VALKENHEIDE” WIL EEN EIGEN KERK BOUWEN
Tot nu toe heeft het Opvoedingsgesticht „Valkenheide", de bekende inrichting voor verwaarloosde jongens, uitgaande van de Ned. Hervormde Kerk en gevestigd te Maarsbergen, wel een kerkzaal, maar geen kerkgebouw. Het aantal plaatsen in de kerkzaal wordt veel te klein voor 't groot aantal verpleegden, waarbij gerekend moet worden het groeiend aantal ambtenaren met hun gezinnen. Er bestaan bij het bestuur plannen om te komen tot kertbouw, waarvoor ƒ 35.000.— zal noodig zijn ; grond behoeft niet gekocht te worden en de jongens kunnen meehelpen bij den bouw.
De Synode heeft goedkeuring verleend aan het plan een georganiseerde collecte te houden voor dit doel, waarvoor een circulaire zal worden toegezonden aan alle kerkeraden. De circulaire zal onderteekend zijn met de namen van de predikant-leden uit het bestuur van Valkenheide : J. W. J. Addink, J. Barbas, M. Heiting, M. van Grieken, dr. H. Schokking en J. W. A. Klinkhamer Bredius, emer. pred. te Baarn, secretaris-penningmeester.
Ds. L. H. VAN DER MEIDEN.
De classis 's-Gravenhage der Chr. Gereformeerde Kerk heeft in haar dezer dagen gehouden vergadering aan ds. L. H. v. d. Meiden, te s-Gravenhage-C. eervol emeritaat verleend, zulks in verband met zijn benoeming tot hoogleeraar aan de Theol. School te Apeldoorn, met ingang van 1 September a.s.
Hartelijke woorden van afscheid werden tot ds. Van der Meiden gericht namens deputaten ad art. 49 K.O. van der Part. Synode van het Zuiden, door ds. H. Visser, van Dordrecht, die liet toezingen Psalm 134 vers 3, en door den voorzitter der classis, ds. H. Velema, van 's-Gravenzande, die Psalm 121 vers 4 deed toezingen.
Ds. Van der Meiden heeft voor een en ander zijn dank betuigd.
Wij vernemen, dat ds. Van der Meiden Dinsdag 30 Augustus a.s. afscheid zal nemen van zijn gemeente.
HET OUDE TESTAMENT EN DE CHR. KERK. DISSERTATIE Dr. J. L. KOOLE.
Aan het onderwerp, door dr. j. L. Koole behandeld in de dissertatie, waarmee hij 13 Mei aan de V.U. promoveeren zal tot doctor in de theologie, wordt een zeer actueel accent verleend door de houding, welke het nat.-socialisme in Duitschland aanneemt ten opzichte van het O. Testament. Deze samenloop is niet toevallig — dr. Koole toont dat in de inleiding van zijn academisch proefschrift *) aan —, maar bovendien is er een algemeene reden, waarom de schrijver dit onderwerp koos. Deze is de beteekenis van de practische bezwaren der prediking uit het O. Testament. Doel der studie is nu, tot een verhelderd inzicht te komen in de wijze, waarop de Oude Kerk dezelfde moeilijkheden, waarin men thans bij de behandeling van het O. T. verkeert, heeft opgemerkt, onder het oog gezien en tot oplossing gebracht.
Wat deze studie voor de praktijk der prediking beteekent, wijst dr. Koole aan met de volgende woorden: „De Schrift immers getuigt van Christus. Schriftprediking moet Christus-predikinig zijn. Is echter ook het O.T. Heilige Schrift, dan moet ook dit van Christus spreken, en prediking over het O.T. even goed Christus-predïking zijn. Zonder meer kunnen dan slechts enkele profetieën in aanmerking voor behandeling komen, die dan ook de „Messiaansche Profetieën" genoemd plegen te worden. Voorts kan men daaraan toevoegen een aantal plaatsen uit het O.T., die in het N.T. van Christus verklaard worden. De oogst blijft daarbij gering, en een min of meer pijnlijke tegenstelling ontstaat tusschen de theorie, dat het O.T. van Christus getuigt, en de practijk, die slechts enkele gedeelten van het O.T. daarbij kan aanwijzen. Dit Tekort van het O.T. wreekt zich, gelijk gezegd, al te dikwijls door een in-leggen, dat kwalijk met de eer en den ernst van de prediking strookt”.
In het ruim 300 bladz. tellende proefschrift wordt gepoogd, eenig nut van schrijvers inzicht in het oudkerkelijk gebruik van het O.T. te trekken voor de behandeling van het O.T. heden ten dage.
Aan de dissertatie van dr. Koole zijn een 18-tal stellingen toegevoegd, waarvan we er enkele afdrukken :
II. De in de Oude Kerk heerschende meening, dat de in de Psalmen genoemde koning alleen Christus is, moet onjuist genoemd worden.
IV. Het Jodendom bezat reeds in den tijd van het Nieuwe Testament een Messiaansche opvatting van het Oude Testament.
VII. De excegese van het Oude Testament mag niet van de wijze, waarop het in het Nieuwe Testament aangehaald wordt, uitgaan.
XVI. Het verdient aanbeveeling, zich bij de tuchtoefening over doopleden aan een vastgestelde methode te houden..
XVI. Het is onjuist, aan de hereeniging van alle Gereformeerden (Hervormden)) in Nederland een absolute zuiverheid van kerkelijke organisatie tot voorwaarde te stellen.
XVII. Het is hoogst aanbevelenswaardig, zich bij de predikiing des Woords van tijd tot tijd aan een perikopenstelsel te houden.
XVIII. Het ontdekkend karakter van het Woord Gods mag in geen enkele prediking verwaarloosd worden.
EERST HET WOORD EN DAN DE TUCHT.
Dr. J. C. S. Locher, van Leiden, schrijft in „Kerkblaadje" (24 April j.l.) in zijn bespreking van den Heidelbergschen Catechismus, Zondag 31, vraag en antwoord 84, over de sleutelen des hemelrijks :
„Onder de sleutelen des hemelrijks wordt 't eerst genoemd „de verkondiging van het Evangelie'". Dat is ook de voornaamste sleutel".
Wat geeft het, of wij al tucht uitoefenen, den broeder uitbannen, zoovelen uitwerpen, als we daarbij niet, staan onder de tucht van het Woord en komen met het Evangelie.
„Waar niet het ware Evangelie gepredikt wordt, worden juist de verkondigers van het Evangelie, zooals Luther, als ketters in de ban gedaan. De Doopsgezinden hebben hier te lande in vroeger eeuwen strenge tucht uitgeoefend, zóó streng, dat er tenslotte geen gemeente van hen bestond, die niet door andere gemeenten in den ban gedaan was".
„Het Woord moet het doen, de prediking van het Evangelie der genade. Dat alleen is machtig werkelijke scheiding der geesten teweeg te brengen. Anders is alles met lamheid geslagen".
Het Woord zal het ook nog doen, wanneer de Kerk zoo krank is, dat de operatie van de tucht de doodkranke zieke den dood zou toebrengen. Daarom zullen wij hebben te beginnen met het Woord te preeken, dat ook hen, aan wie wij niets bewijzen kunnen en die toch allerlei op hun geweten hebben wat niet deugt, in hun consciëntie treft".
DE BEDIENING DES WOORDS MOET EVANGELIEVERKONDIGING ZIJN.
Dr. Locher zegt verder : ,,Nu is de verkondiging van het Evangelie in de eerste plaats Evangelie, blijde boodschap. Zij begint niet met een vloek, maar met een zegen. Zij sluit de genade niet af, maar zal ze openen. Zij begint niet met allerlei voorwaarden op te sommen, en zegt dan niet eerst: Wacht u, met het Evangelie op u toe te passen, als gij niet precies aan die voorwaarden beantwoordt! Zij zet die poorten van het hemelrijk voor alle verloren zondaren wijd open. Zij noodigt uit alle vermoeiden en belasten. Zij roept het ons toe : Laat u met God verzoenen. Zij zegt:
Gelooft Zijn heil-en troostrijk Woord, Verhardt U niet, maar laat u leiden !
Zij zegt: Gelooft het Evangelie. Nóg is het tijd, om van uw dwaalweg om te keeren, om met Uw zonden, die u benauwen, tot Hem te gaan, die er alleen verstand van heeft. En zoo dikwijls wij de beloften van het Evangelie met een waar geloof aannemen, van die blijde boodschap, dat God Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft om zondaren zalig te maken, zoo zullen wij gewis en zeker zijn, dat geen zonde, hoe groot ook, ons zal mogen hinderen, dat ons God niet in genade zou aannemen”.
DE VOORBEREIDINGS-PREDICATIE.
„Dat is dan van bijzonder belang voor het Heilig Avondmaal", schrijft dr. Locher verder. „De zoogenaamde Voorbereidingspredicatie moet geen prediking zijn, om het ons benauwd te maken, zoodat wij ons zieleleven in de goudwaag leggen, zoodat elke nóg zoo fijne afwijking ons moedeloos zou maken. Een heraut, die tot de Koninklijke tafel noodigt, moet vervuld zijn van de vriendelijkheid en goedheid van zijn koning, die wil, dat zijn huis vol worde, en niet een die maar liefst ziet, dat er zoo weinig mogelijk aan tafel komen. En al zou het zijn, dat er tien te veel komen, dan is het nóg beter, dan dat één enkele dorstende ziel uitgesloten wordt”.
HET MOET MAAR NIET LICHT GENOMEN WORDEN.
„Daarmede is niet gezegd" — zoo vervolgt dr. Locher — „dat het maar licht genomen moet worden, gemakkelijk moet worden gemaakt, de band wordt gelicht, waar de hand niet gelicht mocht worden. Aan dezulken, die het niet gelooven, niet zien op de verdiensten van den Heere Jezus Christus, moet verkondigd worden, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zoolang zij zich niet bekeeren.
Ook aan zulken, die wèl voor bekeerde christenen willen doorgaan, maar zich niet van harte bekeeren, die allerlei zonde aan de hand willen houden, er zich niet van willen bekeeren, er geen afstand van willen doen, het schuiven op den ouden mensch en die het verschuiven naar later, dat ze in de heiligmaking verder gevorderd zullen zijn, en zich dam toch als bekeerden, als christenen willen handhaven. Onder zulken zal men de grootste vijanden vinden van het ware Evangelie. Maar we kunnen niet anders dan hun te betuigen, dat ze zóó niet aan het Nachtmaal kunnen gaan”.
De Chiliasten en de Joodsche Staat.
De Chiliasten of voorstanders van het duizendjarig vrederijk op aarde; hebben ten opzichte van het Joden-vraagstuk veelal de gedachte, dat er een massale terugkeer van Joden naar Palestina zal plaats hebben, dat Jeruzalem opnieuw de stad des Grooten Konings zal worden en dat er dan een massale bekeering van de Joden zal plaats hebben, die dan een vooraanstaande plaats in 't Vrederijk onder Koning Jezus zullen innemen.
De Chiliasten meenen, „vooral op grond van sommige Oud-Testamentische profetieën, dat er nog eens een herstel van het nationaal Israël komen zal in Palestina". „Nu is indertijd" — aldus „De Reformatie", — „door prof. dr. G. Ch. Aalders in breede reeksen van artikelen (De Reformatie, jaarg. 11, 12, 13, „Populair-wetenschappelijke Schetsen", passim) uitvoerig aangetoond, dat het Oude Testament slechts van één enkele terugkeer van het verstrooide Israël naar zijn land weet, n.l. van den terugkeer uit de Assyrische-Babylonische
ballingschap. Van een tweede herstel, na een nieuwe verstrooiing, van Israels volksbestaan in Palestina wordt nergens in de profetieën gesproken. Dergelijke gedachten moeten berusten op een onjuiste exegese van de in geding gebrachte bijbelplaatsen".
„Er is naar het oordeel van prof. Aalders" — aldus „De Reformatie", 20 April '38 — „in de meeste gevallen niet voldoende rekening mee gehouden, dat deze terugkeer uit de ballingschap niet in één moment voltooid is, maar in verschillende stadiën heeft plaats gehad, zoodat ook na het begin van den terugkeer nog op verderen terugkeer gehoopt en verdere terugkeer geprofeteerd kon worden". (Zie „De Reformatie", 13e jaarg., blz. 101).
Toch blijven de Chiliasten, die de uitspraken van de H. Schrift vertroebelen, vasthouden aan de gedachte van een massale terugkeer van Israël naar Palestina in dezen tijd, wat dan in verband zou staan met de oprichting van het nieuwe Konings-rijk van Jezus Christus, duizend jaren.
Toen er in de na-oorlogsche periode een gróote trek van Joden naar Palestina begon, zagen vele Chiliasten in hun overhaasting en overspanning daarin reeds de lang verwachte vervulling van de Oud-Testamentische profetieën. Na een ballingschap van vele eeuwen zouden de Joden voor den tweeden keer verzameld worden in het oude land der vaderen ! Men zag Jesaja 11 vers 11 en 12 reeds in vervulling gaan : „En het zal te dien dage geschieden : de Heere zal weder Zijn hand uitstrekken ten tweeden male, om los te koopen het overblijfsel van Zijn volk, dat zal overblijven uit Assyrië en uit Egypte, en uit Pathmos en Ethiopië en Siam en Sinear en de eilanden der zee; en Hij zal een banier opheffen voor de natiën en Israels verdrevene zonen vergaderen en Juda's verstrooide dochteren verzamelen van de vier hoeken der aarde". (Zie : prof. dr. J. Ridderbos, Korte Verklaring).
Ook denkt men aan Jeremia 30 vers 18 (zoo b.v. H. C. Voorhoeve) : „Zoo zegt de Heere : zie Ik breng een keer in het lot van Jacobs tenten en over zijn woningen zal Ik Mij erbarmen ; en de stad zal op haar puinhoop herbouwd worden en het paleis zal naar zijn eisch gelegen zijn". (Zie: prof. dr. Aalders, Korte Verklaring).
Is hetgeen nu in Palestina gezien wordt, een vervulling van de profetieën van Daniël, Ezechiël, Jesaja, Jeremia ? Niemand gelooft het immers ! En het is ook niet zoo. De profeten hebben gedacht aan den terugkeer (in gedeelten) uit de ballingschap, maar niet aan de oprichting van een duizendjarig vrederijk op aarde, met Jeruzalem als residentie en Jezus als Koning op aarde.
Als dan ook nu een paar millioen Joden naar Palestina teruggekeerd zijn en als Jeruzalem niet eens onder Joodsche heerschappij komt, dan moet men toch wel spreken van een héél verkeerd bijbelgebruik, als men deze teksten uit het Oude Testament, die in werkelijkheid slaan op den terugkeer van de Joden uit de Babylonische ballingschap, durft betrekken op de stichting van den nieuwen Joodschen Staat in Palestina !
En van de bekeering der Joden in massa blijkt bij de huidige gebeurtenissen wel héél, héél weinig ! Men zoekt wel een eigen ,,Joodsche wetenschap" met een eigen Universiteit in Jeruzalem. En dr. Weizmann zei bij de eerste steenlegging : ,,De Universiteit zou de voortzetting en bekroning zijn wat eens de tempel in Israël geweest was".
Het geloof is dus uitgewisseld voor de wetenschap.
„In plaats van een geloovig leven bij Gods beloften en een uitzien naar de komst van Israels Verlosser in de schaduwen van tabernakel en tempel, zooals dat bij het oude volk des Verbonds gevonden werd, zal er nu bij het Jodendom komen door den bloei van de Universiteit, een verheerlijking van menschelijke kennis en een leven bij menschelijke wijsheid".
„Van een sterk godsdienstig besef bij de Joden in het nieuwe land is niets aanwezig" — zegt de journalist Farago. Allerlei communistische ideeën wórden gepropageerd en in de colonies, waar de jongere Joden wonen, verheugen zich de bioscoops in drukker bezoek dan de synagoge. ,,Tijd om naar den rabbi te gaan voor wettiging van het huwelijk, heeft men niet; men meldt zich bij den „socialen" secretaris van de colonie, en het „contract" is gesloten tusschen man en vrouw".
Voor Abraham's nazaad mag wel een gedurig gebed opgaan tot den God des Verbonds, door Christus' Kerk neergelegd voor 'sHeeren aangezicht.
*) „De overname van het O.T. door de Christelijke Kerk". Uitg. J. Schipper Jr., te Hilversum.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's