STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE ZONDAGSWETGEVING (2)
DE ZONDAGSWETGEVING (2)
Tegenover 't geen wij de vorige week schreven over de ontheiliging van den Zondag en de verstoring der Zondagsrust van de vele duizenden, die gedwongen worden op dien dag arbeid te verrichten, slaat de onschatbare waarde, die de Zondag voor het geestelijk leven van den mensch heeft en van de rust, die de mensch na zesdaagschen arbeid mag genieten.
Van deze tegenstelling gewaagt prof. dr. J. Severijn in zijn belangrijke artikelenreeks over : „Wat Calvijn ons leert".
Eenerzijds schrijft de hoogleeraar :
„Geen heiliging van den aardschen Sabbath zoekt de mensch, die de gehoorzaamheid verliet. Hij werkt voor zijn eigen idealen, en toestemt den dag des Heeren, voor zijn eigen vreugde en genot.
Daarin weerspiegelt zich de val van den eersten mensch. Zijn leven was: een gang naar den eeuwigen Sabbath. Doch hij heeft dien niet begeerd. Ook hij verkoos zijn eigen vrijen dag. Hij wilde als God zijn en zelf zijn toekomst bepalen. Zoo ging de zon in zijn leven onder en werd hij een zwoeger in het zweet zijns aanschijns, die ook de genade Go, ds ini den steeds terugkeerenden Sabbath niet verstaat en zijn noodiging niet beluistert".
En aan den anderen kant heet het :
„Een dag van rust is een zegen op zichzelf, afgezien nog van den geestelijken zegen, die in de heiliging van den rustdag gelegen is".
Inderdaad is dit zoo.
De dag des Heeren is een dag van belofte en een wekelijks terugkeerende noodiging tot de rust, welke Gods vaderlijke liefde in Christus heeft bereid. Zoo wordt des Heeren gunst openbaar in het gebod : „Gedenkt den Sabbath, dat gij dien heiligt".
Zondagsrust eischt God van den mensch, opdat hij gelegenheid hebbe Hem in het bijzonder op Zijn dag te dienen.
Vandaar, dat in Gods dag een zegen ligt.
Ook heeft de Zondag sociale beteekenis. Deze beteekenis komt uit, zoowel in het arbeidsgebod : „Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen", als in de voorgeschreven rustdag, die herstel van krachten geeft.
Nu geldt de Sabbath als scheppingsordinantie voor alle menschen.
Niet in hel minst ook voor de Overheid. Haar taak is, den Zondag vrij te laten voor den ongestoorden arbeid der Kerk, in bedehuis, lokaal of huisgezin, opdat de Zondag in gehoorzaamheid kan gevierd worden. Een dag, dat niets stoort of afleidt en men er zich van heeler harte aan geven kunne.
Daartoe moet de Overheid allereerst zelf zooveel mogelijk van haar dagelijkschen arbeid rusten en het moei voor niemand in haar dienst een beletsel zijn om den dag des Heeren naar Gods wil te vieren.
Daarnaast moet gezorgd worden voor die rust op Zondag, die, zooveel als het maar eenigszins kan, alle belemmering voor de heiliging van Gods dag en in het bijzonder voor den dienst des Heeren wegneemt.
En eindelijk is het de roeping der Overheid om op het publieke terrein, zooveel als maar doenlijk is, allen onnoodigen arbeid legen te gaan en te zorgen, dat de gave Gods, in den Zondag aan den arbeider geschonken, hem niet worde onthouden.
Aan deze beginselen moei de Zondagswetgeving beantwoorden.
In hoeverre de bestaande Zondagswet de handhaving der Zondagsrust mogelijk maakt, hopen wij later onder het oog te zien.
Eerst vraagt nog onze aandacht, wat in den laatsten tijd ten aanzien van de bevordering der Zondagsrust is bereikt geworden.
Gaan wij ten deze vooruit of achteruit ?
Zooals men zich zal herinneren, plaatste het vorig Kabinet zich op het standpunt, dat bij de wetgeving, als gevolg van de crisismoeilijkheden, de principieele tegenstellingen, die zich in ons volk openbaren, niet moesten worden toegespitst.
Toch nam dit niet weg, dat de Minister van Binnenlandsche Zaken in dat Kabinet bij meer dan éene gelegenheid uitdrukkelijk verklaarde, dat zijn aandacht bij voortduring gericht was op de handhaving der Zondagsrust.
En dat die handhaving van de Zondagsrust in den mond van den Minister geen ijdele klank was, bleek o. m. te Hoorn, waar de Minister de plaatselijke autoriteiten afdoende hel besef bijbracht, dat, toen in die gemeente aIs gewoonlijk op Zondag kermis werd gevierd, er nog een Zondagswet bestond.
Gelijke ervaring hebben ook andere gemeenten boven het IJ opgedaan.
Nu inmiddels hel tegenwoordige Kabinet als een positief Christelijk Kabinet is opgetreden, staat het met het Zondagsvraagstuk zóó, dal het Kabinet, van oordeel zijnde, dat wetten, die gelden, gehandhaafd moeten werden, dit ook het geval moet zijn met de Zondagswet. Die wellen mogen geen dood recht zijn. Naar de meening der Regeering is de bestaande Zondagswet wel degelijk een krachtig instrument ter bevordering van de Zondagrust. Ook in het heden.
Dientengevolge kon de tegenwoordige Minister van Binnenlandsche Zaken als zijn opvatting mededeelen, dal, mede gelet op de groeiende begeerte onder ons volk, de Zondagsrust zoo krachtig mogelijk, ook door de Overheid dient te worden bevorderd en dat er dus alle aanleiding bestaat rustig de toepassing en naleving van de wet af te dwingen.
De Zondagswet moet weer levend recht worden.
Daarom zal de Overheid — aldus de Minister — alle medewerking geven om aan hel groeiend verlangen in ons volk terzake van de bevordering van de Zondagsrust, voldoening te geven.
Met dit haar voornemen toont de landsregeering, dat het haar ernst is, om verdere toeneming der Zondagsontheiliging tegen te gaan met de middelen, waarover zij beschikt.
Hoe dé Regeering zich daarvan kwijt, hopen wij D.v. de volgende week te zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's