KOHLBRUGGE
en de leer des heils
XXIV.
Slotwoord.
Wij willen alles, wat gezegd is, nu heel kort samenvatten. Kohlbrügge gaat er van uit, dal de beginselen van alle ware theologie, evenals de sleutel om het Woord te verstaan, liggen in de erkenning van de wet Gods. Hij is volkomen doordrongen van de onaantastbaarheid, heiligheid en eeuwige geldigheid van Gods wet, en wel van de wet Gods zonder af of toedoen, zonder andere uitlegging. Nooit mag zij door den mensch verzacht, veranderd of zelfs opgeheven worden. Alle pogingen, door de wet iets te verdienen, mislukken en voeren den mensch of tot huichelarij, tot onverschilligheid of tot wanhoop. En daarbij bedient de mensch zich, zooals hij is, van de wet, om zich door haar voor God te rechtvaardigen en staande te houden. De wet Gods toont den mensch echter onverbiddelijk zijn zonde en zijn dood, zijn vijandschap legen God ; zij openbaart hem Gods rechtvaardige en heilige toorn. De verschrikkelijkste zonde echter is, dat de mensch uit zich zelf nooit erkennen wil en zal, wie hij is voor God en Zijn wet. Op die manier is niets Ie verwachten dan vloek en oordeel.
God heeft de redding van den mensch zelf ter hand genomen. Het was het raadsbesluit van de eeuwige liefde Gods tot een in zonden verzonken wereld. Zijn Zoon te zenden in de gestalte van het zondige vleesch. En dat deed Hij ook, toen de tijd vervuld was. Als borg voor Zijn broeders heeft de Zoon het op zich genomen, de geheele wet als mensch, als een vleeschgewordene te vervullen, geloof te houden, Gode de eer te geven, zonde en schuld te dragen, en alles weer te herstellen, wat Adam door zijn zonde bedorven heeft. Nadat Hij dit raadsbesluit had uitgevoerd, heeft God Hem de gemeente, Zijn lichaam, tot een eeuwig eigendom gegeven, opdat Hij haar Heer en Hoofd zou zijn en haar door Zijn Geest en Woord regeeren en haar tot zich trekken in heerlijkheid.
Het zou volkomen ingaan tegen de blijde boodschap, tegen het evangelie, indien de mensch, die zondaar is en blijft, nu zelf zijn heiligmaking moest tot stand brengen, dus een nieuwe wet oprichten, die hij nu met behulp van de genade moest volbrengen. De ellende der zonde ware niet verdwenen, zij zou nog grooter worden. De heiligmaking der gemeente echter is opgedragen aan den Heiligen Geest, Wiens ambt het is, Christus en Christus alleen te verheerlijken. Met goddelijke kracht werkt Hij door het Woord in de geloovigen, die de Vader den Zoon gegeven heeft. Alle beloften Gods in Christus worden door Hem in de geloovigen vervuld, zoodat geen van de goede woorden Gods ter aarde valt. De Heilige Geest vervult Gods wet. Zijn wil in de harten der geloovigen, en wel zoo, als Hij het wil. Bij de volkomen onmacht, ook van den bekeerden mensch, de wet ook nu geheel te vervullen, zooals zij volgens Gods wil moet vervuld worden, is de geloovige in een zware strijd geplaatst. Het moet ons in alle deelen gaan om het levend geloof, het hartelijke vertrouwen, dat God woord, geloof en trouw houdt. Dit geloof schept en onderhoudt steeds de Heilige Geest.
Hij schept ook alle goede werken in Christus Jezus, zoodat de geloovigen niet onvruchtbaar bevonden worden, maar vervuld zijn met alle vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus in hen geschieden tot eer en prijs van God. Zij zelf weten daarvan slechts zooveel, als noodig is, de aanvechting te overwinnen. Niet 'slechts de rechtvaardigmaking, maar ook de heiligmaking geschiedt uit geloof. Door het geloof in Jezus Chrislus zijn wij voor God rechtvaardig en heilig.
Het verwijt van quiëtisme is onverdiend. (Het Latijnschc quies = rust. Het quiëtisme is een mystieke richting in het Christendom, waarbij gestreefd wordt naar een zich geheel verdiepen in de godheid, met vernietiging van elke persoonlijke werkzaamheid). Wie zijn zonde met schrik erkent, moet gelooven, en vandaar komen alle goede werken en de drang er toe.
Het moet ons slechts gaan om Christus, om de levende gemeenschap met Hem. Het moet ons daarom gaan, dat wij blijven bij het Woord met een hartelijk zuchten tot God. En dan, juist dan wordt de belofte vervuld: Ik wil Mijn Geest in ulieden geven en zulke menschen van u maken, die wandelen in Mijn geboden. Mijn rechten houden en daarnaar doen. Zoo is de eeuwige en heerlijke God het begin en het einde van onze verlossing en heiligmaking en de geloovigen zijn steeds en altijd en tot in eeuwigheid het voorwerp van Zijn erbarmende liefde en trouw. Gode echter, den Koning der eeuwen, den onzienlijken, den onverderfelijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. (1 Tim. 1 vers 17).
Dat is de grondtoon van Kohlbrügge's theologie, die door al zijn predicaties luid en duidelijk heenklinkt. Zijn theologie is in de beste zin theologie, een worstelen om het inzicht van de waarheid Gods volgens de Schrift, een onverkorte verkondiging van het volle evangelie Gods. Zij grijpt terug op de leer der hervormers en trekt hun lijn verder. De richting van zijn theologie is aan alle zijden bepaald door het geloof in Jezus Christus, op grond van het evangelie ; zij is in waarheid een theologie des geloofs.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's