MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
Een bonte verscheidenheid van de meest uiteenloopende personen en karakters vormen de op het aangegeven, uur ten huize van ouderling Bouma bijeengekomenen, om te spreken over de gemeentebelangen. Vrouw Bouma had voor dit doel de ruime woonkamer afgestaan, om zelf met de meid in de keuken te gaan zitten, en had een groote kan met koffie op de tafel geplaatst, waarvan men zich kon bedien.en. Daarnaast stond een klein vaatje met tabak en een gevulde sigarenbeker. Een breede rij stoelen om de groote, ronde tafel toonde aan, dat nog al eenige menschen verwacht werden.
Tegen achten kwamen zij, voor het meerendeel uit de onmiddellijke nabijheid, een enkele, zooals Frans Bottema, schoonzoon van Bouma, boer op „'t Rietdak", van buiten. Ten einde de bespreking zoo algemeen mogelijk te maken, was Bouma niet karig in het uitnoodigen geweest, doch had allen gevraagd, van wie hij wist, dat zij geen vrede hadden, met den bestaanden toestand en dit ook niet verzwegen. Daar had je Krein, den smid, die gewoon was met den voorhamer te werken en in krasse termen uitdrukking te geven aan 't geen hem bezielde. Dan; bakker Deelstra, die in den kerkeraad meermalen zijn meening gezegd had en daarom een der eersten, dien Bouma voor deze vergadering had gevraagd.
Vervolgens Jurjen, die evenwel meer door z'n vrouw geleid werd dan dat hij zelf stuur gaf, doch door haar optreden mede tot de genoodigden behoorde. Voorts, Japie van der Meer, de heilsoldaat, van wien nu wel niet zooveel bijzondere invloed uitging, maar die toch nooit naliet, waar het te pas kwam en óók wel waar het niet te pas kwam, te spreken over den godsdienst of „te getuigen'", zooals hij het noemde. Dan nog een paar arbeiders. Pier Boomsma, die op „Bornia-State" werkte, de vader van Dirkje, de meid, Dirk Leenstra, een kaasmaker op de boterfabriek, Sjoerd Nauta, een timmerknecht, die bij baas Feikema werkte, en om niet te vergeten : Keimpe, de doodgraver, dien men misschien hier allerminst verwachten zou, en die ook niet gewoon was op vergaderingen te komen, vooral niet op zoo'n Iaat avonduur en te midden van zoo'n duisternis, doch die mede een dergenen was, die geen vrede meenden te mogen hebben met de bestendiging van den huidigen toestand.
Wellicht, dat er in de gemeente nog wel meerderen zouden. zijn, die met het doel dezer bijeenkomst instemden, en zeker onder de vrouwen waren er vele, die wel gaarne zouden hebben willen aanwezig zijn, doch voorloopig werd dit aantal voldoende geacht om de eerste besprekingen te houden.
„Wat daar bij Bouma aan de hand is, weet ik niet, maar daar is iets bijzonder", zei Douwe's Klaske, toen zij nog even, vóór de winkelsluiting een boodschap deed. „Pier en Dink van de fabriek en baas Krein zag ik daar heen gaan, en oude Keimpe kwam mij ook nog met zijn stokje tegen, knap verkleed en de zwarte klompen aan., 'k Wed, dat die daar ook heen ging". Dat was iets bijzonders, wat Douwe ook niet begreep.
Toen een weinig later bij buurvrouw de deur open ging en Murk naar buiten kwam, om eveneens dezelfde richting in te slaan, leed het geen twijfel, of die hoorde ook tot de partij. Zij zou straks een boodschap bij vrouw Kalma bedenken en dan meteen trachten gewaar te worden, wat dat alles inhield. Want dat daar wat achter stak, dat was wis en zeker.
Intusschen hadden, de verschillende, vrienden bij Bouma elkander begroet en op de gereed staande stoelen, plaats genomen, 't Leek eerst alles zoo vreemd. De een keek den ander eens aan en maakte een opmerking over het weer, over de vele regens of de vele zieke aardappelen of de zieke menschen, die er waren, over de werkloosheid, welke er heerschte. Er werd al eens een kop koffie geschonken en de pijp of sigaar in brand gestoken, maar nog altijd verliep het gesprek in algemeenheden. Reeds een paar maal had Bouma de keel geschraapt, alsof hij beginnen zou met iets te zeggen en had daarbij vooral Murk aangekeken die bijzonder stil was, evenals Keimpe, de doodgraver, doch dan viel een der anderen weer in met iets nieuws, waardoor de gelegenheid om te beginnen telkens verdween. Eindelijk greep de ouderling evenwel moed.
„Ja, vrienden, we zijn hier bij elkaar gekomen om eens te spreken over onze kerk en over onzen dominé, maar nu ben ik geen man van het woord en zou wel willen, dat Murk de leiding van de vergadering op zich nam.
Aldus begon Bouma. Ziezoo, nu was het er uit en wist men het doel van de samenkomst, terwijl zoodoende tevens een einde aan al de gesprekken kwam.
Maar de leiding nemen, dat wilde Murk niet.
„Neen, neen", sprak hij, „wij zijn hier bij den ouderling der gemeente, die oud en wijs genoeg is om te zeggen, wat hij op het hart heeft, die ons hier ook genoodigd heeft en die nu maar zeggen moet, wat hij bedoelt. Vanzelf komen dan misschien ook de andere tongen los".
„Dat zeg ik ook''', zei de smid. „Alle dingen op hun plaats, en kerk en toren in het midden. Eere wien eere toekomt, en wat de een niet weet, vult de ander maar aan. Vooruit maar, Bouma !"
Maar dat liep in 't begin met Bouma niet hard. Nu het er aan toe kwam, viel het niet mee en allerminst, om precies te z.eggen, waar het eigenlijk om ging.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's