MEDITATIE
Dewijl wij dan een grooten Hoogepviester hebben. Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden. Hebreen 4 vers 14.
Jezus de Zone Gods is door de hemelen doorgegaan. Dat is het wondere feit, dat wij thans herdenken. Na Zijn opstanding was Hij nog veertig dagen op de aarde gebleven en met vele gewisse kenteekenen had Hij zich aan Zijn discipelen vertoond, om hun te verkondigen de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan.
Voor het laatst geschiedde dit te Jeruzalem. En vanuit Jeruzalem geleidde Hij Zijn discipelen door het Kedrondal naar den Olijfberg. En onderweg sprak Hij tot hen : Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal en gij zult Mijne getuigen zijn zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde.
En als Hij dit gezegd had, werd Hij, opgenomen, daar zij het zagen en een wolk nam Hem weg van hunne oogen.
En Hij gaat den wolkenhemel door met zijn stille pracht en daarna den sterrenhemel met zijn fonkelende majesteit en Hij komt in den hemel der hemelen aan, om de aanbidding te ontvangen van de heilige Engelen en de gezaligden, en zij zongen een nieuw lied, het lied der verlossing : Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met uw bloed uit alle geslacht, taal, volk en natie en Gij hebt ons gemaakt tot koningen en priesters en wij zullen als koningen heerschen op de aarde.
Jezus, de Zone Gods, die de hemelen doorgegaan is, is in het hemelsch heiligdom verschenen als de groote Hoogepriester voor het huis Gods, voor de gansche Kerk. Hij is aldaar niet ingegaan met vreemd bloed, gelijk de aardsche Hoogepriesters met vreemd bloed zijn ingegaan in den aardschen Tabernakel, welke een tegenbeeld was van de ware hemelsche Tabernakel, maar Hij is aldaar verschenen met Zijn eigen bloed. En op grond van de offerande Zijns kruises vraagt Hij aan den Vader om de zaligheid der Zijnen. En daarin ligt de behoudenis gansche der Kerk.
„Want indien wij gezondigd hebben, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, namelijk Jezus Christus den Rechtvaardige en indien wij onze zonden belijden. God is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid".
De schat van zegeningen, die Hij door Zijn voorbede bij den Vader voor al Zijn volk verwerft, is zóó groot, dat van al de gegevenen des Vaders er niemand verloren zal gaan.
Vooreerst verwerft Hij voor hen de rechtvaardigmaking. Daarom lezen wij in de Heilige Schrift: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ? God is het, die rechtvaardig maakt; wit, is het, die verdoemt ? Christus is het, die voor ons gestorven is, ja wat meer is, die voor ons opgewekt is, die ook voor ons bidt.
Vervolgens doet Hij hen deelen in de heiligmaking. Daarom sprak Hij bij Zijn omwandeling hier op aarde : Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt; maar dat Gij hen bewaart van den Booze.
En eindelijk zal Hij hen de heerlijkmaking naar ziel en lichaam deelachtig doen worden. Daarom treedt Hij voor het aangezicht des Vaders en wel met deze woorden : Vader, Ik wil, dat die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt, want Gij hebt Mij liefgehad van voor de grondlegging der wereld.
O, welk een zalige vertroosting ligt er dan in de Hemelvaart onzes Heeren voor Zijn duurgekochte Gemeente ! Laat ons dan alle onze nooden naar ziel en lichaam, voor tijd en eeuwigheid vrijmoedig Hem bekend maken. „Want wij hebben geen Hoogepriester, die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen, gelijk als wij, is verzocht geweest, doch zonder zonde".
„Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd".
Dewijl wij dan een grooten Hoogepriester hebben. Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zoon van God, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Let wel, wij moeten deze belijdenis vasthouden ! Dat is hetzelfde, als de genade, die ons bewezen is, vasthouden. Daarvan lezen wij in Hebreen 12 vs. 28, 29 : , , Daarom alzoo wij een onbeweeglijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genade vasthouden door dewelke wij welbehaaglijk God mogen dienen met eerbied en godvruchtigheid, want onze God is een verterend vuur".
Zullen wij nu deze belijdenis of genade vast kunnen houden, dan moeten wij-ze eerst van God gekregen hebben. Velen zijn er in onze dagen, die niet de goede belijdenis, noch ook de genade, die hen verschenen is, vasthouden, maar wel het bedrog, zoodat zij met een ingebeelden ha-, mei op den weg naar de hel loopen.
Ziet maar eens hoe de dag van 's Heeren hemelvaart wordt doorgebracht! De feestviering van de groote schare verraadt pijnlijk duidelijk, dat men uit de aarde aardsch is en aardsche dingen bedenkt. En toch vleit men zichzelven met een ijdele hoop, dat men bij het sterven wel ten hemel zal binnengaan.
Och, medereisgenoot, dat gij dóór Gods genade niet langer aan dat bedrog mocht vasthouden ! Dat gij luisteren moogt naar het Woord des Heeren, dat wij vinden in Jeremia, 8 vers 5: „Zeg wijders tot hen: Zal men vallen en niet weder opstaan, zal men afkeeren en niet wederkeeren ? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keeren." Want als gij weigert om weder te keeren, dan zult gij met een leugen in de rechterhand verloren gaart en u voor eeuwig, als het te laat is, beklagen.
Maar, zoo zegt ge, als gij bekommerd zijt vanwege uwe zonden, hoe krijg ik deze belijdenis ? Hoe krijg ik deel aan deze genade ?
Geliefden, achter uw dood ligt het leven en achter uw volstrekte duisternis daagt het licht van Hem, die tot u spreken zal: „Vrees niet, want Ik heb u verlost, Ik heb u bij uw naam geroepen, gij zijt Mijne".
En als de Heere Jezus u uit den dood in het leven doet overgaan en uit de duisternis overbrengt in het licht, dan zult gij met den begenadigden dichter mogen zeggen : „Heere, Gij hebt mijn rechterhand gevat. Gij zult mij leiden door Uw Raad en daarna in heerlijkheid opnemen".
Al het volk des Heeren houdt dan ook aan deze belijdenis vast en waar het verlangt om in te mogen leven in het heilgeheim van het hemelvaartswonder, is het de vraag hunner ziele : Heere, Gij die gesproken hebt : „Als Ik van de aarde verhoogd zal zijn, zal Ik ze allen tot Mij trekken"; o, trek ook mij door de koorden van Uw Geest en Woord en ik zal U naloopen.
En het worde hun en u geschonken op dezen Hemelvaartsdag naar de ziel te beleven, dat uw leven met Christus verborgen is in God. Amen.
Hantum
G. van Veldhuizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's