KERKELIJKE RONDSCHOUW
RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP(9)
’t Is een „legende", die ook nu weer lustig rondverteld wordt, dat in onze aloude Gereformeerde Kerk van den beginne afaan zou zijn afgesproken, dat de belijdenis der Kerk om de drie jaar, op elke Nationale Synode, moest worden herzien. Dat om de drie jaar revisie moest en zou plaats hebben
Van die „legende" is geen woord waar, maar dan ook geen enkel woord !
Onze Gereformeerde Kerk heeft haar belijdenis, als de belijdenis van de Nederlandsche Gereformeerde Kerk, aangenomen en vastgesteld. En naar den aard van het Gereformeerd Protestantisme heeft de Nederlandsche Gereformeerde Kerk die belijdenis (in haar belijdenisschriften vervat) voorgehouden aan al hare dienaren en aan al de lidmaten der Kerk, omdat zij geloofde en beleed, dat haar belijdenis overeenkomstig Gods Woord was. Dat beleed de Nederlandsche Gereformeerde Kerk van de 37 Artikelen van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, die onze Nederlandsche Kerken gemeen hadden met de Fransche Gereformeerde Kerken èn met Geneve. Want onze Confessio Belgica (de Gereformeerde Kerken werden toen voornamelijk gevonden in de Zuidelijke-Nederlanden) was ontleend aan de Confessio Gallica (de Fransche), en deze was weer ontleend aan de Confessio Helvetica (van de Kerk van Geneve, waar Calvijn de leiding had). In die verwantschap en die éénheid der verschillende belijdenisschriften zat dus een oecumenische gedachte, van de algemeene Christelijke Kerk, verspreid door alle landen, waar de Heere met Zijn Geest en Woord zoo krachtig werkte in de 16de eeuw. Er kwam in dj9 belijdenisschriften uit, wat wij eiken Zondag belijden : „ik geloof de gemeenschap der heiligen".
Niemand heeft het recht lichtvaardig met die belijdenis (bijna woordelijk de gemeenschappelijke belijdenis van de Fransch-Zwitsersche-, van de Fransche-èn van de Nederlandsche Gereformeerde Kerken !) om te springen. Want het is het klassiek-stuk van het Gereformeerd Protestantisme in alle landen van Europa ; in Nederland zeker niet het minst „ingeslagen" en „ingeworteld" en onder de rook van de brandstapels gehandhaafd en beleden als het getuigenis der Waarheid naar de Schriften.
Daarbij had onze Nederduitsche Gereformeerde Kerk den Heidelbergschen Catechismus, door ons van de Gereformeerde Kerk te Heidelberg in Duitschland, overgenomen en weer zoo nauw verwant aan den Catechismus van Calvijn en andere leerboeken der Gereformeerde Kerken, steunend op Gods Woord, gelijk immers de Heilige Schrift door de Gereformeerden van alle tijden erkend wordt als de bron en de regel voor alles wat we hebben te gelooven en wat we hebben te doen. [Later zijn ook de Vijf Leerregels van Dordt uit Gods Woord geput, om de dwaal-en leugenleer van de Remonstranten te bestrijden en te weerleggen.]
In leer en leven heeft onze Gereformeerde Kerk zich van ouds willen richten naar Gods Woord. Waarlijk niet alleen inzake de leer, maar óók inzake het leven. Denk aan het derde stuk van den Catechismus, aan de artikelen in de Ned. Geloofsbelijdenis, die over de regeering der Kerk, de tuchtoefening, het ambt van de Overheid enz. handelen ; alsook aan de Dordtsche Kerkorde.
En waar nu de Gereformeerde Kerk haar belijdenis naar de beginselen van Gods Woord wist te zijn, wilde zij die bewaren ,, tot op de wederkomst van Christus", om Zijn Naam te belijden in waarheid — waartoe ieder zich moest verplichten met een heilige belofte — tenzij iemand, in den geordenden, kerkdijken weg, kwam aantoonen, dat de belijdenis in eenig punt strijdig was met Gods Woord. Want dat laatste moet er noodzakelijk bijgevoegd worden !
In Artikel 7 van de Ned Geloofsbelijdenis staat immers : ,, Wijl het verboden is aan het Woord Gods iets toe of iets af te doen, blijkt daaruit wel^ dat de leer daarvan zèèr volmaakt en in alle manieren volkomen is". Waarop dan direct volgt: „Men mag ook geen geschriften van menschen, hoe heilig zij geweest zijn, verkiezen boven de Goddelijke Schriften, noch de gewoonte (traditie) boven de Waarheid Gods (want de Waarheid is bovenal), noch de groote menigte, noch de oudheid, noch de successie of opvolging van tijden of personen, noch de conciliën, decreten of besluiten. Want alle menschen zijn uit zichzelven leugenaars, en ijdeler dan de ijdelheid zelve". „Daarom verwerpen wij van ganscher harte al wat met dezen onfeilbaren regel niet overeenkomt. Gelijk ons de Apostelen geleerd hebben, zeggende : „beproeft de geesten, of zij uit God zijn". „Insgelijks : „zoo iemand tot u komt, en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem niet in uw huis".
Wanneer er mu velen zijn in onze dagen, die zeggen : Art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis leert ons, dat we niet altijd met een menschelijk geschrift moeten blijven loopen ; en het is dus geheel in den geest van Art. 7 om de oude Belijdenisschriften te gaan veranderen — dan ontgaat ons de logica van deze redeneering. Want waar zegt Art. 1 dat we noodzakelijk nu eens aan 't veranderen moeten gaan en dat we het oude niet moeten handhaven, omdat Art. 7 zulks zegt?
Art. 7 zegt, naar onze meening, dat „alle menschen uit zichzelven leugenaars zijn en ijdeler dan de ijdelheid zelve".
En Art. 7 zegt, naar onze meening, dat we nu zeer voorzichtig moeten zijn om onze handen te slaan aan 't geen naar uitwijzen van Gods Woord is opgesteld. En dat alleen als we komen met Gods Woord, en om de wille van Gods Woord bezwaard zijn, we onzen mond voorzichtig moeten opendoen en bescheiden met onze bezwaren moeten komen, en ordelijk in de Kerk eerst deze dingen, met Gods Woord, als onze Rechter, deze dingen moeten bespreken en regelen !
Zoo waren de Remonstranten in 1600 er ook geheel naast, toen zij zóó maar wilden decreteeren: de belijdenis moet veranderd worden!
Waarom ? Omdat het de heeren Remonstranten niet aanstond, wat de belijdenis der Gereformeerde Kerk zegt van de verdorvenheid des menschen, van het verzoenend werk van Christus, van Gods verkiezende genade, enz. ?
Was dat in strijd met Gods Woord ?
En we kunnen ons begrijpen, dat onze Gereformeerde Vaderen zeiden : de belijdenis is er en de belijdenis blijft er, en wordt niet krachteloos gemaakt en niet veranderd — tenzij uit Gods Woord eerst bewezen wordt, dat de belijdenis dwaalt en tenzij eerst de Kerk in ordelijken weg dan beslist heeft.
Voelt men dat nu in 1938 niet ?
Waarom moet noodzakelijk eerst de belijdenis „hervormd" en gewijzigd worden ? Omdat, ds. A. of prof. B. zegt, dat Art. 1 van de Ned. Geloofsbelijdenis niet deugt ? dat art. 2 geheel verkeerd is ? dat art. 3—7 niet te handhaven zijn ? dat art. 16 weg moet ? dat art. 27 enz. niet juist is ? dat art. 36 niet gehandhaafd kan blijven ? dat art. 37 geheel verkeerd is opgezet ?
Is men nu zoo tegen de belijdenis (wat onderscheidene dingen betreft), omdat men zoo vóór Gods Woord is ?
Want Gods Woord zal tusschen ons richten !
Noch A. noch B, noch Moderne, noch Ethische, noch Gereformeerde heeft in de Kerk eenig recht — dan alleen wanneer men komt met Gods Woord.
Laat men daarom nu niet zoo alleen herinneren aan wat Art. 7 Ned. Geloofsbelijdenis zegt aangaande een eventueel wijzigen van de belijdenis. Maar laat men vóór alles en boven alles komen met de hoogste autoriteit, n. 1. Gods Woord, dat ons richten zal.
Wij willen, dat men beginnen zal met de eerlijke en royale bekentenis, dat de Ned. Hervormde Kerk haar belijdenis heeft ; en dat de Ned. Hervormde Kerk haar belijdenis houden wil, omdat deze in de dagen der Reformatie uit Gods Woord geput is en bij het schijnsel van de vlammen der brandstapels is beleden als waarachtig te zijn. Waarbij we elkander nu beloven: deze belijdenis zal niet veranderd worden, tenzij duidelijk en overtuigend bewezen worde, dat zij strijdt met Gods Woord, wat dan in den kerkdijken weg zal moeten worden beslist en vastgesteld.
We moeten niet beginnen met de belijdenis der Kerk onder verdenking te leggen en reeds van te voren krachteloos te maken. Dan is de belijdenis reeds geen belijdenis meer.
(Wordt voortgezet.)
DE VRIJZINNIGEN EN DE REORGANISATIE
De huidige toestand van de Ned. Hervormde Kerk schijnt voor de modernen zoowat een ideale te zijn. Ze kunnen practisch doen en laten wat ze willen. Ze kunnen prediken wat ze willen. Met de heilige belofte : dat ze bet Heilig Evangelie van Jezus Christus naar Gods Woord en den aard en den geest der belijdenis zullen prediken — komen ze binnen ; en als ze binnen zijn, trekken ze zich van die heilige belofte niets aan. En als mannen als prof. Van den Berg van Eysinga heel kalm zeggen, dat Jezus nooit bestaan en nooit geleefd heeft, stellen ze zich aan als diegenen, die naar recht in de Hervormde Kerk thuis hooren en goochelen wat met woorden als „ik houd het liever met den Godszoon, dien het N.T. ons teekent, god uit God, tijdelijk verschenen in menschelijke gedaante, die met geen mogelijkheid zich laat veranderen in de historische figuur van een leeraar of profeet". (Ingezonden stuk, N.R. Crt., 17 Mei j.l.).
Dat is de zonde van de Ned. Hervormde Kerk, dat zi] een belijdenis heeft en dan zóó in het Besturen-apparaat vast zit, dat zij niets kan doen tot verweer. O, dat „onwaarachtig geschipper !"
Natuurlijk willen de modernen dezen toestand 't liefst houden; dan kunnen ze scharrelen en knoeien zooveel ze maar willen ; er is toch niemand die ze wat doen kan ! Wel is het een onbehagelijke positie om zóó zich te handhaven en zóó alleen te kunnen blijven in de Hervormde Kerk, maar het is nu eenmaal de aangewezen weg voor hen, die niet naar recht en geweten zich wenschen te voegen bij een Kerk-gemeenschap) waar ze krachtens hun beginsel en overtuiging thuis hooren.
In het Reorganisatie-Ontwerp zien ze dan ook geen welkome gast in de kerkelijke familie en de Vrijzinnig Hervormden laten geen poging voorbij gaan, om tegen aanneming van dit Voorstel te waarschuwen. In een officieele brochure van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden uitgegeven (schrijver ds. K. A. Beversluis te Zutphen) betoogen ze als tegenargumenten :
1. Het Ontwerp geeft geen oplossing voor den nood der Kerk. Waarom niet : a. Er is niets te bespeuren in dit Voorstel van de frissche wind der oecumenische beweging, b. De belijdenis wordt sterker en strakker aangehaald, c. Een belijdenis geeft toch geen waarborgen tegen allerlei afwijkingen.
2. Het Ontwerp brengt niet de verbetering, die men wenscht. Waarom niet ? a. De Clasisicale Vergaderingen zullen 't zelfde blijven als ze nu zijn ; b. Tuchtoefening, uitgaande van de Heilige Schrift, is niet mogelijk ; c. Een Kerkorde naar de beginselen van de Heilige Schrift samenstellen, kan niet.
3. Het Ontwerp heeft een Confessioneel karakter. Waarom ? a. De formuleering van art. 8, al. 1 en de formuleering van art. 8, al. 5, bindt de Kerk aan de Drie Formulieren vain Eenigheid. b. In de uitwerking bij proponentsformiule, belijdenisvragen, beroeping van predikanten, benoeming van kerkeraadsleden, gebruik der liturgische formulieren voor de bediening van de Sacramenten van Doop en Avondmaal en straks bij dein grondslag der verscheidenheid in de Kerk, komt het Confessioneel karakter naar voren. c. Men praat wel van „hervorming" van de belijdenis, maar daar kan tocih niets van komen, de belijdenis blijft wel de 'belijdenis, die zij is. d. De procesmatige leertucht, die voorgesteld wordt, hoort in een Protestantsche Kerk niet thuis.
4. Het Ontwerp geeft geen oplossing van het nijpende probleem der pluriformiteit der Kerk. Waarom niet ? a. Het Ontwerp gaat uit van het beginsel der éénheid der gemeende, en dat moeten we juist niet hebben, b. De practische bezwaren zijn vele, zoodat er weinig vrede van te verwachten is.
5. Het Ontwerp zal voor de Kerk zeer zware financieele offers vragen. En dat mag de Kerk niet doen, want dat geld kan beter op andere wijze gebruikt worden.
6. Het practische gevolg zal zijn gisting en felle partijstrijd.
Het is te merkwaardig, om deze reeks argumenten van de Vrijzinnig Hervormden niet in ons geheugen vast te leggen :
a. Er is niets te bespeuren van de frissche wind der oecumenische beweging ;
b. De belijdenis wordt strakker aangehaald ;
e. Een Kerkorde naar beginselen van den Bijbel is onbestaanbaar ;
d. Tuchtoefening in de Kerk naar de beginselen van de Heilige Schrift is een onding;
e. Art. 8 al. 1 van het Ontwerp haalt de belijdenis voor de Hervormde Kerk strakker aan en bindt de Hervormde Kerk aan de Drie Formulieren van Eenigheid;
f. Art. 8 al. 5 spreekt van „hervorming" der belijdenis, maar het is niet de bedoeling de belijdenis te veranderen, die blijft zooals ze is ;
g. Het Confessioneel karakter komt in alles uit : en straks zal de proponentsformule, zullen de belijdenisvragen, het gebruik van de formulieren, enz. dat bewijzen, dat de Hervormde Kerk een Confessioneel karakter heeft maar haar belijdenis ;
h. Het Ontwerp poneert de éénheid der Gemeente naar den zin van de belijdenis en zal geen verscheidenheid in strijd met de belijdenis dulden ;
i. Er zal meer geld voor het kerkelijk leven noodig zijn en dat geld kan wel anders en beter besteed worden ;
j. Er zal dan in de toekomst over de beginselen naar de belijdenis gehandeld worden in de Hervormde Kerk en dan kunnen die partijen, die het met de beginselen der historische belijdenis niet eens zijn, niet in de Hervormde Kerk blijven, daar deze dan niet meer zal zijn een „Vereeniging van elk wat wils".
Het lijstje van bezwaren ziet er zoo nog al goed uit, zouden we zeggen.
Waarom de dingen nu zoo opblazen en waarom zoo'n heftig optreden ?
Ds. Lingbeek is een warmbloedig man ; een bewegelijk iemand, die de laatste jaren er niet rustiger op wordt. Als hij wat in z'n hoofd heeft, laat hij niet af om er over te spreken, komt er telkens op terug, en, man van temperament zijnde, argumenteert hij dan niet zelden scherp en heftig. De vergadering van de Tweede Kamer heeft dat ook menigmaal doen blijken !
Nu heeft ds. Lingbeek inzake de Reorganisatie een stokpaardje, en wel: de lastbrieven voor de afgevaardigden naar de breedere — meerdere — kerkelijke vergaderingen ; een aangelegenheid, waarover wij onlangs ook geschreven hebben. Dat deze zaak twee kanten heeft, hébben onze Vaderen altijd wel gevoeld. Want hoezeer zij er op stonden, dat de afgevaardigden) niet ter vergadering zouden verschijnen alsof zij daar persoonlijk komen naar eigen persoonlijke keuze en met eigen persoonlijke boodschap, maar dat zij daar zouden verschijnen als vertegenwoordigers van de zendende gemeenten enz., waarom zij „geloofsbrieven" moesten toonen en van „credentiebrieven" en „lastbrieven" moesten voorzien zijn — zoo hebben zij ook altijd gezegd : het moet geen „bindend" mandaat zijn in dien zin, dat daardoor de besprekingen op de kerkelijke vergaderingen in den grond der zaak onmogelijk gemaakt worden. Dat zou een beleediging zijn aan het adres van de meerdere (breedere) vergadering, waar de Kerken juist samenkomen, om met elkaar, onder afsmeeking van de leiding des Heiligen Geestes, te beraadslagen. Geenszins mag dan deze of die plaatselijke gemeente door een „lastbrief" alles van te voren vastleggen door eigen beslissing. Dat zou in den grond der zaak zijn de overheersching van de plaatselijke gemeente over de gezamenlijke Kerken in zaken van gemeenschappelijk belang. En dat is in strijd met het Gereformeerd Kerkrecht, dat door het independentisme altijd belaagd wordt.
Nu schijnt op de jaarvergadering van de Confessioneele Vereeniging juist over dit punt de discussie zóó warm geloopen te zijn, door een lange redevoering van ds. Lingbeek, dat deze boos weggeloopen is, de vergadering toeroepend, misschien wel toeschreeuwend : ,, jullie zijn allemaal afgeweken en ontrouw geworden aan dr. Hoedemaker".
Wij zijn er niet bij geweest bij deze scène, die wij, op zichzelf genomen, betreuren. Het is altijd jammer als zich zulke dingen in een Vereeniging voordoen, waarnaar soms enkele menschen wel eens schijnen te verlangen en waarop sommigen dan zich wel eens toeleggen, maar wat altijd te betreuren valt en een verkeerden geest openbaart. Men wantrouwt dan elkaar en men ziet niet, dat breken makkelijker is dan bouwen, dat verstrooien ellendiger is dan verzamelen.
Maar hoe 't zij : het komt ons voor, dat men hier iets opblaast en dat men hier iets al te heftig opneemt.
Of dr. Hoedemaker en de credentiebrieven zóó te vereenigen zijn, als ds. Lingbeek het blijkbaar heeft voorgesteld, betwijfelen wij.
Waarom kan men bij deze dingen niet eerlijk, rustig, zakelijk het voor en het tegen van iets, dat zeker belangrijk is, maar toch waarlijk niet over de hoogste en diepste beginselen der Waarheid gaat, met elkaar bespreken en elkaar in het vóór en tegen respecteeren ?
Jammer toch, dat velen in onze dagen — die toch al zoo vol verwarring zijn — blijkbaar zoo heftig en zoo prikkelbaar zijn, dat er van rustig overleg geen sprake kan zijn.
Men zweert liever bij een leuze als : ,, buigen of barsten". Ook onder christenen.
JAARLIJKS DE SYNODE OF OM DE DRIE JAAR?
’t Is goed, dat mu over allerlei kwesties gesproken wordt, waarover we ons anders niet zoo druk maken. En dan blijkt het wel eens, dat we soms al te makkelijk iets voor vast en voor goed aannemen, waarover waarlijk nog wel eens 'n oogenblikje gepraat moet worden. Zoo zijn er ook onder ons, die zeggen : het is niet goed en het is niet Gereformeerd, dat de Synode jaarlijks vergadert, dat moet worden „om de drie jaar", want zóó is 't altijd geweest en zóó is 'het Gereformeerd, 't Merkwaardige is nu, dat in de Gereformeerde Kerken stemmen opgaan om de gewoonte van „om de drie jaar" in Synode saam te komen, los te laten en voortaan elk jaar Synode te houden.
Prof. dr. H. H. Kuyper, de man van het Gereformeerd Kerkrecht, zooals er geen tweede onder ons is, komt in ,,De Heraut" deze zaak belichten. En hij schrijft nu o.a. inzake een jaarlijksche Synode :
„Metterdaad is dit ook in alle Geref. Kerken aanvankelijk regel geweest om jaarlijks te vergaderen. In de Fransche Geref. Kerk, die voor de Synodale Organisatie het voorbeeld werd, werd reeds op de constitueerende Synode te Parijs in l'o59 besloten, dat elk jaar een Generale Synode zou gehouden worden. Evenzoo was dit regel bij de Geref. Kerk in Schotland, en zooals Voetius medeelt, ook bij de Geref. Kerk in Hongarije en Zevenbergen. Het Convent te Wezel 1568 sprak ook voor de Kerken in Nederland de wenschelijkheid uit om elk jaar een Generale Synode te houden. En de Presbyteriaansche Kerken in Engeland, Schotland en Noord-Amerika houden nog jaarlijksche Synodes.
Dat men later, zoowel in Frankrijk, als in ons land, van dezen algemeenen maatregel is afgeweken en de Generale Synodes om de drie jaar heeft gehouden, was dan ook alleen daaraan te wijten, dat de nood hiertoe drong. De Fransche Synode van Montpellier 1598 sprak dit nadrukkelijk uit : „Met het oog op de tegenwoordige noodzakelijkheid der Kerken en totdat God haar de middelen daartoe verleent, besluit de Synode, dat de Nationale Synodes slechts om de drie jaren zullen gehouden worden".
Door de tijdsomstandigheden (vervolging, enz.) was men er dus vóór Montpellier reeds toe gekomen om niet jaarlijks (wat men als regel stelde), maar om de twee jaar te vergaderen (van 1563 af). En daaruit is het wel te verklaren, dat ook de Synode van Emden in 1571 in Art. 9 bepaalde, dat men om de twee jaren een Generale Synode zou houden". De Synode te Dordt van 1578 vond om de twee jaar nóg te moeilijk, en besloot (art. 30) dat de Generale Synode gewoonlijk alle drie jaar zal gehouden worden — doch alzóó, dat ze, indien de nood zulks eischt, eerder mag samengeroepen worden. Het kostte al moeite genoeg, van de Staten vergunning te krijgen om een Synode te houden, en men begreep wel, dat die vergunning zeker niet elk jaar verleend zou worden".
Na 1578 kon men samenkomen in Middel-burg in 1581. Dat was dus drie jaar later. Maar daarna moest men vijf jaar wachten (1586 in Den Haag). En voor de Synode van Dordt moest men zelfs wachten tot 1618. Terwijl daarna geen Synode meer door de Overheden is toegestaan !
„Het is dus duidelijk" — aldus prof. Kuyper — „uit dit historisch overzicht, dat onze Geref. Kerken zoowel hier als in het buitenland, het in het belang der Kerk zelf oordeelden, dat de Generale Synode elk jaar zou samenkomen ; dat alleen de nood dwong aan dien termijn eerst tot twee en daarna tot drie jaar te verlengen, en dat, wat onze Kerken in Nederland betreft, de afhankelijkheid, waarin men van de Overheid verkeerde, het zelfs onmogelijk maakte om aan dezen driejaarlijkschen termijn zich te houden".
„Er is dus geen enkele reden, waarom men zich thans nog zou gebonden achten aan de bepaling onzer Kerkenorde, dat de Generale Synode om de drie jaar zal gehouden worden. Ze is veeleer een noodmaatregel geweest of een concessie aan de Overheid, dan dat ze in het belang der Kerk zelf is gemaakt". („De Heraut", 8 Mei '38)
DE MOEILIJKHEDEN BIJ HET GEREF. KERKRECHT
In de Gereformeerde Kerken voelt men de moeilijkheden, die er aan verbonden zijn, dat men daar voor de gezamenlijke Kerken eigenlijk geen adres heeft. De Synode vergadert ééns in de drie jaar en dan is er geen Algemeene Synodale Commissie of iets dergelijks ; er is niets ; en noch binnen noch buiten de Gereformeerde Kerken weet men den weg om in voorkomende gevallen „het oordeel der Kerken" te mogen vernemen. Toen b.v. tijdens den vreeselijken wereldoorlog een gezamenlijk getuigenis der Kerken werd opgesteld, was er voor de Gereformeerde Kerken geen adres te vinden. „Deputaten voor de correspondentie met de Hooge Overheid" — aldus prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut" (22 Mei j.l.) — „bij wie dit verzoek inkwam, hebben toen luit naam der Kerken geantwoord, maar bevoegd waren ze eigenlijk hiertoe niet".
Er zijn dus moeilijkheden ; „moeilijkheden, die vooral hieruit voortspruiten, dat de plaatselijke Kerk wel een permanent orgaan heeft (de Kerkeraad) om zich uit te spreken en te handelen, maar het Kerkverband, of liever gezegd de Kerken als geheel genomen, hebben zulk een permanent orgaan niet ; zoodat zij, zoolang er geen Synode is, ook geen mond hebben om te spreken en geen hand om te handelen, zelfs wanneer de nood dit dringend' zou eischen".
In dit verband (in het begin van het artikel) geeft prof. Kuyper in kopte trekken de hoofdlijnen voor een kerkelijk samenleven naar Gereformeerd beginsel. En wel als volgt:
„De grondslagen, die reeds door Calvijn in zijn Institutie zijn aangewezen, zijn tweeërlei. Vooreerst dat iedere plaatselijke Kerk een openbaring is van Christus' lichaam en daarom de macht bezit van een Kerk. De ambtsdragers in deze plaatselijke Kerk naar Christus" ordinantie aangesteld, hebben de volledige kerkelijke macht om het Woord en de Sacramenten te bedienen, om ambtsdragers te verkiezen en verordeningen te maken en om tucht te oefenen. Maar deze plaatselijke Kerken mogen niet los naast elkaar blijven staan; als openbaringen van het ééne lichaam van Christus behooren zij zich aaneen te sluiten en gezamenlijke vergaderingen te houden, waarin ze beslissen over die zaken, die de Kerken gemeenschappelijk aangaan of die een plaatselijke Kerk niet tot oplossing brengen kan. Ook deze meerdere vergaderingen, waarin de Kerken samenkomen, hebben kerkelijke autoriteit en gezag om beslissingen te nemen, zooals de Synode te Jeruzalem, onder de leiding der Apostelen, bewijst.
Het Roomsche stelsel, dat deze eenheid der Kerk tot uiting wil brengen door de instelling van hoogere ambtsdragers, bisschoppen, die weder ondergeschikt zijn aan den oppersten bisschop, den Paus van Rome, is even beslist door de Gereformeerden verworpen als het Independentistische stelsel, dat aan de meerdere vergaderingen der Kerken geen het minste gezag wil toekennen".
DE DOODEHANDSBELASTING
Wij herinneren ons het spel nog, dat vooral door ds. Lingbeek gespeeld werd, om de doodehands-belasting in het leven te roepen en in werking te zetten. Dat zou een nieuwe belastingwet zijn, waarbij bepaald zou worden, dat van z.g.n. „doodehands-goederen" belasting moest worden betaald. Die goederen van bezit, door kerken, kloosters enz. verkregen uit giften, schenkingen enz., zouden niet meer „vrij van belasting" zijn, zooals vroeger, maar „men" zou er dan nu van moeten „betalen"; en de voorspiegeling was dat vooral de Roomschen zouden worden getroffen met hun „rijke" kerken en kloosters en stichtingen. Men wist vast en zeker(!), dat „die Roomschen" zoo steenrijk waren en dat er ook nog andere Stichtingen, Kerken, Vereenigingen, Diaconieën, Fondsen enz. enz., b.v. van Protestantsche zijde waren, daar dacht men niet aan ; men dacht alleen maar aan „die Roomschen" ; en die zou men dan eens geweldig aan den tand gaan voelen en de veeren uittrekken.
Och arme wat is alles heel anders uitgekomen, dan sommige profeten, die gewoonlijk hóóg van den toren blazen (dat maakt indruk bij sommigen !) voorspeld hebben ! Men moet nu maar eens informeeren, wat door Kerken, Diaconieën, Fondsen, Vereenigingen, betaald moet worden aan „doodehands-belasting", welk geld dan natuurlijk afgetrokken moet worden ten koste van 't werk, dat men anders gewoon was te doen, en waarin men nu min of meer bemoeilijkt wordt door het betalen van deze belasting.
Aanvankelijk — ds. mr. Bartels heeft er tor vergadering van de Vereeniging van Kerkvoogdijen nog eens aan herinnerd — was de Synode uiterst voorzichtig tegen deze nieuwe belasting. De Bond van Predikanten was luidruchtig vóór ! De Vereeniging van Kerkvoogdijen was er beslist en overtuigd legen. De Federatie van Diaconieën was welwillend neutraal. Later heeft de Synode zich aangesloten bij het oordeel van de Vereeniging van Kerkvoogdijen.
„De Vereeniging heeft" — aldus ds. Bartels" — „gesteund door haar vrienden in de Tweede Kamer, bereikt, dat de 5-jarige afloopingstermijn in de wet werd opgenomen. Die 5 jaren loopen nu op 31 December af.
Hoe staat de Kerk er nu tegenover ? De Synode staat thans ook beslist afwijzend tegenover de wet. Zij heeft zelfs een commissie van waakzaamheid benoemd'. De Bond van Predikanten is waarschijnlijk bijgedraaid. Welke de houding zal zijn van de Federatie van Diaconieën is ons onbekend. Zonder overdrijving durft spreker thans wel zeggen, dat de geheele Hervormde Kerk zeer beslist gekant is tegen voortzetting van deze wet.
De Kerk is er tegen, omdat zij zich grievend verongelijkt voelt door het systeem van vrijstellingen in deze wet.
Laat men iedere vrijstelling schrappen en de Kerk zal gemakkelijker in deze wet kunnen toerusten — aldus spreker.
Een dergelijk schrappen van alle vrijstellingen durft men niet aan, want men weet zeer goed, dat er tal van doodehandsvermogens zijn, die van het hoogste belang zijn voor het zedelijk en geestelijk en sociaal leven van ons volk. Doch vooralsnog acht de Kerk zichzelf voor het leven van ons volk niet minder belangrijk dan speeltuinen, bewaarscholen, museums en natuurmonumenten. De Kerk verlangt geen uitzondering en allerminst een gunst. Zij verlangt gelijk recht voor allen.
De wet is — aldus spreker — op een fabeltje gegrond, n.l. het fabeltje van de rijke kloosters en van de rijke kerkvoogdijen en pastoriegoederen.
Die zijn er niet, althans hun aantal en rijkdom legt in het groote geheel geen gewicht in de schaal.
De doodehandsbelasting wordt in waarheid, zij het dan langs een omweg, opgebracht door het kerkvolk. Er is in ons land geen uitgesproken kerkvijandigheid, doch wel is er langs een omweg belasting op het lidmaatschap der Kerk, wat spreker toch wel eigenaardig vindt.
De Staat is thans in de gelegenheid de onjuistheid tegenover de Kerk goed te maken, door deze wet haar einde te gunnen door haar met stille trom te laten weggaan op 31 December 1938.
Spreker eindigde met de mededeeling, dat de Vereeniging terstond na de zomervacantie een algemeene actie in de Kerk zal organiseeren tegen de verlenging van deze wet".
OUD EN VEROUDERD?
De Vrijzinnig Hervormden roeren zich. Zij zien in het Reorganisatie-Ontwerp een streven, om in de Ned. Hervormde Kerk terug te keeren tot de Drie Formulieren van Eenigheid, de oude symbolische geschriften, waarin de Kerk zelve dogmatisch en kerkrechtelijk heeft uitgesproken, wat zij gelooft en belijdt en hoe zij wenscht, dat het kerkelijk samenleven zal worden ingericht (lees, wat dat laatste betreft, de artikelen van de Ned. Gel. belijdenis, en wel artt. 27—32) ; alles op grond van Gods Woord, waarin ons de Heere al deze dingen genoegzaam heeft geopenbaard.
En wat doen mu de Vrijzinnige Hervormden, die weten, dat ook Artikel 11 van het Algera. Synodaal Reglement voorschrijft, dat allen in onze Hervormde Kerk geroepen zijn om die leer in eere te houden en die te handhaven ? "
Zij zeggen in „Kerk en Wereld", extra reorganisatie-nummer van 13 Mei '38, dat die „Drie Formulieren van Eenigheid" voor hen net precies zooveel (of liever : zoo weinig) waard© hebben, als ^wat „de Ouden" gezegd hebben in Israël, waarvan de Heere Jezus zelf dan getuigt, dat Hij er niets van hebben moet ! We ; moeten niet hebben wat „de Ouden" geleerd' hebben (dat waren de Farizeërs en Schriftgeleerden, die er maar wat van gemaakt hebben !), maar we moeten hebben wat de Heere Jezus geleerd heeft !!
In welke richting wil men dan ? Wel — ze schrijven, dat de Heere Jezus „heengegaan uit de wereld. Zijn geloovigen den Trooster gezonden heeft, den Geest der Waarheid, Die hen in al de Waarheid voortleidt". (Let op dat „voortleidt" !)
En wat wil dat dan zeggen ? Dit : Wat „de Ouden" geleerd hebben, moet weg. „In de drie Formulieren van Eenigheid staan wij, op onze beurt, voor dat, wat de Ouden gezegd hebben", (pag. 1). Wèg er mee. „Wij naderen nu in onbepaalde gehoorzaamheid aan het getuigenis, dat de Heilige Geest, die ons in de Waarheid leidt, er ons nu van geven zal". En — zoo schrijven ze verder — „wij houden ons er van overtuigd, dat wij hierin volkomen handelen naar de smaak van de samenstellers der Oude Kerkleer zelf, die immers geschreven hebben, dat men de schriften van menschen niet vergelijken mag bij de Goddelijke Schriften enz. Art. 7 Ned. Gel. bel."
„Guido de Brés heeft zeer wel de betrekkelijkheid van zijn arbeid ingezien. Alzoo dan: „Gij hebt gehoord, dat tot de Ouden gezegd is maar Ik zeg u "
En hoe moet het dan nu ?
„Het Getuigenis des Heiligen Geestes in onze harten moet dus de doorslag geven. Niet dat, wat tot de Ouden gezegd is ; niet dat, wat sinds jaar en dag in eenige Kerk als de ware leer is aangenomen". „Op Protestantsch terrein kan alleen maar sprake zijn van persoonlijk geloof, dat zich uit alles wat de menschen geleerd hebben, zooveel toeeigent, als hart en verstand verdragen en beamen kunnen".
Hier kan nu de blinde zien en de doove hooren, dat de Vrijzinnige Hervormden als ras-echte individualisten eigen heer en meester willen zijn in de Kerk des Heeren, verwerpende wat de Hervormde Kerk van ouds geleerd heeft naar de Schriften, om dan, met een dwaas beroep op „de leiding des Heiligen Geestes" te zeggen : wij zullen gelooven en belijden wat ons hart en ons verstand verdragen en beamen kan — en dan heeft niemand verder iets over ons te zeggen. Waarbij zij natuurlijk weer (in strijd met alle historisch begrip) de woorden van Luther aanhalen : „Hier sta ik ; ik kan niet anders".
Wij zouden het Evangelie naar de verkondiging van Luther en van de Vrijzinnige Hervormden wel eens naast elkaar willen leggen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's