WAT CALVIJN ONS LEERT
Naar Gods beeld en gelijkenis.
Zoo kwamen wij reeds tot de slotsom, dat de schoonste gave der ziel is gelegen in de religie en dat haar hoogste volmaaktheid in de. gemeenschap met God wordt geteekend.
Dit verhindert Calvijn niet om ook op de overige gaven der ziel het licht te werpen. Zij is het levensbeginsel, vanwaar uit de werkingen des lichaams bestuurd worden. Zooveel als de zetel der regeering. De ziel woont in het lichaam als in een huis.
Als hij aan deze dingen raakt, kan hij niet nalaten in herinnering te brengen, wat de wijsheid der wereld over de ziel ten beste heeft gegeven. Men heeft haar werkingen bestudeerd en wil zich rekenschap geven van de krachten en functiën, die het zieleleven kenmerken. Soms heeft men van meerdere zielen of van verschillende afdeelingen of verdiepingen der ziel gesproken.
Gewoonlijk onderscheiden wij verstand, wil en gevoel als verschillende sferen van het zieleleven, hetgeen ook een goeden zin heeft.
Hoewel Calvijn in dit verband met name de beschouwingen van Plato en Aristoteles, twee voorname Grieksche wijsgeeren, wier denkbeelden in de geschiedenis een zeer grooten invloed hebben uitgeoefend, naar voren brengt, laat hij niet na er op te wijzen, dat hij die beschouwingen volstrekt niet in allen deele aanhangt.
Een en ander noopt hem echter tot een oordeel, dat wij om verschillende redenen mogen waardeeren en in overweging nemen.
Want, hoewel in velerlei opzicht de denkbeelden der ouden door de latere geslachten werden gewijzigd, niemand kan ontkennen, dat de Grieksche geest op menig punt een helderheid van inzicht heeft gehad, die nog altijd bewondering wekt.
Het behoeft dan ook niemand te verbazen, dat Calvijn, levende in een tijd, die vooreerst nog sterk onder den invloed der Grieksche wijsheid stond, maar daarenboven als bij vernieuwing deze bron van geleerdheid had aangeboord, daarmede op de hoogte was en niet zonder ook zelf daarvan de inwerking te ondervinden.
Men zou zich dan ook vergissen, indien men meende, dat hij de wijsbegeerte en de wetenschap verachtte. Het tegendeel spreekt hij duidelijk uit, al ware het slechts in de erkenning, dat er nuttigheid in is te Weten, wat door haar wordt geleerd. Hij geeft dan ook blijk, dat hem zulk een kennis niet ontbrak.
Voorts wil hij den weetgierige niet afhouden van het onderzoek.
Dit oordeel heeft te méér waarde, niet alleen, omdat hij kennis draagt van deze zaken, maar ook, omdat hij zich helder bewust is van de verwardheid en onzekerheid van zooveel, dat door de wereldsche wijsheid wordt voortgebracht.
De man, die de hoogste gave en roeping des menschen in de waarachtige religie heeft gevonden en daarom uit het Woord Gods wil onderricht zijn en geen hooger gezag erkent dan dat van den hoogsten Profeet en Leeraar, nadert steeds met den toets des Woords tot de dingen, die door de menschelijke wijsheid geleerd worden.
Wat door het Woord geoordeeld is, wordt onherroepelijk afgewezen.
Hij was echter in staat met kennis van zaken te oordeelen, omdat hij het voorrecht had niet alleen bij het licht der genade in Gods Woord ingeleid te zijn, maar ook kennis te dragen van wat de menschelijke wijsheid aangaande de groote levensvragen had geleeraard.
Zoo werd hij geroepen om de groote gaven van verstand en hart, waarmede hij was bedeeld, dienstbaar te maken aan de zaak des Heeren en den weg te wijzen, welken de theoloog heeft te bewandelen om de Godgeleerdheid vrij te maken en vrij te houden van wijsgeerige dwalingen.
Al te zeer dreigt het gevaar, dat de zuivere leer wordt vermengd met wijsgeerige beginselen en beschouwingen, die haar afvoeren van het fundament der apostelen en profeten, tot schade voor school en kerk beide. Daarom kan het niet overbodig wezen telkens weer de aandacht te vestigen op het spoor door Calvijn gevolgd.
Temeer is het van beteekenis, dat deze hervormer, die ook een hervormer der theologie mag heeten, de wetenschap niet veracht. Men krijgt zoo nu en dan den indruk, dat Calvijn hierin niet op de instemming en waardeering zou kunnen rekenen van menschen, die zich gaarne onder zijn navolgers willen geteld zien, althans zijn rechtzinnigheid niet in twijfel kunnen trekken. Er zijn er, die met vroom gebaar de geleerdheid verachten.
Nu valt niet te ontkennen, dat het huidig geslacht weinig over de nuttigheid der wereldsche wijsheid voor de kerk en het kerkelijk leven heeft te roemen, en men kan begrijpen, dat eenvoudige zielen zeggen : ik houd mij aan de oude beproefde Waarheid. Als zij dat ook mogen dóen, en uit de Waarheid leven, zal dat zijn vrucht afwerpen.
Doch om als voorgangers en leidslieden met kennis van zaken te kunnen oordeelen en waarheid en dwaling te kunnen onderscheiden, zal het noodig zijn te onderzoeken en aan den maatstaf des Woords te meten, opdat de kudde des Heeren in het rechte spoor worde geleid. Men moet toch niet vergeten, dat wij allen den invloed ondervinden van de wereld, waarin wij leven, ook als wij ons daarvan niet bewust zijn.
Reeds daarom is het nuttig daarop opmerkzaam te zijn en de geesten te beproeven, gelijk ons door de Heilige Schrift bevolen wordt. Het Woord is ons gegeven ook tot wederlegging. (2 Tim. 3 vers 16). Wie wederleggen wil, moet echter weten, wat hij wederleggen wil.
Wie Calvijn leest, zal ontdekken, dat hij deze zorg zeer ter harte heeft genomen. Hij wist den tegenstander wat te zeggen.
Zoo volgt hij ook de genoemde philosophen over wat zij geleerd hebben omtrent de menschelijke ziel en haar werkingen, over het verstand en den wil, met name over wat zij beweren aangaande den vrijen wil.
Dit laatste punt heeft zijn bijzondere belangstelling in verband met de Pelagiaansche dwaling.
Goed en kwaad is volgens de philosophen een kwestie van inzicht. Indien men een juist inzicht in de dingen heeft, handelt men juist, zoo niet, dan handelt men verkeerd. De mensch zou dus altijd naar zijn inzicht handelen, zoodat hij vóór alles ontwikkeling van zijn verstand noodig heeft.
De wil wordt bij zulk een beschouwing dus voor een bewegende kracht gehouden, die het verstand zou volgen. Hij kan zoowel ten goede als ten kwade kiezen. Dit is dus een geheel andere leer dan die van den apostel, die zegt : „als ik het goede wil, ligt het kwade mij bij".
Wij behoeven echter evenmin als Calvijn, lang stil te staan bij de leer der philosophen. Zij hebben geen kennis van de verdorvenheid onzer natuur, die door de straf der zonde over ons gekomen is, en daarom vermengen zij hemel en aarde. Zoo oordeelt hij terecht.
Er zijn er echter ook die belijden, dat zij discipelen van Christus zijn en nochtans in den verloren mensch, die in het geestelijk verderf is gezonken, een vrijen wil zoeken. Zij pogen op die wijze de leer der Heilige Schrift en de philosophie te verbinden. Zulk een dwaasheid bedrijven de Pelagianen en Papisten, en die wil Calvijn t.z.t. uitvoeriger bestrijden.
Hij raakt hier aan dwalingen, die tot in onze dagen voortgang hebben. Men kan veilig zeggen, dat zij buiten en binnen de kerk allengs de overhand hebben genomen.
Reeds op de Dordtsche Synode van 1618/19 was dit het voornaamste punt van het geding. Men neme de leerregelen tegen de Remonstranten ter hand om zich er van te overtuigen. Het ging over het stuk der praedestinatie en daarmede in ver band over den vrijen wil, in het bijzonder dus of de mensch een vrijen wil ten goede heeft, d.i. macht en bekwaamheid heeft om het goede te zoeken en te doen. Eenstemmig is het oordeel der reformatoren, dat zulk een vermogen bij den gevallen mensch niet is. Hij is onbekwaam tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad.
Uit deze dingen kan dus blijken, dat de Pelagianen in de eeuw der reformatie nog niet waren uitgestorven, maar veeleer den kop hadden opgestoken. En ook nadien heeft deze dwaling geen einde genomen. Zij draagt integendeel een algemeen karakter.
Indien er nog een vonkje overig is van het beeld Gods, zou het o.a. ook daarin kunnen worden gezien, dat de mensch nog schaamte heeft en ijvert voor zijn goeden naam en eer. Hij geeft daarin blijk nog eerbied voor eerbaarheid en deugd te koesteren.
Dit kan naar het oordeel van Calvijn slechts zijn oorsprong hebben in het feit, dat de mensch geboren is om gerechtigheid te oefenen. Daarin is het zaad der religie besloten.
Zoo wil de gevallen mensch nog wat goeds zijn en tot het goede bekwaam.
Dat alles verandert, zoodra men een open oog krijgt voor de waarheid der Schriften en leert verstaan, welk een verandering de val van den mensch heeft teweeg gebracht.
Maar daarin is dan ook mede de oorzaak aangewezen, waardoor de Pelagiaansche dwaling altijd weer opstaat en in tijden van kerkelijk verval zelfs de overhand neemt. Men kan haar gemakkelijk herkennen, wijl degenen, die daarmede bevangen zijn, evenals in de dagen van Pelagius en van de Dordtsche Synode, aanstoot nemen aan de leer der uitverkiezende genade.
Het ligt ook voor de hand, dat degenen, die deze leer tegenstaan en desondanks voor discipelen van Christus willen gelden, hun toevlucht moeten nemen tot andere leermeesters dan de apostelen en profeten. Zij dragen wijsgeerige leeringen in de kerk binnen, waarmede zij de waarheid vermengen, en indien de kerkelijke tucht niet bij machte is dit te keeren en uit te bannen, zal men spoedig ervaren, dat de zuivere leer in een hoek wordt gedrongen.
De geschiedenis van de kerk hier te lande en elders geeft daarvan een duidelijk bewijs.
Naar het beeld Gods geschapen te zijn, is de eere en de voortreffelijkheid van onze menschelijke natuur. Daaraan neemt de mensch geen aanstoot. Hij grijpt die eere gaarne aan, op gevaar af zich daarop te verheffen. Zijn hoogmoed kan zoozeer gekoesterd worden, dat hij zelfs Gode even gelijk, ja God wil zijn. Dat werd de aanleiding tot den val.
Desondanks tracht de menschelijke natuur nog altoos den verloren adeldom te handhaven, alsof wij nog alle voortreffelijke gaven bezaten, die eenmaal de heerlijkheid van Gods beeld mochten openbaren en kenmerken.
Nog poogt de mensch zichzelf te zien in het praalgewaad zijner schepping, alsof zijn ziel nog rechtschapen ware, het verstand gaaf en gezond, de wil vrij om het goede te kiezen, terwijl hij verblind is voor zijn waren toestand en voor het oordeel, dat op hem rust.
Maar daarom ook kan men niet verwachten, dat hij het voor een aangename prediking zou houden, welke hem komt aanzeggen, dat zijn voortreffelijkheid is verwoest en zijn adeldom erfelijk besmet door de zonde, wijl hij zijn oorspronkelijke gerechtigheid heeft ingeboet en onder het oordeel Gods verkeert.
Men kan zelfs niet verwachten, dat hij haar voor waarheid houdt en ter neder geslagen wordt, tenzij er een licht in zijn duisternis opgaat, waardoor hij het ook ziet, hoezeer het beeld Gods tot een mismaking is geworden.
Eerst dan wordt de verwachting afgesneden van hem, die meende van deze verwoesting nog iets goeds en Gode welbehagelijks te kunnen maken en de hoop gevestigd op den Middelaar Gods en der menschen, in Wien de heerlijkheid van het beeld Gods straalt in goddelijken luister.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's