WAT CALVIJN ONS LEERT
Van de Voorzienigheid Gods.
De eerste opmerking van Calvijn gaat tegen het Deïsme. Het Deïsme leert een God, die wezenlijk onderscheiden is van de wereld. In zooverre komt dit overeen met wat de ware religie ook belijdt.
De Deïsten gaan echter op die wezensonderscheiding eenzijdig door, zoodat van een algeheele scheiding tusschen God en wereld moet worden gesproken.
Radicaal genomen, zou dit tot een tweeheid God en wereld voeren, welke als zoodanig altijd geweest zou zijn, zoodat eenerzijds God en anderzijds de wereld hun beginsel in zich zelf zouden hebben.
Zoó radicaal redeneeren de Deïsten echter niet. Zij nemen een schepping der wereld door God aan.
God zou de wereld hebben voortgebracht en met krachten toegerust om haar voorts aan zich zelf over te laten.
Men heeft dat zeer werktuigelijk voorgesteld. Een horlogemaker, die een klok maakt, een ingenieur, die een machine bouwt e. d. g. beelden, moesten deze beschouwing verduidelijken.
De wereld zou dus gelijk zijn aan een machtig uurwerk, dat, door den grooten Bouwmeester des Heelals geconstrueerd en op gang gebracht, afloopt.
Men begrijpt, dat er van de almachtige en alomtegenwoordige kracht Gods, waarvan Zondag 10 van den Catechismus, die over de Voorzienigheid handelt, geen sprake is. Het Deïsme leert juist, dat God niet in de wereld tegenwoordig is.
De schepping der wereld wordt door de deïsten verstaan als een daad Gods eenmaal en zonder voortgang. Zij maken God tot een ,, momentanen" Schepper, om naar het Latijnsche woord, dat Calvijn gebruikt, te spreken, een Schepper voor èèn oogenblik.
God zou slechts één oogenblik Schepper geweest zijn, n.l. toen Hij de wereld in het aanzijn riep.
Het geloof leert Hem als een Schepper kennen, die van den beginne af schiep en nog schept en door Zijn voortdurende zorg onderhoudt.
Wij vestigen de aandacht op dit punt, omdat er in onze dagen door de z.g. Barhianen theorieën worden verkondigd over geloof en openbaring, die aan deze deïstische voorstellingen verwant zijn. Ook deze leeringen gaan uit van een radicale scheiding van God en wereld, welke men slechts doorbroken wil hebben door een daad Gods voor een oogenblik.
Het is daarom van belang er op te letten, dat Calvijn zulk een leer verwerpt. zijnde niet in overeenstemming met het Woord. Hij noemt dit profaan. De Christen onderscheidt zich van den profanen mensch daardoor, dat de tegenwoordigheid van Gods kracht ons niet minder in den voortdurenden staat der wereld dan in haar eersten oorsprong tegenglanst.
De Christen leert dus een voortdurende werking en tegenwoordigheid van Gods kracht in de wereld en niet maar een werking voor één oogenblik.
Calvijn stelt de tegenstelling heel scherp. Hij zegt: ook de ziel der goddeloozen worden door den aanblik van hemel en aarde gedwongen om zich tot den Schepper op te heffen, maar het geloof schouwt deze dingen op een bijzondere wijze, waardoor het God den vollen lof vanwege de schepping toebrengt.
Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods geschapen is. (Hebr. H vs. 3). Indien wij niet voortschrijden tot de Voorzienigheid Gods, kunnen wij niet recht verstaan, wat daarin ligt, dat God Schepper is, ook al begrijpen wij daar iets van en spreken wij dat met den mond uit.
Het natuurlijk (eigenlijk vleeschelijk) gevoelen, wanneer het zich de kracht Gods in de schepping eenmaal voorstelt, blijft daarbij staan, en wanneer het al verder doordringt komt het niet verder dan de beschouwing van de wijsheid, macht en goedheid van den Maker, welke uit de voortbrenging van zulk een werkstuk te voorschijn springen. In de onderhouding en regeering daarvan ontdekt hij slechts een generale werking, waarvan de beweging afhangt.
Het verstand meent ook, dat de goddelijke kracht, die er van den beginne in gestort is, voldoende is om alle dingen te ondersteunen.
Maar het geloof moet hooger opstijgen en verstaan, dat de Schepper van alle dingen ook de voortdurende Regeerder en Onderhouder der wereld is, die niet als een soort algemeene bewegende kracht de machine der wereld en haar onderdeelen in beweging houdt, maar door een bijzondere Voorzienigheid alle dingen, die Hij geschapen heeft, tot zelfs een muschje toe, onderhoudt, voedt en verzorgt.
David, over de schepping der wereld handelend, schrijdt onmiddellijk voort tot de ongebroken instandhouding der Voorzienigheid.
Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door den Geest Zijns monds al hun heir. De Heere schouwt uit den hemel en ziet alle menschenkinderen. (Psalm 33).
En al verstaan de philosophen wel iets van een verborgen kracht Gods, zij klimmen tot de kennis niet op, waaruit David spreekt, en waartoe hij ook de godvruchtige zielen opwekt: Zij allen wachten op U, dat Gij hun spijze geeft op zijnen tijd. Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze ; doet Gij Uwe hand open, zij worden met goed verzadigd. Verbergt Gij Uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt Gij hun adem weg, zij sterven en zij keeren weder tot hun stof, enz. (Psalm 104).
Deze psalm getuigt duidelijk van de voortdurende zorg van den hemelschen Vader voor het werk Zijner handen.
Voorts gaat Calvijn over tot een andere tegenstelling, die in zijn tijd velen ingenomen had en ook van ouds reeds door de menschen geleerd is, n.l. de voorstelling, als zou de wereld worden geregeerd door een noodwendigheid, fortuin of toeval.
Ook deze leer is in onze dagen geenszins overwonnen. De naturalisten, die de oorzaak der dingen in de natuur zelf zoeken, zoodat zij uit een aan haar eigenen drang zou voortkomen en daardoor worden voortgedreven, denken aan een wetmatig verloop, dat uit de innerlijke noodwendigheid der dingen zou worden voortgestuwd.
Het behoeft niet gezegd, dat zulk een beschouwing met alle .religie gebroken heeft. In zulk een leer is geen plaats voor God.
Zoo zijn er van ouds geweest, die aan een fortuin of toeval hebben geloofd, een zeker lot, dat nu eenmaal boven de wereld hangt en den loop der dingen bepaalt.
Calvijn wijst er op, dat men ten allen tijde zulke leeringen heeft aangehangen en klaagt zelfs, dat in zijn tijd het geloof in de Voorzienigheid daardoor werd verduisterd.
Men zal ook inzien, dat het Deïsme niet zoo heel ver van zulke gedachten afstaat, omdat het de wereld als een machine voorstelt, zoodat ook volgens deze beschouwing de wereld mechanisch verloopt.
Zonder twijfel verraadt zich in deze beschouwingen de invloed der classieke wijsbegeerte.
Al hetgeen ons overkomt in voorspoed en tegenspoed, alle wederwaardigheden des levens, zouden dus louter toevallig op onzen weg worden gesteld en aan de fortuin moeten worden toegeschreven en niet, zooals de reeds genoemde Zondag van den Catechismus ons leert, van Gods Vaderlijke hand ons toekomen.
Men kan intusschen verstaan, waarin men aanleiding heeft gevonden om deze dingen zoo uitvoerig en nadrukkelijk in den Catechismus op te nemen: dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijze en drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen niet bij geval, maar van Zijn Vaderlijke hand ons toekomen.
Het geloof in de Voorzienigheid Gods was zoó diep weggezonken onder de valsche voorstellingen van een toeval, dat de leeraren daarop in het bijzonder hebben gewezen.
Ook in onze dagen is dat niet overbodig. De moderne mensch is zoodanig gesterkt in machtsbewustzijn en zelfoverschatting, verwacht zoozeer van menschenwerk en menschenkracht, dat daardoor het geloof in de Voorzienigheid Gods niet minder is verduisterd dan in de dagen van Calvijn.
Wie onderwezen is door Christus — zoo gaat hij voort — dat de haren zijns hoofds zijn geteld, zal een hoogere oorzaak zoeken dan fortuin of toeval en voor zeker houden, dat de wereld geregeerd wordt door den verborgen Raad Gods. «
Maar hoe dan met de dingen, die geen leven hebben ? Calvijn bedoelt de zon, de maan en de sterren en de z. g. levenlooze natuur. Men behoeft niet te vragen, waarom ? Het schijnt toch, dat deze dingen een eigen kracht en werking hebben. Zoo komt het ons althans voor.
Calvijn antwoordt, dat zij instrumenten zijn in Gods hand, die daaraan vermogen instort en ze gebruikt en bestiert naar Zijn wil. Hij noemt als een bijzonder voorbeeld de zon en teekent de kracht en de werking, welke zij op de aarde uitoefent.
Om echter aan te toonen, dat ook de zon niet door eigen kracht dat alles doet, maar dat God dat alles werkt in en door de zon, vestigt hij de aandacht op het feit, dat eerst het licht werd geschapen en eerst later de zon. Voorts wijst hij op de wonderen, door de Heilige Schrift genoemd, waaruit men leert, dat de Heere den loop der zon in Zijn hand heeft. Bedoeld zijn Josua 10 vers 13 : „Zon, sta stil", en 2 Kon. 20 vers 11, toen de schaduw van de zonnewijzer tien graden terugweek.
Vervolgens wijst hij ook op de jaargetijden, die immer weer zoo veel verschillen, dat de eene lente geheel anders is als de andere en zoo ook met de overige jaargetijden. Wanneer dat alles naar een orde van noodwendigheid toeging, moesten alle jaren elkander volkomen gelijk zijn, wil hij zeggen.
Niet alleen de menschenwereld, maar alle dingen, ook de z.g. levenlooze natuur, de ordeningen des hemels en al wat er geschiedt is in de hand Gods. Zijn almacht regeert en bestiert al het geschieden en er is geen ding, dat zich tegen Zijn wil roeren en bewegen kan. Een Almacht dus, die altijd en voortdurend, wakker, werkzaam en in onophoudelijke bezigheid is, en niet een zeker algemeen beginsel van beweging, waarover in den aanvang werd gehandeld.
Met dit laatste teekent Calvijn wederom protest aan tegen de wijsbegeerte, die zich tevreden stelt met een beginsel, waarvan de beweging der dingen is uitgegaan. Dat kan een zeker rustpunt geven voor het menschelijk verstand en dan kan de eerste Beweger verder een Onbekende blijven, die desnoods in een rustige rust buiten de wereld verwijlt.
Het geloof echter kent een anderen God, een God van nabij, en kan niet toestaan, dat Hij zoodanig als een verwijderde en werkelooze godheid wordt onteerd, omdat het verstaat, dat Hij de wereld onderhoudt en als met Zijn hand regeert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's