STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE ZONDAGSWETGEVING (5)
(Slot).
Wanneer wij, zooals wij de vorige week schreven, aan de tegenwoordige Zondagswet de voorkeur geven boven een nieuwe Zondagswet, dan zeggen wij dit niet, omdat bij de eerstgenoemde wet de Dag des Heeren de zoo gewenschte en door de voorstanders van de Zondagsheiliging zoozeer begeerde wijding vindt. Want dat is in geenen deele zoo. Een aandachtige herlezing van de artikelen der toestaande Zondagswet, die wij in ons eerste stok over de Zondagswetgeving lieten afdrukken, zal dit duidelijk maken. Maar omdat het bij een gemengde bevolking, als ten onzent, een schier onmogelijke taak voor een Regeering is om een wetsontwerp voor te bereiden en samen te stellen, waarbij op het stuk van de handhaving der Zondagsrust verder zou worden gegaan, dan bij de vigeerende Zondagswet het geval is, natuurlijk onder het beding, dat het ontwerp van wet kans maakt in de beide Kamers der Staten-Generaal te zullen slagen.
De meeningen van de politieke partijen in het Parlement loopen daarvoor toch te ver uiteen.
Aan de eene zijde staan de politieke partijen — en wij willen de verschillende standpunten over de Zondagswetgeving nog eens onder de oogen zien — die van oordeel zijn, dat een groot deel der bevolking vermaken en ontspanning op den Zondag geoorloofd achten ; die geen bezwaar zien in verschillende uitingen van sport, van zangersfeesten, van optochten met muziek en dergelijken, aan welke niemand, naar zij zeggen, aanstoot kan nemen ; die reizigersvervoer op Zondag van veel belang achten, omdat beperking van dit vervoer er toe zal leiden dat aan de bewoners van de groote steden, die de geheele week in bedompte huizen en nauwe straten verkeeren, de gelegenheid benomen wordt zich daaraan Zondags te onttrekken door een deel van den dag in de vrije natuur door te brengen en die door het sluiten van de schouwburgen en andere publieke vermakelijkheden verwachten, dat velen afleiding zullen gaan zoeken in inrichtingen van minder verheven vermaak.
En aan den anderen kant vinden wij de politieke groepen, die in de Zondagsparagraaf van hun program schrijven : de Anti-Revolutionaire Partij : „dat de Overheid, ter vrijlating van den Dag des Heeren en alzoo mede in 's volks belang, zelve zooveel doenlijk in al haar vertakkingen op dien dag behoort te rusten" ; de Christelijk-Historische Unie : „bevordering van de Zondagsrust, door er tegen te waken, dat het karakter van den Christelijken rustdag zou verloren gaan" en de Staatkundig-Gereformeerde Partij : „de Overheid, die voor de naleving van de wet heeft zorg te dragen, is geroepen strafbaar te stellen de ontheiliging van Gods Dag".
Om nu deze verschillende inzichten met betrekking tot de Zondagswetgeving in een Zondagswet onder te brengen, is bij een parlementair stelsel natuurlijk onmogelijk. Er zou naar een compromis moeten gezocht worden, waarvan het gevolg zou zijn, dat de Zondagsrust niet tot haar volle recht kwam.
Daarom zal met een nieuwe Zondagswet niet datgene kunnen worden bereikt, wat de bestaande Zondagswet bij goede toepassing voor de Zondagsrust kan geven.
Met een nieuwe Zondagswet raakt de Zondagsrust achteruit.
Dit blijkt b. v. duidelijk uit de proeve van de nieuwe Zondagswet, welke door het Kabinet Ruys de Beerenbrouck bij Koninklijke Boodschap van 1 Mei 192i0 bij de Staten-'Generaal werd ingediend. Deze Zondagswet doorliep wel de geheele schriftelijke voorbereiding bij de Tweede Kamer, maar bracht het nimmer tot openbare behandeling. Ook al, omdat de voorstanders van de eerbiediging en handhaving van den Zondag als algemeene rustdag wel inzagen, dat het Regeeringsontwerp, wat de bevordering van de Zondagsrust betrof, bij de bestaande Zondagswet ten achter stond.
Want wel verbood de nieuwe Zondagswet in het belangrijke artikel 9, dat het op Zondag verboden was eenige openbare vermakelijkheid te houden, maar dit betrof dan den voormiddag, terwijl de bestaande Zondagswet bepaalt, dat geen opentoare vermakelijkheden worden gedoogd, dan na het volkomen eindigen van alle godsdienstoefeningen.
Het wetsontwerp Ruys liet den namiddag op Zondag vrij ; de gemeenteraad mocht bepalen, of er al dan niet openbare vermakelijkheden zouden plaats vinden. Hoe het dan op de Zondagmiddagen en avonden, vooral in de groote steden zou loopen, behoeft niet nader gezegd te worden.
Zoo de zaken staande, valt bij de van kracht zijnde Grondwet, waarin Artikel 112 bepaalt: ,,De Wetgevende macht wordt gezamenlijk door den Koning en de Staten-Generaal uitgeoefend, " d.w.z. dat dus ook het parlement bij de wetgeving recht beeft van medespreken, niet te denken aan de totstandkoming van een Zondagswet, die de voorstanders van Zondagsheiliging zou kunnen bevredigen.
Daarom is het maar het beste, dat aan de bestaande Zondagswet, die van 1815, wordt vastgehouden.
Als men vergelijkt met wat in andere landen, behalve dan in Engeland, alzoo op Zondag gebeurt, dan staat Nederland met zijn oude, doch nog niet verouderde Zondagswet er met de eerbiediging van den Zondag als rustdag nog niet zoo ongunstig voor.
Ons volk heeft de dure roeping om ter eere van den Naam des Heeren en ten bate van Kerk en Koninkrijk Gods met woord en daad de Zondagsrust te bevorderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's