De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

„In ’t Kerkgaan zit het niet”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„In ’t Kerkgaan zit het niet”.

7 minuten leestijd

„En, hoe staat hét met den kerkgang ? "
Het ligt voor de band, dat deze vraag, op huisbezoek zijnde, zoo hier en daar nogal eens gesteld wordt. In de meeste gevallen geeft ze immers aanleiding tot een dieper gaand gesprek. Terwijl het antwoord, dat hierop gegeven wordt, dikwijls direct al doét aanvoelen welke menschen we tegenover ons hebben.
Niet altijd is bet antwoord zoodanig, dat wij de conclusie daaruit kunnen trekken dat het, wat den uitwendigen kerkgang betreft, alles in orde is. Helaas komt het maar al te vaak voor dat wij ons genoodzaakt zien de menschen te wijzen op hun roeping om zich te stellen in den weg der middelen, waaronder toch zeker het opgaan naar Gods huis een voorname plaats inneemt.
En als bij afspraak klinkt dan telkens en telkens weer in dergelijke gevallen het ons tegen : „In 't kerkgaan zit het niet".
Wij hebben dit antwoord gehoord uit verschillende monden.
Nog zien wij ons staan in een vestibule — wij hadden niet 't genoegen, verder toegelaten te worden — waar wij te woord gestaan werden door een - beer, die vol zelfbewustheid uiting gaf aan zijn opinie dat hij de kerk best kon missen. Of hij dan geen behoefte gevoelde aan gemeenschap met hen, welke eenzelfde geloof belijden ? Och neen, die had hij niet. Maar afgezien hiervan, zoo vroegen wij, voelt u zich dan niet gedrongen om in het Huis des Gebeds de gemeenschap met God te zoeken ?
Daar had hij een andere gedachte over. Hij wist wat het was, zoo zeide hij, de gemeenschap met God, en zou dit ons even duidelijk maken. Wanneer straks de zomer aangebroken en de vacantie-tijd daar is, dan ga ik b.v. naar Zwitserland. En daar in Zwitserland, of in welk land ook, ga ik naar zulk een omgeving, waar geen gewoel van menschen is, doch waar alleen de natuur tot mij spreekt. Als ik dan gansch alleen mij begeef in de stilte der schepping, waar alles in paradijsachtige schoonheid mij omringt en door niets, maar dan ook niets afgeleid word, dan, dan gevoel ik het : hier ben ik in gemeenschap met God. God om mij en in mij. Zoo ziet u dus, om de gemeenschap met God te smaken, daarvoor heb ik geen kerk noodig, maar die vind ik in de natuur.
Zeker zou hij de dichtregels van Guido Gezelle tot de zijne maken :
O, 'k sta mij zoo geren te midden in 't veld, en schouwe in de diepten des hemels !
en die andere van denzelfden dichter :
Als de ziele luistert, spreekt het al een taal dat leeft, 't lijzigste gefluister ook een taal en teeken heeft : blaren van de boomen kouten met elkaar gezwind, baren in de sttoomen klappen luid en welgezind, wind en wee en wolken, wegeten van Gods hei'lgen voet, talen en vertolken 't diep gedoken moord zoo zoet als de ziele luistert.
We moesten 't hem toegeven dat het ruime hemelrond met blijden mond Gods eer en heerlijkheid vertelt en dat de held're lucht en het zwerk Gods werk verkondigen en Zijn beleid prijzen.
Maar de natuur, hoe schoon ook, vertelt u toch niets van Christus en den weg der verlossing, zoodat u daaraan toch niet voldoende heeft.
Hier stokte bij hem het gesprek. Wij moesten het hem niet kwalijk nemen, maar daarop ging hij liever niet in. Hij gevoelde de dingen heel anders aan en wilde daar niets van weten. Eenerzijds vond hij het jammer, dat zijn vrouw niet thuis was, want die was op dat punt beter onderlegd en zou ons daaromtrent zeker wel een boekje open kunnen doen.
Na nog even over en weer van gedachten gewisseld te hebben, gaf hij te kennen het te waardeeren dat wij hem opgezocht hadden en hij hiermede het onderhoud als beëindigd wenschte te beschouwen.
„In 't kerkgaan zit het niet". Deze woorden beluisterden wij ook van haar, die waarschijnlijk nooit de schoonheid van het Zwitsersche berglandschap heeft aanschouwd, zooals onze vriend, die wij u hierboven voorstelden. Haar gezichtskring blijft hoofdzakelijk beperkt tot het hofje, waar zij met haar man woont. Maar toch, wanneer zij in de lente ziet, hoe ook op het hofje alles weer uitbot, dan gelooft ze toch wel dat het God is, en Hij alleen. Die als Schepper aller dingen dat alles doet uitspruiten.
Als wij dan vragen, aangezien het volgens haar niet in den kerkgang zit, hoe bet met haar geestelijk leven staat, dan blijkt dat zij zich daarover geen zorgen maakt. Er wordt voor en na den maaltijd gebeden, maar dat is dan ook alles. Geen bijbellezing of wat dan ook.
Om nog één geval uit meerdere te noemen.
Het is een echtpaar, dat vroeger, zooals zij zelf ons meedeelden, getrouw ter kerk ging en daar bekende figuren wanen. Wie zal zeggen hoe het kwam, doch langzamerhand zijn ze gaan verachteren in het opgaan naar de kerk. Door allerlei omstandigheden hebben zij zich daarvan hoe langer boe meer laten terughouden en thans is het zoover gekomen, dat ze slechts één-of tweemaal per jaar (o.a. met Oudejaarsavond) naar de kerk gaan. Zij zijn echter, zoo haasten zij zich ons gerust te stellen, absoluut niet vijandig gezind tegenover de Kerk. Integendeel. Maar — en hier krijgen wij het weer te hooren : „In 't kerkgaan zit het niet". Ook hier blijkt intussohen van bijbellezing en onderzoek niets meer over gebleven te zijn. Is het te verwonderen dat met zulk een voorbeeld voor oogen, hun zoon, zooals zij ons meedeelden, niets voor godsdienst gevoelt? Snelle afloop als der wateren.
„In 't kerkgaan zit het niet".
Doet het ook niet. Althans niet in dien zin, dat met getrouwe kerkgang zonder meer, alles in orde zou zijn. Het is immers lang niet denkbeeldig, dat bij velen die geen kerkdienst overslaan, toch het ware geestelijk leven geheel gemist wordt.
Maar geven bovengenoemde voorbeelden niet het bewijs, dat wanneer het met den kerkgang niet in orde is, het als regel in-droevig gesteld is wat de geestelijke dingen betreft ? Dat zelfs de uitwendige vorm daar geheel gaat ontbreken.
Wanneer dan ook Christus' voorbeeld, Die naar Zijn gewoonte op den dag des Sabbaths naar de synagoge ging, niet nagevolgd wordt — wanneer in den wind geslagen wordt de opwekking van Gods Woord om de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten — dan moet dit ernstige gevolgen, zoowel voor de Kerk in haar openbaringsvorm als voor ieder persoonlijk, welke zich daaraan onttrekt, met zich medebrengen.
Daarom èn terwille van de Kerk èn van hen die afdolen of zouden afdolen, weerklinke tegenover het satanische : , In 't kerkgaan zit het niet", de opwekking des Evangelies, maar óok de ernstige waarschuwing, dat wie het bloed van Jezus Christus onrein acht en den weg der van God ingestelde middelen moeden vrijwillig links laat liggen, het ergste heeft te vreezen.
Worde dit geklank niet alleen gehoord in de samenkomst der gemeente, maar klinke en dringe het ook dóór tot in de woningen en harten van hen, die zich aan die samenkomsten hebben onttrokken en die het uitspreken : ,,In 't kerkgaan zit het niet".
Opdat er door de drijving des Geestes steeds meer stemmen den psalm mogen meezingen, die in alle plaatsen, tijden en eeuwen heeft weerklonken en nog niet is verstild :
Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt; zie wij staan Gereed om naar Gods huis te gaan ; Kom, ga met ons en doen als wij, Jeruzalem, dat ik bemin. Wij treden uwe poorten in ; Daar staan, o Godsstad, onze voeten. Jeruzalem is wèl gebouwd. Wel saamgevoegd ; wie haar beschouwt. Zal haar voor 's Bouwheers kunstwerk groeten.
En het in dien weg tot waarheid worde :
Maar gij zijt gekomen tot den berg Zion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der engelen ; tot de algemeene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in den hemel opgeschreven zijn en tot God, den Rechter over allen en de geesten der volmaakt rechtvaardigen, en tot den Middelaar des nieuwen testaments, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.

X.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

„In ’t Kerkgaan zit het niet”.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's