MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever S. H. Kok te Kampen
„Ik ben het met den baas volkomen eens", zei Jurjen, „en Griet zegt ook : Als het dezen kant langer opgaat, dan loopt het verkeerd ; wij moeten wat anders hebben".Een oogenblik van stilte volgde. Elk scheen even na te denken over dat „andere", waarvan Jurjen gesproken had, zonder dat hij misschien zelf in woorden brengen kon, wat hij bedoelde, 't Ging niet zoo gemakkelijk, te zeggen, wat innerlijk gevoeld werd.
Toen nam oude Keimpe het woord.
„’k Ben nu bijna vijf en zeventig jaar", aldus begon hij met zware stem, „meer dan veertig jaar lang ben ik hier doodgraver geweest en een heel geslacht is door mij ten grave gebracht. Rijk en arm, jong en oud, heer en knecht, liggen daar bij elkaar, en voor allen heb ik een plaats gemaakt, waar zij rusten kunnen. En toen ik eenige maanden geleden onzen vorigen dominé een woning maken moest, heb ik tegen mij zélf gezegd': kon je d'r nu ook maar één voor je .zélf maken, want nu de herder gevallen is, zullen de schapen van de kudde verstrooid worden. Hij was een man, die niet gemakkelijk door een ander vervangen wordt. Ik alles altijd dezelfde en in al zijn werk getrouw. Wij kenden elkaar op een prik, ook al, omdat wij veel met elkander in aanraking kwamen op het kerkhof. Ik ben nog van den ouden stempel en hoop dat ook te blijven. Lang zal ik er niet meer wezen, maar in den tijd, dien ik er nog ben, hoop ik mijn plicht te vervullen, zooals dat behoort".
Hier rustte Keimpe even, omdat hij den draad van zijn betoog dreigde te verliezen en bijna vergat, wat hij bedoelde te zeggen. Daarna vervolgde hij :
„De nieuwe dominé's zijn anders dan de oude. Dat komt van den tijdgeest, waardoor hun studie heel anders is dan vroeger. Ds. Lauwers is een nieuwlichter. Hij doet mij denken aan de vlinders, die bij mooie dagen op het kerkhof van de eene bloem naar de andere fladderen en pret maken, zonder zich te bekommeren om de dooden, die daar slapen. Maar een mensch is géén vlinder en als hij sterft, gaat er méér heen. Daar staat geschreven : „Het is den menschen gezet, eenmaal te sterven en daarna het óórdeel". Ik vind, dat de dominé daar meer over spreken moest, en wat het beteekent, dat op zoovele grafsteenen te lezen staat : „Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid en hunne werken volgen met hen".
Weer werd het stil. Zóó had nog geen van allen gesproken. Dat dit in ouden Keimpe zat! Velen beschouwden hem als 'n ouden brombeer, die met alles en nog wat overhoop lag en alleen maar oog en hart voor de dooden had, die hij verzorgen moest. Nu bleek het, dat in dien ouden man nog meer omging, dan iemand wist.
Zelfs voor Murk was dit woord een verrassing. Tot hiertoe had hij gezwegen, om te weten wat eigenlijk de anderen bedoelden ; en 't geen tot hiertoe gezegd was, had hem geen hoogen dunk gegeven van de heerschende ontevredenheid over het kerkelijk leven, alleen Keimpe gaf uitdrukking aan datgene, wat ook in hem, leefde. Opnieuw gevoelde hij, hoe lichtelijk onheilig vuur op het altaar werd gebracht, en. hoe uiterst voorzichtig diende opgetreden, om. geen strijd te ontketenen, die wel een godsdienstig karakter kon dragen, maar opnieuw oorzaak zou worden van veel verdeeldheid op het christelijk erf, waardoor reeds menige kerk en menige torenspits, die driest omhoog stak, meer een aanklacht was tegen de „bouwlieden", dan een openbaring van den Geest van Christus.
Deed hij werkelijk wel goed met hedenavond hier in dit gezelschap te zijn en gingen de besprekingen tot hiertoe wel in een richting, van welke met zekerheid verwacht kon worden, dat de Heere Zijn zegen daarover gebieden zou ? Eerlijk gezegd, hij had iets anders verwacht en gehoopt. Tot het woord van den doodgraver hem bemoedigde en vrijmoedigheid gaf, om ook iets te berde te brengen.
„Als het den vrinden goed is, wil ik mijn meening ook wel kenbaar maken", begon hij. „Men weet allen wel, wie ik voorheen was en wat ik nu ben. Ik bedoel, wat het geestelijke aanga, at. Eens stond ik met beide beenen in de wereld en diende haar volop, maar de Heere heeft mijn oogen geopend, zoodat ik bij het Kruis van Golgotha vergeving en verzoening gezocht en gevonden heb. Dit hebben wij allen noodig en daar komt het in de eerste plaats op aan. Zóó zegt de H. Schrift 't en dat is de nood van elk menschenhart en dat moet ook gepredikt worden in het midden der gemeente. Dat is de dure roeping van eiken prediker en daarover heb ik ook met den dominé gesproken. Want het gaat niet over zijn persoon, maar over zijn arbeid, en wat hij de gemeente brengt. Den persoon moeten wij geheel uitschakelen, elk mensch heeft zijn eigenaardigheden, óók zijn fouten en gebreken, maar daar gaat het niet om. 't Gaat om de Waarheid en dan niet om een stuk daarvan, maar om de volle Waarheid. En nu spijt het mij, meer dan ik zeggen kan, maar voor deze heeft ds. Lauwers nog geen oog. Wij kunnen hem dat licht ook niet geven, dit is Gods werk; wij kunnen alleen voor hem bidden of hij dit ook ontvangen mag en voorts overwegen, wat nu voor de gemeente dient gedaan te worden, om haar in de gelegenheid te stellen te ontvangen, wat zij noodig heeft. Dat is de hoofdzaak en daar gaat het om, . Al het andere is bijzaak en behoort op den achtergrond geplaatst te worden".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's