KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE EERSTE DAG DER WEEK
Wij zouden als vervolg op ons artikel : „De Sabbath in de Heilige Schrift" (zie no. van, 19 Mei j.l.) nog iets laten volgen over : „Den eersten dag der week als Sabbath" ; en wel aan de hand' van wat prof. dr. H. Bouwman schrijft in zijn Handboek over : Geref. Kerkrecht (deeln, bk. 465—498).
De Sabbath is voor den mensch een kostelijke weldaad voor het natuurlijke leven, en tevens een zegen voor zijn geestelijk leven. De mensch mag niet mede gesleurd worden door de rustelooze golving van het voortgejaagde leven. Op den sabbath moet de worstelende mensch tot herademing komen. Maar meer nog, moet hij op den rustdag herinnerd worden aan zijn levensroeping in den dienst des Heeren, en zijn eindbestemming, om te verwachten de rust die er over blijft voor het volk van God. Hiervoor is Christus, de groote Rustaanbrenger voor allen die gelooven, de verdienende oorzaak, de bron en dé verzekering. En daarom kan het ook geen oogenblik verwonderen, dat de Geméénte des" Nieuwen Testaments aanstonds spontaan den eersten dag der week, den opstandingsdag van den Verbonds-Middelaar, als rustdag heeft gekozen en gehandhaafd.
De gemeente weet al haar heil in de verlossing door Christus aangebracht en als een kind des Vaders staat zij nu, als het Jeruzalem dat vrij is (Gal. 4 : 26 ; Hebr. 12 : 22), met haar geestelijke offerande, dat is de ware godsdienst (Rom. 12 : 1; Fil. 4 : 18). Wat van Israël verloren is gegaan, is alleen het vergankelijke en het tijdelijke, de uiterlijke vorm, maar het wezenlijke is voor Christus' gemeente, die haar Hoofd in den hemel heeft, gebleven. Zij is nu in waarheid de erfgename der belofte.
„Het spreekt vanzelf" — aldus prof. Bouwman (iblz. 471) — „dat de oude bedeeling naar den vorm nog wel lang bleef nawerken, maar zij is rechtens afgeschaft, omdat Christus de Wet en de Profeten volkomen heeft vervuld. Daaruit wordt ook de praktijk der Apostolische Kerk verklaard. De Apostelen, in het voetspoor van Jezus tredende, bleven ook na de Hemelvaart op Joodsche wijze leven. Alle dagen gingen zij op naar den tempel (Hand. 2 VS. 46 ; 3 VS. 1 ; 21 vs. 26). Zij bezochten de Synagoge (Hand. 9 vs. 2 ; 15 vs.. 21), maar met eene andere levensbeschouwing, wijl zij geloofden in Christus, die de Wet had vervuld, en een volkomen verzoening had teweeg gebracht. Ook de Joodsche Sabbath werd in den eersten tijd onderhouden. Maar terstond na de Hemelvaart gingen zij niet alleen op den Sabbath op naar den tempel, maar zij kwamen dagelijks samen in een eigen vergaderlokaal om brood te breken en den Heere te prijzen. Onder al die dagen, bekleedde de eerste dag, de dag des Heeren, de eerste plaats. De Zondag was geheiligd door de opstanding van Christus, en was daardoor de dag der vreugde des geloofs. Jezus Zelf verscheen op den dag der Opstanding en acht dagen daarna bij vernieuwing in het midden der discipelen.
Evenwel heeft de gemeente in Judea steeds de Joodsche Sabbatten en ceremoniën, zelfs de besnijdenis, bijgehouden (Hand. 18 : 18 ; 21 : 20 ; Gal. 2). Zij hoopte nog op de bekeering van het Joodsche volk. Er waren onder de Christenen te Jeruzalem nog ijveraars voor de wet. Zelfs Paulus schikte zich in Jeruzalem geheel naar de Joodsche ceremoniën, maar onder de heidenen was zijn houding anders. De Christenen uit. de Joden, die den Sabbath wilden onderhouden, berispte hij niet (Rom. 14 vers 5), hij, noemt alle dagen gelijk, en zegt, dat de Sabbath als de dag geen voorkeur heeft boven een anderen dag. Maar als de Galatiërs den zevenden dag verhieven boven den eersten dag en in het onderhouden van de Joodsche feestdagen een beginsel zagen, dan trad hij waarschuwend op, en sprak dat zij, zich keerende naar de arme eerste beginselen der wet, gevaar liepen Christus te verloochenen (Galaten 4 vers 9, 10).
Wanneer Paulus zegt, dat alle dagen even gelijk zijn (Rom. 14 vers 5, 6), dan stelt hij niet de werkdagen als het niveau, waartoe de sabbath moet worden gedégradeerd, maar omgekeerd, dat alle dagen tot den. sabbath moeten worden opgeheven. Wij hebben nu geen sabbath meer, die staat naast onheilige wenkdagen, maar wij moeten alle dagen rusten van onze zondige werken en alzoo den hemelschen sabbath in dit leven aanvangen. Geen enkele dag, ook niet de Zondag, heeft inklevende waarde boven de andere dagen, waardoor hij als dag een geheel ander karakter zou dragen".
„Is er dan geen onderscheid meer ? " — zoo vraag prof. Bouwman. „Zeker, is er onderscheid. In de eerste plaats, omdat de eerste dag der week geheiligd en afgezonderd is tot den dienst Gods door de opstanding van Christus. Paulus /egt (1 Cor. 16 : 2) : „Op elken eersten dag der week legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welvaren verkregen heeft". Het vermelden van het feit, dat Paulus deze gave verbindt aan den Zondag, kan moeilijk 'n andere beteekenis hebben dan dat de gemeente gewoon was op den Zondag tot dien dienst Gods samen te komen.
In Troas kwam de gemeente op den eersten dag der week samen (Hand. 20 vers 7). Niet, omdat Paulus er juist was, want hij was er zeven dagen achtereen. De zevende dag wordt hier zelfs niet genoemd, en het is dus opmerkelijk, dat het hier opzettelijk vermeld staat, dat dé discipelen óp den eersten dag bijeengekomen waren om brood te breken. In Openbaring 1 vers 10 wordt ook de dag des Heeren genoemd als een dag bij uitnemendheid. Hier is geen sprake van een in den geest, of in visionairen toestand verplaatst worden op den oordeelsdag, want de jongste dag wordt in de Openbaringen anders genoemd. Hier wordt niet anders bedoeld dan de dag, die in nauwe betrekking tot Christus staat, op welken Hij is opgestaan, de Zondag.
Hieruit blijkt, dat de eerste dag der week of de Zondag in het Nieuwe Testament als een bijzondere feestdag, gewijd aan de Opstanding van Christus, gevierd werd en dat de gemeente dan samenkwam om den Heere te dienen in de vergadering der geloovigen.
Het is waar, dat aan de viering van den eersten dag als rustdag geen stellig gebod des Heeren, en evenmin een rechtstreeksch voorschrift van de Apostelen ten grondslag ligt. Maar de Heere heeft dit niet noodig geacht. Hij heeft der gemeente gegeven den Geest der vrijheid en des lichts, opdat deze aan haar den vollen schat der verlossing zou deelachtig maken en bewust doen worden. Evenmin als Jezus van Zijne discipelen geëischt heeft dat.zij met den tempeldienst zouden breken, en de besnijdenis en het offer niet meer zouden houden, doch wel Zijne discipelen inleidde in de dingen van Zijn Koninkrijk, en alles zóó leidde, dat de windselen van den schaduwdienst allengs los gingen en de gemeente geheel vrij werd van het omhulsel, dat het wezen der Nieuw-Testamentische bedeeling verbergde, — zoo is het ook gegaan met de omzetting van den Sabbath. De Heere liet Zijne gemeente zien, dat de Sabbath niet meer predikt het heil, dat verworven moet worden, maar dat het werk der verlossing volbracht is. De dag van Christus' opstanding is de dag der blijde verlossing, waarop de Zaligmaker is ingegaan in de rust. En wijl de gemeente haar leven heeft in Christus, leeft uit Zijne verlossing, gaat zij ook in het organisme der dagen uit van den Zondag, die gesteld is als (uitgangspunt van de dagen der week. Daarom toornde de apostel Paulus zoo tegen het Judaïsme, niet slechts op het punt van de besnijdenis, maar ook wegens het vasthouden aan den Joodschen Sabbath, omdat dit was een miskennen van de genade van Christus. (Gal. 5 vers 1, 4 ; 6 vers 14).
ONZE KERKSTRIJD IS DE STRIJD OM DE BELIJDENIS
Mr. Groen van Prinsterer was wel een vriend van de Afgescheidenen, maar is nooit met de Afscheiding meegegaan. Hij heeft de maatregelen die tegen de Afgescheidenen getroffen werden als jurist en als Gereformeerd voelend kerkelijk man veroordeeld, maar hij heeft zich niet bij de Afgescheidene of Christelijk-Gereformeerde Kerk gevoegd. Hij was Hervormd en is in de Hervormde Kerk gebleven, hoewel hij wist en met heel z'n ziel betreurde, dat de Hervormde Kerk vele van haar getrouwe kinderen onrechtvaardig behandelde en vriendelijk de hand hield boven de hoofden van hen, die de Hervormde belijdenis gram waren.
Onvermoeid heeft Groen zich verzet tegen de Synodale besturen-organisatie en de inzet van zijn strijd was daarbij de belijdenis, het Wettig eigendom der aloude Hervormde Kerk. Die belijdenis werd over heel de linie bestreden, verkracht, geloochend, verworpen en mr. Groen van Prinsterer vroeg over héél de linie erkenning, waardeering, onderschrijving, instemming, verdediging, handhaving van die belijdenis, het wettig eigendom der Kerk en het eenige middel voor de Hervormde Kerk om als Kerk te staan in het midden des volks en haar licht te doen uitstralen over alle terrein des levens.
De belijdenis drukt het karakter en den geloofsinhoud der Kerk uit en is de gemeenschapsband der geloovigen, die niet als losse individuen naast elkaar, maar als geloofsgemeenschap met elkaar hebben te leven. De Kerkgemeenschap rust in de geloofsgemeenschap, en de geloofsgemeenschap uit zich in de geloofsbelijdenis en schaart zich rondom de confessie, met een Kerkorde, die naar de beginselen der belijdenis is opgesteld.
In die belijdenis immers heeft de Kerk in deze zondige wereld, bij den strijd tusschen waarheid en leugen, uitgesproken wat zij gelooft op grond van Gods Woord ; en omdat zij Gods Woord liefheeft, heeft zij haar belijdenis lief ; omdat izij bij Gods Woord wil leven en blijven leven ab Kerk, wil zij uit haar belijdenis leven waarin zij welbewust de Waarheid Gods, naar Zijn Woord, uitspreekt, zijnde „het lied haars geloofs". Geen brandstapel kon haar oudtijds van dat geloof en die belijdenis afbrengen. Liever alles varen laten, dan haar geloofsbelijdenis verzaken. „Zouden we zulk een groot kwaad doen, en zondigen tegen God" ?
Door de noodzakelijkheid van haar geloof tot openbaring te brengen en de Waarheid Gods, die tot zaligheid is, te belijden met en onder elkander (ook tegenover de wereld en ten behoeve van de kinderen), zijn de kerkelijke belijdenisschriften ontstaan. Geen kerkelijk geloof, geen kerkelijk belijden, zonder gelootsbelijdenis en belijdenisschriften. Zoo is oudtijds ontstaan de Apostolische geloofsbelijdenis in 12 artikelen, om kort en duidelijk saamgevat, het geloof der Christelijke Kerk tot openbaring te brengen en tegen leugenleer en dwaling te verdedigen. Zoo is de Confessie van Nicea (325), door de loochening van de godheid van Christus door Arius, ontstaan. Zoo heeft de oude Christelijke Kerk de Geloofsbelijdenis van Athanasius, in 44 artikelen gekregen, om nader haar geloof tot openbaring te brengen in betrekking tot het Drieeenig Goddelijk Wezen. Neen, men had niet het recht met Paulus van Samosata, bisschop van Antiochië, 't persoonlijk bestaan van den Zoon en den Heiligen Geest te ontkennen, met Arius de godheid van Christus te loochenen ! Ook moest de Kerk haar woord laten hooren tegenover de loochening van Pelagius inzake de zonde des menschen en zijn gevallen natuur, leerende dat de mensch geen erfzonde heeft, niet in zonde en ongerechtigheid geboren wordt en een vrijen wil ten goede heeft. Op de Synode van Carthago, 412, heeft zij haar belijdenis dienaangaande doen hooren, met veroordeeling van de Pelagiaansche leugenleer, vol humanistische beginselen, waardoor de gave, brave, deugdzame mensch op een voetstuk werd geplaatst en gemaakt werd tot een bewerker van zijn eigen zaligheid. Over Nestorius, die geenszins een geestverwant was van Arius, maar de goddelijke en menschelijke natuur van Christus vaneen scheidde, heeft de Kerk haar veroordeelend vonnis uitgesproken op de Synode van Efeze, 431. En zij heeft Eutyches vanwege de vermenging van de twee naturen van Christus, in 451, op de Synode van Chalcedon, van de bediening in de Kerk vervallen verklaard.
In dien weg voortgaande en aan dat beginsel getrouw heeft de Hervormde of Gereformeerde Kerk van Nederland op de Synode van Dordt 1618/19 de Remonstranten veroordeeld, die in den geest van Pelagius, het welwillend geloof van den mensch tot grond maakten van hun zaligheid, welk kerkelijk oordeel, zijnde een veroordeel, vervat is in het laatste van de drie Formulieren van Eenigheid, die de Gereformeerde Kerken alhier als hun geloofsvaandel hebben opgeheven, belijdende dat hierin haar geloof aangaande de goddelijke waarheden tot uiting kwam, welke geloofsbelijdenis het accoord der gemeenschap was in het midden der Nederduitsche Hervormde of Gereformeerde Kerk.
In haar belijdenis heeft de Kerk vanouds, ook de Gereformeerde Kerk in de 17de en l8de eeuw, het gemeenschappelijk geloof tot uiting gebracht, daarmee veroordeelende en bestrijdende allerlei onschriftuurlijke leeringen. En het is de vloek van de Synodale Besturenorganisatie, dat de Hervormde Kerk, die haar belijdenis had en gehouden heeft, feitelijk nu niet naar haar belijdenis omziet, omdat sinds 1816 het liberalistisch beginsel van de valsche vrijheid tot heerschappij is gebracht, onder de leuze, dat de Kerk een „Vereeniging van elk wat wils" moet zijn, waar de verdraagzaamheid eischt, dat er geen gemeenschappelijk belijden zal zijn, met een kerkelijke confessie als accoord van levens- en geloofsgemeenschap, maar dat er zal zijn de persoonlijke overtuiging van den een, die evenveel waarde heeft als de persoonlijke overtuiging van den ander ! Want anders, zoo zegt men, komt er een kerkelijke tyrannie. Waarbij men voor de geestelijke anarchie en de tyrannie van den een over den ander, naar 't schijnt, geen oog heeft. De belijdenis mag geen gezag hebben, en ieder mag doen wat goed is in eigen oogen, wat een verkrachten van de Waarheid geeft over héél de linie, op den kansel, in de catechisatiekamer, in de bediening des Woords, der Sacramenten en der gebeden, evengoed als bij het huisbezoek en in de ziekenkamer. Geestelijke en kerkelijke vrijheid, dat in de practijk geestelijke en kerkelijke bandeloosheid is.
Het systeem van de Synodale besturenorganisatie is dan ook om met de belijdenis geen rekening te houden en alleen maar acht te geven op de Reglementen. Het menschelijk woord dat in en door de Reglementen spreekt is de basis en de autoriteit. Voor een kerkelijk oordeel maar Schrift en belijdenis is geen plaats onder ons, omdat de Synodale Besturenorganisatie alles beheerscht vanaf den Kerkeraad tot in de Synode, het allerhoogste en eenigst lichaam, dat wat te zeggen heeft onder ons.
Ds. Moorrees, van Wijk bij Heusden, heeft het in de dagen van mr. Groen van Prinsterer, toen tal van adressen aan de Synode — en ook aan de Gemeenten — gezonden en geschreven werden, zoo snedig opgemerkt (in het jaar 1841) toen hij het zóó aan zijn Hervormde geloofsgenooten voorlegde: Onze Gereformeerde Kerk is niet meer wat de oude Gereformeerde Kerk was, toen deze in haar Synode te Dordt ten jare 1618—'19 samenkwam, en haar belijdenis vastgesteld heeft. „Niet slechts is het Kerkbestuur veranderd en in de handen van eenige weinigen overgebracht, die zonder af te hangen van de gemeenten en hare opzieners, aan de geheele Kerk de wet voorschrijven ; maar ook zijn door de Synode geheele boekdeelen van Wetten en reglementen gemaakt, waaraan elk
verplicht wordt zich te onderwerpen. De Liturgie, Formulieren van Doop en Avondmaal, zijn als niet meer verbindend voor Leeraars, om dezelve woordelijk te gebruiken, verklaard ; zoodat elk leeraar desverkiezende zijn eigen formulier kan voorlezen, al ergert en stoot zich daaraan de geheele gemeente. Het Formulier, hetwelk door aankomende Leeraars moet onderteekend worden, volgens de verordening van de Synode van Dordrecht met dat echt christelijk doel, om de zuiverheid der leer in de Kerk te bewaren, alle twist, tweedracht en scheuring voor te komen en het indringen der gevaarlijke dwalingen, die in 't verdorven menschelijk hart tegen de waarheid zoo overvloedig opkomen, te verhinderen, is veranderd in zoodanig een Formulier, waaraan ieder naar (zijn welgevallen een zin kan geven, zoodat het echt christelijk doel van de Synode van Dordrecht, geheel is verijdeld en de deur openslaat voor alle ketterijen, zonder dat de gemeente of hare opzieners ter wering der ketterij iets ondernemen kunnen"
En mr. Van der Kemp schreef in zijn : „De eer der Nederlandsch Hervormde Kerk gehandhaafd", van de Synode, dat zij hare residentie gekozen had in het land van Laodicea, dat zij met geen mogelijkheid koud of heet te krijgen is. „Zij is voor elke aanklacht, die van de zijde der rechtzinnigen komt, om handhaving der waarheid, doof gelijk een adder, en stom gelijk het graf. Maar zij betoont vogelen-vlugheid als het om bescherming van de leugen en hare dienaren te doen is. Geen wonder. Wat kan men van een klagen over den Paus, bij den Paus zelf verwachten ? Of zal de Anti-christ den Antichrist en de Satan den Satan verbannen en uitdrijven ? "
Dit laatste, om de Synode „de anti-Christ" te noemen enz., heeft mr. Groen van Prinsterer nooit gedaan. Maar wat hij wèl altijd gedaan heeft is dit : hij heeft de Synodale besturenorganisatie veroordeeld als een „staatscreatuur" en als in strijd zijnde met de historie en het wezen der Kerk en hij heeft zich op het standpunt van de belijdenis geplaatst, om te vragen, dat de belijdenis weer in de Kerk tot eere zou komen over heel de linie : in de Kerk, en niet minder ook bij het Hooger-en lager onderwijs. Want overal vond hij, op den kansel en in de leerkamer, de ongeloofssofisterij, waarbij de Waarheid Gods geloochend en bestreden werd. En zoo werd de Kerk van haar wettig eigendom beroofd, zoo werd in het huis der Vaderen hét brood der kinderen geroofd en door vreemden en indringers werd steenen voor brood gegeven, ondier bescherming van de besturen, vooral van de Synode, die naar de belijdenis der Kerk niet omzag en altijd gram was tegen degenen, die voor de belijdenis opkwamen.
Groen dacht er niet over, waar hij het recht der Hervormde Gezindheid verdedigde, gebaseerd op de belijdenis, het huis te verlaten voor de indringers. „De bewustheid van het goed recht is geen reden om voor onrecht en miskenning te wijken", schreef hij. En hij hield er aan vast, dat de belijdenis gehandhaafd moest worden.
„De vraag is" — zoo schreef hij — „of de Christelijlke Kerk een genootschap is, zonder onveranderlijkheid van grondslag ; waarin dagelijks bij overeenstemming de geldigheid van een nieuwe leer of van elke leer bepaald wordt ; dan wel, of zij is een instelling Gods, gevestigd op waarheden, wier aanneming, door alle tijden heen, den band der geloovigen, het wezen der gemeente, de éénheid der Kerk vormt".
En dan spreekt Groen altijd van het wezen en de hoofdzaak der belijdenis. Dat deed hij op schoolgebied (de Statuten van de Vereen, van Christelijk Nationaal Sohoolonderwijs spreken ook van de voornaamste reformatorische waarheden des geloofs) en daarvan sprak hij op kerkelijk gebied (b.v. in het Recht der Herv. Gezindheid VI, VII). Hij zegt : Het gaat om de vraag, of de handhaving van de hoofdzaak des christelijken geloofs vereenigbaar is met het opdringen van leerstellingen, gelijk thans in de Ned. Hervormde Kerk worden gedreven, als daar zijn : dat de bijbel een menschelijk boek is, niet Gods Woord, doch waarin Gods Woord gezocht wordt ; dat de Zone Gods niet God, maar een schepsel naast God is ; dat de Heilige Geest bij persoonsverbeelding van den Vader en den Zoon wordt onderscheiden ; dat er ter verlossing van zondaren geenerlei voldoening aan Gods strafeischende gerechtigheid vereischt werd, enz."
Groen zegt verder : „De Kerk heeft de waarheden in haar symbolische Schriften vervat, niet aangenomen, omdat ze in de Formulieren staan, maar zij staan in de Formulieren, omdat de Kerk ze met Gods Woord overeenkomstig acht". „Het metaal is geen goud, (omdat het gekeurd is, maar omdat het goud is, wordt het gekeurd." Zoo wil de Kerk haar geloof uitspreken, omdat hét overeenkomstig de Schriften is en wil daarom, dat haar belijdenis onderteekend zal worden.
Aan het adres van hen, die van belijdenisschriften niet wilden weten en dan zeiden dat het alléén om den Bijbel moest gaan in de Kerk, schreef Groen : „Gij wilt, ook wanneer het de rechten van de Kerk geldt, geen toetssteen dan .de Heilige Schrift. Weet gij wat het onmiddellijk gevolg is ? Dat er geen erkende belijdenis van allen, geen geloofsgemeenschap, geen gemeente, geen Kerk — dat er een vereeniging van menschen is, ter vereering van een onbekenden God ; dat er een chaos van gevoelens, een spraakverwarring, een Babel der meeninigen is". Groen zag dat zulke menschen eigenlijk niet anders wilden dan „de wettiging van den onwettigen toestand van de Kerk." Men wilde „een vrijbrief voor het ongeloof in de Kerk" en men wilde, dat de toestand van onrecht normaal zou worden geacht. Groen zag wel, dat de terzijdestelling van de Formulieren en de Symbolische geschriften de ontbinding der Kerk waren. „Het prijsgeven van de Formulieren is het prijsgeven van de Kerk in haar tegenwoordigen vorm". (Het Recht der Hervormde Gezindheid, blz. 95).
De Kerk en haar belijdenis behooren bij elkaar.
En het recht van de Hervormde Gezindheid is het recht van de belijdenis, — gelijk het recht van de belijdenis het recht van de Hervormde Gezindheid is.
18 Augustus 1848 legde Groen in een vergadering te Amsterdam, van Predikanten, kerkeraadsleden en gemeenteleden, dit getuigenis af (300 man waren bijeen !) :
„Dat vrije verkondiging van elke leer in de Nederlandsche Hervormde Kerk, met de slooping der Kerk gelijk staat. Dat haar bestaan onafscheidelijk is van de handhaving der waarheden, waarop de Christelijke Kerk ten allen tijde gerust heeft en dat deze eigenaardige ondergeschiktheid (aan die christelijke waarheden) de voorwaarde van christelijke vrijheid en van christelijke wetensohap is,
Dat de leer der Nederlandsche Hervormde Kerk uit haar levensgeschiedenis en Belijdenisschriften overbekend is, en dat haar leden op dien grond recht hebben de erkentenis en handhaving te vragen der kenmerkende waarheden, door wier verloochening de eigenaardigheid van haar bestaan, als Hervormde, Protestantsche, Christelijke Kerk teniet gaat".
In een vergadering van gemeenteleden van Den Haag werd 2 October 1848, in aansluiting aam de verklaring van de Amsterdamsche vergadering (18 Aug. 48) een adhaésiebetuiging opgesteld, waarin o.a. stond :
......2, dat zij met geen ontijdig en overdreven nauwgezetheid aandringe op onvoorwaardelijke handhaving van eenig Formulier; maar dat zoo de vraag omtrent verbindende kracht en al dan niet verbeterbare inhoud der Symbolische Schrift, een onderwerp is van latere zorg — de gemeente in elk geval recht heeft op eerbiediging van de hoofdzaak en het wezen der Kerkleer, zooals die uit de gansche geschiedenis der Kerk, evenzeer als uit haar Belijdenisschriften, overbekend is".
In Den Haag en in heel ons land ging het voor Groen en zijn geestverwanten om het recht der Kerk, het recht der belijdenis, het recht der Hervormde Gezindheid uit te spreken en te verdedigen, tegenover „den toenemenden overmoed, waarmee, in prediking en onderwijs, dat recht „miskend werd", tegenover „de ergerlijke daden der Synode" ; tegenover „de verloochening van de Kerkleer in de Kerk door de Kerkeraden" tegen „het optreden van Hoogleeraren, bekend als woordvoerders eener school, welke in de onfeilbaarheid der Heilige Schrift, in de Godheid des Heeren, en in de uitdelging der schuld door het bloed des kruises, de grondslagen van het zalig-en heiligmakend geloof der gemeente bestrijdt". (Groen : Verspreide Geschriften II, blz. 78 enz.).
Opkomen voor het recht der Hervormde Kerk is opkomen voor het recht harer belijdenis !
OEFENAARS
In 1914 heeft men in de Gereformeerde Kerken ter Synode van Den Haag (zie art. 109 van de Acta der Synode), het volgende besloten :
1. de aanvrage tot onderzoeking van een broeder, om als Oefenaar te worden toegelaten, moet niet van dien broeder persoonlijk uitgaan, maar steeds van een bepaalde (plaatselijke) Kerk, die zulk een onderzoeking vraagt te haren behoeve, en wel hij de Classis waaronder de Kerk ressorteert.
2. De Classis kan zulk een broeder ook wel de bevoegdheid geven om in een andere Kerk, die dit aanvraagt, op te treden, mits niet buiten de Classis gaande.
3. Mocht een Kerk buiten de Classis de begeerte te kennen geven ook van den dienst van zulk een broeder-Oefenaar te willen gebruik maken, dan zal de Classis, waartoe die Kerk behoort, beoordeelen of en op welke wijze zij den bedoelden broeder opnieuw zal onderzoeken.
In geen geval zal de Oefenaar bevoegdheid hebben in eenige Kerk op te treden, dan met consent der Classis, binnen welke zulk een Kerk ressorteert.
DE TUSSCHENTIJDSCHE KERKREGEERING
Zoo zullen we maar even noemen, wat we bedoelen, n.l. hoe 't moet gaan tusschentijds, als de Synode niet vergadert ; wat vooral klemt in de Gereformeerde Kerken, waar de Synode om de drie jaar samenkomt. Wel is dat „om de drie jaar" volstrekt geen eisch van het Gereformeerd Kerkrecht — en ook oorspronkelijk door het Gereformeerd Protestantisme niet geëischt noch in practijk gebracht — maar het is dan toch hier in Nederland bij de Gereformeerde Kerken een feit.
Nu is dat altijd een netelige kwestie : of er een college, een commissie, een kleine Synode (of hoe men 't noemen wil) zijn zal gedurende den tijd als de Synode niet vergadert. Want het Gereformeerd Protestantisme wil geen bestuursmachten en geen commissies, die de allures aannemen alsof zij de baas zijn en alles maar zetten kunnen naar hun wil. Zoodra de kerkelijke vergadering uiteengegaan is en de Kerken (de afgevaardigden) huiswaarts gekeerd zijn, moet het met „machthebbers" uit zijn. Dan moet er eigenlijk niets zijn. En verleden week wezen we er reeds op, aan de hand van een artikel van prof. dr. H. H. Kuyper, dat dit de Kerken in de grootste moeite brengen en dat het feitelijk een onmogelijkheid is. Er moet wel degelijk een soort van Synode (of hoe men 't noemen wil) zijn, om de loopende zaken niet alleen te regelen, maar om, altijd paraat te zijn, als er wat gebeurt.
Nu wijst prof. dr. H. H. Kuyper daar nog eens op in een vervolg-artikel in „De Heraut" van 5 Juni en wijst er op (aan de hand van een handboek voor Gereformeerd Kerkrecht van prof. dr. Karl Rieker : „Grundsaltze reformierter Kirchenverfassung") en releveert hoe het in andere landen in dezen gaat, ten opzichte dus van de kwestie : hoe men in de Gereformeerde Kerken getracht heeft te voldoen aan de behoefte om in den tusschentijd, die van de eene op de andere Synode verloopt, een college te hebben, dat de spoodeischende zaken kan afdoen.
In de Fransche en Nederlandsche Gereformeerde Kerken zegt men : er moet een buitengewone Synode worden saamgeroepen, wanneer de nood dit vordert (waartegen nu in de Nederlandsche Gereformeerde Kerken de bezwaren los komen).
In Schotland en bij de Presbyteriaansche Kerken continueert zich de Synode zelf, hetzij in haar kleinere samenstelling (als Synodus Contraota) hetzij in haar gewone vorm wat het aantal leden betreft (als Synodus plena). Dat is al sinds 1642. De Synode wordt dan niet opnieuw samengeroepen, door afvaardiging enz. van de Prov. Synoden, enz., maar er is en blijft een synodaal-lichaam (zullen we het maar noemen), dat elk oogenblik kan worden in werking gesteld (zonder nieuwe afvaardiging dus). Dat Synodaal-lichaam heet dan : een collegium qualificatum, bestaande uit een grooter of kleiner aantal Synode-leden, welke volmacht kregen om gedurende het interim of den tusschentijd (dat de Synode niet vergadert) de dringendste zaken af te handelen. Dus wel niet precies gelijk als bij ons de Synodale Commissie, maar toch iets dat er op lijkt.
In Schotland, waar men de „groote Synode" kent, bestond dat Synodale college ad interim uit 40 predikanten en 16 ouderlingen (en dan zegt „men" hier, in Nederland, reeds, dat een Synode van 45 leden (bespottelijk groot is !! Als men toch maar wat zeggen wil !!)
De Gereformeerde Kerken in Duitschland aan den Beneden-Rijn hadden een ietwat andere regeling van het Collegium qualificatum. De Synode dezer Kerken, in 1665 te Duisburg gehouden, besloot, dat dit college zou bestaan uit het moderamen der Synode met nog één gedeputeerde uit elke Provinciale Synode (dus een soort Synodus Contracta of kleine Synode). Dit Collegium kreeg zelfs in 1659 van de Generale Synode de bevoegdheid om de besluiten van een Provinciale Synode op te heffen, als men daarvoor oorzaak vond.
Ook in Friesland, hier in Nederland dus, had men (provinciaal dus) een Collegium qualificatum, dat bestond luit één predikant en één ouderling uit elke Classis, door de Synode aangewezen. De taak van dit college was in de eerste plaats om uit te voeren hetgeen door de Synode in mandaat was gegeven, en voorts om in zaken, die tusschen de Synodes gedurende het geheele jaar voorvallen, te beslechten en te bezorgen naar het noodig was, voor zoover zij daartoe bevoegd waren. (Art. 10 van het Reglement). Die Commissie had de correspondentie met de hoogere en lagere Overheid, had beroepingskwesties enz. te behandelen, kon procedeeren, kon toesluiten lot afzetting en zelfs tot excommunicatie (Art. 15). Aan de Synode moest rapport worden gedaan van al hun handelingen (Artikel 22). (Compendium der Kerkelijke Wetten van Friesland, enz.).
Ook de Zuid-Hollandsche Synode (denk aan 't provincialisme !) heeft in 1583 aan de Generale Synode voorgesteld zoo'n Collegium qualificatum in te stellen, dat den naam van Senatus eccleciasticus zou dragen. Dat zou dan tusschentijds kunnen en mogen optreden en handelen (ook strafzaken, enz.). Men stelde voor, dat dit College dan zou bestaan uit kerkelijke en politieke leden !! De Synode zou daarvoor een dubbeltal opmaken, waaruit de Hooge Overheid de helft nemen zou ! Graaf Leycester zou er dan nog een persoon aan toevoegen !! (Reitsma en Van Veen, Acta der Prov Synodes II, bladz. 282, 283). De Synode van 's-Gravenhage (1586) is echter op dit voorstel niet ingegaan. Niet omdat ze zulk een Senatus Eccleciasticus ongeoorloofd en met het Gereformeerd Kerkrecht in strijd achtte (zooals wel beweerd is), maar men wilde de gunst van Z.Excellentie Graaf Leycester winnen en hem verzoeken dat hij de Kerkorde wilde bekrachtigen (authoriseeren), waardoor men dan (b. v. tegenover liberalistische Regenten) sterk zou staan. Men behoefde dan tegelijk geen kerkelijk College met half om half kerkelijke en politieke heeren te benoemen.
Prof. dr. H. H. Kuyper besluit zijn artikel, waaruit we een en ander overnamen, op deze wijze :
„Uit dit overzicht, dat allerminst op volledigheid aanspraak wil maken, blijkt dus, dat men zoowel in het buitenland als in ons land de moeilijkheden gevoeld heeft, die het Synodale stelsel der Gereformeerde Kerken alhier meebrengt. Moeilijkheden, die zeker het sterkst gevoeld worden wanneer de Synode slechts om de drie jaren samenkomt, maar die toch niet geheel worden weggenomen, wanneer de Synode elk jaar vergadert, zooals daaruit blijkt, dat ook die Kerken, die jaarlijks Synode houden, zich toch genoodzaakt zagen maatregelen te treffen om te voorzien in de zaken, die tusschentijds voorvallen en afdoening eischen".
We moeten dus hebben een Commissie, een College, een soort (kleine Synode, die altijd bestaat en paraat is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's