MEDITATIE
Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus' wil schade geacht. Filippenzen 3 : 7.
GEWIN — SCHADE
Hoe Paulus denkt over hetgeen hem gewin was, dat zegt hij in den tekst met ronde woorden : „maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik schade geacht". Dat is een wonderlijk woord. Wat hij vroeger voor winst hield, waar hij dus alle waarde aan hechtte, dat beschouwt hij nu als waardeloos.
Sterker nog ........ hij beschouwt het als schade. En in de oorspronkelijke taal blijkt het, dat Paulus niet maar voor een oogenblik zoo denkt, maar dat het zóó zal blijven.
Zooals hij ook straks, met vollen nadruk, tot tweemalen toe, nog eens getuigt, dat hij gewisselijk alle dingen schade acht en drek.
Maar wat voor dingen bedoelt Paulus ?
Neen, dat zijn geen dingen, waarvan we direct zullen zeggen: „maar dat is toch ook schade". We krijgen heel wat anders te hooren.
„Besneden ten achtsten dage; uit het geslacht van Benjamin; een Hebreër uit de Hebreen; naar de wet een Parizeer; naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk."
Waarom noemt Paulus deze dingen ?
Hij waarschuwt tegen verkeerde leeraars. „Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding".
De brief aan de Filippenzen is wel genoemd de brief der blijdschap.
Maar zal de gemeente bij de blijdschap bewaard blijven, dan moet zij bij Gods Woord bewaard blijven!
Daarom is Paulus in dit hoofdstuk zoo scherp. Dat brengt zijn groote liefde mee.
Daar dreigt groot gevaar van den kant der dwaalleeraren! Dat zijn kwade arbeiders. De Jood was in hen niet gestorven. Het evangelie van Gods vrije genade in Christus deden zij te kort. Zij willen genade niet genade laten. Zij gaan van geloof terug tot werken. Van den Heiligen Geest tot vleesch.
Zij roemen in het vrome vleesch, in het Jood-zijn, in de besnijding.
Paulus ziet wel dat zij met al hun vroomheid niet anders uitwerken dan de versnijding van het evangelie. Past op voor hen, zegt de apostel.
De besnijding, het ware volk Gods, wier hart besneden is, dat zijn wij. Die God dienen, daarin, dat we ons laten leiden door den Geest Gods en betrouwen op Christus Jezus.
Als het ging om „betrouwen in het vleesch", dan kon Paulus nog wel meedoen. Lees maar de verzen 5 en 6 van Filippenzen 3.
Vroeger roemde Paulus in al die dingen. Maar nu acht hij dat alles schade en drek.
Maar, zien ook wij af van alles wat de naam dragen kan van „betrouwen in het vleesch ? " Geboren uit godvreezende ouders, gedoopt, onderwezen in Gods Woord, getrouw opgaande naar Gods huis, oog hebbende voor Gods leiding in ons leven, enz. ?
Dat zijn zaken, die ieder als gunstbewijzen Gods hoog moet waardeeren.
Maar wat doen we er mee ? Brengen wij ze in rekening om daarop onze hoop der zaligheid te bouwen ? Dan staan we ver van Paulus af.
Dan zijn we geen navolgers van zijn voorbeeld (vs. 17).
Dan staat het niet goed met ons. Dan achten we die dingen niet als schade. Paulus deed dat wèl.
Om Christus' wil! Het is te danken aan Christus, dat Paulus zoo denkt. Aan Christus, die Zich aan hem heeft geopenbaard.
Daar is één zaak, die bij Paulus alles beheerscht. Dat is de kennis van Jezus Christus, zijnen Heere. Paulus roemt in Christus, die hem kocht met Zijn bloed en hem tot Zijn eigendom heeft gemaakt.
Als Paulus Christus maar heeft, dan is alles goed.
Maar versta dit goed. Hij wil niet Christus gebruiken, om er zelf bovenop te komen. Juist het tegendeel. Paulus gaat onder. Christus is alles. Het is zijn innigst zielsverlangen in Hem gevonden te worden.
Paulus verlangt te kennen : „de gemeenschap Zijns lijdens. Zijnen dood gelijkvormig wordende". Het is zijn innige begeerte zelf als oude mensch gedood te zijn, opdat door de kracht van Christus, als den Overwinnaar des doods, hij; ook moge komen tot de wederopstanding der dooden.
Opdat hij, in Christus gevonden, eens voor goed aan al wat dood heet onttogen, staan moge in het waarachtige leven.
Staat het nu ook zoo bij ons ?
Neemt Christus ook bij ons de plaats in, die Hij innam bij Paulus ?
Kennen ook wij maar één gewin: Christus ?
Och, wat zijn wij vaak als die christenen uit de Joden, in wie de Jood nog niet gestorven was.
Christus Jezus is goed, is belangrijk, is alles ! Maar, het op Hem alleen te laten aankomen, dat lijkt ons toch wel wat gevaarlijk.
Als 't er op aan komt, moeten wij toch kiezen, moeten wij bereid zijn alle dingen te laten varen, en, van alles ontbloot, het met Christus te wagen.
Maar wij houden ons vast aan alle dingen.
Dat is een gesteldheid die ons ten verderve voert.
Want wanneer wij niet alles in Christus hebben, dan is Hij ons niet nut. Noodiger is het Hem te leeren kennen!
En als iemand dat verstaat en in zielenood vraagt: „maar hoe kan ik Hem leeren kennen, dan is het antwoord : denk aan wat Paulus zelf ergens schrijft, dat het God behaagd heeft Zijn Zoon in hem te openbaren.
Eén is er, die machtig is tot stand te brengen wat wij zelf niet tot stand kunnen brengen.
Bidt Hem daarom met ootmoedige smeeking en gebed.
Ge moogt pleiten op Zijn belofte : „doe uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen"
En als God komt met Zijn genade, dan leert ge verstaan, dat de weg des levens een stervensweg is. Een weg, waarin de Heere al onze wegen afsnijdt. Maar waarin ook met blijdschap erkend wordt: „'k Heb alles verloren, maar Jezus verkoren. Wiens eigen ik ben !"
Goed leert Paulus verstaan op den verderen levensweg dat vleesch nooit geest wordt. Vleesch blijft vleesch. Paulus heeft niets in de hand. Maar Christus Jezus, die hem gegrepen heeft, houdt hem vast.
Ja, die van Hem gegrepen zijn, laat Hij niet los.
Niets uit ons, maar alles uit Hem.
Zoo gaan wij naar Jeruzalem. Maar alles eindigt in Gods eeuwig welbehagen.
Amen.
W.
P.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's