De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCH0UW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCH0UW

24 minuten leestijd

RONDOM HET REORGANISATIE-ONTWERP (10)
Het gaat nu zoo langzamerhand op 'n eind loopen. En dat is maar goed ook. De menschen worden er wat moe van. Er is ook niet veel nieuws meer te zeggen. En ieder, die in deze dingen belang stelt, zal nu wel voor zich zelf een opinie hebben gevormd. Gelukkig is de discussie levendig geweest. Mondeling en schriftelijk is er heel wat over de Kerk, het ambt, de belijdenis, de kerkelijke vergaderingen gezegd. En dat kan geen kwaad. Het is weer een stukje Kerkgeschiedenis, waarin nu niet de menschen van 1500 of 3O0 jaar geleden een rol hebben gespeeld, maar waarin wij zelf nu betrokken waren, om onze beginselen te peilen, onze meening te vormen, onze beslissing te nemen. Gelukkig kunnen we zeggen, dat over 't algemeen de discussie op hoog peil stond en de toon goed geweest is ; zoowel links als rechts, hij vóór-en tegenstanders. Al valt over een enkele uitzondering, helaas ! te klagen. En die uitzondering zat nu juist in een hoek, waar 't het meest te betreuren is, vanwege de gebeten taal, de ongeschaafde manier van bestrijding, de meest pijnlijke laster en de schandelijkste leugens. Zoodat er wel zijn die meenen, dat hier de strafrechter werk zou kunnen vinden. In elk geval is het diep te betreuren en is het zonde voor God en de menschen. Zóó roept de Heere ons niet om in Zijn Kerk de wapens te hanteeren !
Maar gelukkig is dat uitzondering gebleven. Overigens heeft men, van welke richting of partij ook, de strijd nobel en eerlijk en kloek gestreden. En nu zal de Hervormde Kerk, voor zoover dat mogelijk is, zich moeten uitspreken op de Classicale Vergaderingen, Woensdag 29 Juni, door heel ons land te houden.
Heel de beweging inzake de Reorganisatie der Hervormde (Gereformeerde) Kerk komt hieruit voort, dat onze Kerk nu inzake haar kerkelijk samenleven, haar kerkelijke ambten en kerkelijke vergaderingen, haar kerkelijke belijdenis en haar Kerkorde, ziek is. Veel erger : omdat zij in de zonde leeft, haar roeping ontrouw is, haar wezen als Kerk van Christus niet openbaart, haar taak als Kerk niet verricht, haar boodschap als Kerk niet brengt, haar roeping als Kerk niet getrouw is. En dat zijn allerbelangrijkste dingen, die heusch niet als bijkomstigheden, van weinig waarde zijnde, mogen worden beschouwd. En daarom is het wel goed, wanneer over deze dingen met elkaar ernstig, principieel en zakelijk gesproken wordt. Dan worden de geesten openbaar en het kan oorzaak zijn, dat weer eens grondig gesproken wordt over het wezen der Kerk en over de taak der Kerk van Christus.
Want — dat moet het eerste zijn : de Kerk is des Heeren. De Kerk is van Christus. Jezus Christus is haar eenig; Hoofd, Die eenig en alleen over Zijn Kerk te gebieden heeft. In de Kerk gaat het om Zijn Woord, Zijn Geest. En Hij, in Zijn drie ambten, heeft Zijn Kerk de ambtelijke bediening gegeven door de herders en leeraars (profeten), ouderlingen (koningen) en diakenen (priesters). Niet de ambtsdragers zijn dan de mannen die het doen moeten ; neen, Christus moet het doen, Hij alléén en niemand of niets anders. Door Zijn ambtsdragers.
En dan wil Christus, dat het Woord recht gebracht wordt, dat de Sacramenten worden bediend, zooals Hij ze ingesteld heeft ; dat opzicht en tucht geoefend wordt over leer en leven, zooals het Hem, den grooten Kerkvisitator (denk aan de brieven in het laatste bijbelboek) behaagt en Hij de eenige en opperste Bisschop, het verlangt. (Zie het Formulier om te bevestigen de Dienaren des Woords, enz.).
We hebben Gods Woord en de belijdenis maar op te slaan — want daar moeten we zijn, om te weten wat het wezen en wat de taak van de Kerk is — dan zien we, dat onze Gereformeerde Vaderen gelijk hadden toen ze eerst in de Wezelsche Artikelen en toen in de Kerkorde van Emden en later, meer uitgewerkt, in de Dordtsche Kerkorde van 1619 — aldus schreven : „Er zijn hoofdzakelijk vier trappen of orden van bediening in Gods Kerk op het gezag der Apostelen, te weten : de Dienaren, Doctoren, Ouderlingen en Diakenen, aan wie toebetrouwd is de zuivere bediening des Woords Gods, de zorg voor de eerbaarheid in handel en wandel der Gemeenten, alsook de bijstand der arme lidmaten ; waarbij óok behoort de bediening der Sacramenten en die van de kerkelijke tucht, welke te zamen met Gods Woord de wettelijke kenteekenen en getuigenissen der Kerk zijn (quae coniuncta verbo Deï legitima sunt ecclesiae testimonia).
Als deze stukken op de rechte wijze zijn ingesteld en onderhouden worden, zoo oordeelen wij, dat er niets bizonders ontbreekt wat voor den welstand der Kerken noodig of vereischt wordt". (Wezelsche Artikelen, Hoofdst. I, Art. 11).
Nu praten wij op 't oogenblik niet over „het doctoren-ambt" — maar we zien wel, dat het wezen en de taak en de roeping der Kerk openbaar wordt in en door de ambten, door Christus ingesteld, opdat Hij Zelf door die ambten in Zijn Kerk kan tegenwoordig zijn en werken. Zóó wil Hij Zijn gemeente opbouwen en voor Zijn heiligen zorg dragen. (Ef. 4) En de taak en de roeping der Kerk is dan vijf derlei:1. zorg voor de zuivere bediening des Woords (waaronder de Wezelsche Artikelen, en nog wel in het 1ste art. óók rekenden zorg voor de opleiding) ; 2. zorg voor een eerbaar, christelijk leven der Gemeente, in handel en wandel (opzicht) ; 3. het werk van de verzorging der „arme lidmaten" (let op die uitdrukking!); 4. de bediening der Sacramenten ; 5. de bediening der tucht.
De Kerkorde, welke uit deze beginselen spreekt en deze zaken zóó regelt, heeft recht op de sympathie en de liefde van lallen, die de Gereformeerde Waarheid liefhebben en wenschen te leven naar Gods Woord (de Wezelsche Artikelen spreken van : „op het gezag der Apostelen" ; zie Art. 11, boven geciteerd) in „Gods Kerk".
En waar de wijze van kerkelijk samenleven voor onze Ned. Hervormde. (Gereformeerde) Kerk met deze dingen geheel in strijd is — hoewel de Ned. Hervormde Kerk in haar belijdenis deze dingen uiteenzet en bewaard heeft tot op vandaag, maar er niet naar leeft ! — kan niemand, die de dingen ernstig neemt, met de tegenwoordige orde vrede hebben ; ja moet ieder, die liefde voor Gods Woord en de belijdenis heeft, daartegen zich met kracht verzetten, om in deze onze Hervormde Kerk uit haar verkeerden en zondigen weg te verlossen en haar uit haar diepen val op te richten, opdat zij weer als „Gods Kerk" gaat handelen en wandelen, op gezag der Apostelen" en naar de beginselen van haar eigen belijdenis.
Want die belijdenis ligt er wel, maar is buiten werking gesteld, ja, wordt dag aan dag verkracht en veracht.
Heel de tegenwoordige Synodale Besturenorganisatie is er om juist tegen hetgeen tot het wezen, tot de taak en de roeping van de Kerk des Heeren behoort, in te gaan. En te verhinderen, dat de ambten er zijn naar de instelling van Christus, dat er zal wezen de zuivere bediening des Woords, dat er zal zijn de rechte bediening der Sacramenten en de bediening der tucht, zooals dat o. a. in het Formulier om te bevestigen de Dienaren des Woords en het Formulier ter bevestiging van Ouderlingen en Diakenen „op het gezag der Apostelen" en volgens de belijdenis der Kerk, omschreven is.
Men heeft de belijdenis wel bewaard, maar opgesloten en vastgebonden, zoodat het in de bestuurscolleges, die de ambtelijke kerkelijke vergaderingen hebben vervangen, nooit of te nimmer gaat om de belijdenis der Kerk, maar om het Reglementenboek. En als de belijdenis dan toch in haar gebondenheid onrustig opspringt, omdat het al te bar wordt, zooals b.v. in de zaak Bahler in 1905 en de zaak Snethlage en Boers enkele jaren terug, dan sussen de bestuursambtenaren die onrustige belijdenis en weten het met allerlei mooie praatjes zóóver te brengen, dat de belijdenis weer in 't kot gesloten wordt, bij de spinnen en de muizen, die in 't gevangenishol de baas spelen.
Dát is onze huidige Synodale-besturen-organisatie, die in alles totaal in strijd is met het wezen der Kerk, die vraagt om herstel van het geestelijk ambt, van de kerkelijke vergadering, van de belijdenis ; in de bediening des Woords en der Sacramenten ; in opzicht en tucht over de gemeente ; in allen arbeid, die aan de Kerk is opgedragen.
Geen wonder dat alles wat Vrijzinnig is, zich tegen elke poging van reorganisatie in den zin van herstel van het ambt, van de kerkelijke vergadering, van de belijdenis, van opzicht en tucht, fel verzet. En we begrijpen best, dat ds. Westmij se in Rotterdam alles saamvatte in deze woorden : „alle voorstanders van de reorganisatie zijn duisterlingen, ketterjagers, geestelijke nazaten van de Schriftgeleerden en Farizeërs, die altijd de waarheid hebben tegengestaan en vervolgd". Gelijk we best kunnen begrijpen, dat de Vrijzinnig Hervormden in Zeeland in jaarvergadering saamgekomen, een motie hebben aangenomen, om die bij de Synode in te zenden, waarin gezegd wordt, dat de Modernen „met diepe bezorgdheid enz. zich met den ernstigsten aandrang tot Uw College wenden om de Kerk te willen bewaren voor een nieuwe verscheuring door dogmatische geschillen, enz.
Typisch is dat „voor een nieuwe verscheuring door dogmatische geschillen, enz." Is er misschien vroeger ook al meermalen zoo'n verscheuring geweest? Misschien in 1834 enz.? Waren toen de Modernen óok zoo bezorgd ? Of hebben zij dat misschien mede op hun geweten ? Spreekt hun geweten nu misschien?
Intusschen heeft de Vereeniging van Vrijz. Hervormden, die nu juist 25 jaar bestaat, besloten niet te jubileeren, vanwege het dreigend gevaar van het Reorganisatie-Ontwerp. Ds. J. Boonstra, het Synode-lid, zei in zijn openingswoord: „Bij mijn weten wordt thans in de Ned. Hervormde Kerk de zaak van het vrijzinnig-christelijk geloofsleven bedreigd, zooals ze nooit geweest is en zooals ze niet erger bedreigd kan worden, nu het Reorganisatie-Ontwerp, dat in streng confessioneelen zin is opgesteld, aan de orde is en waarbij men de wind wel heel erg mee heeft". (N. Rott. Ct. 14 Juni, Avondbl.).
Zoó hebben de Vrijzinnigen b.v. nooit gesproken, toen er een voorstel tot een Modus-Vivendi aan de orde was. Omdat zulke voorstellen ook in strijd zijn met het wezen der Kerk en haar taak en roeping verijdelen.
Honderd jaar en langer hebben we — wederrechtelijk in 1816 aan de Kerk opgelegd — een administratief bestuur gehad. Om de Kerk te maken tot een vrije tribune voor het vrije woord van vrije vroomheid. De Kerk moest zijn een Vereeniging van elk wat wils. En de menschen, die de belijdenis liefhebben, moesten dan maar gelijkop deelen met degenen, die de belijdenis verwerpen ; b.v. bij wijze van „evenredige vertegenwoordiging". Links zegt : de Ned. Hervormde Kerk is in den loop der tijden een soort vereenigingspuit geworden van allerlei soort van menschen, die religieus voelen, de een wat lichter en de ander wat zwaarder, en nu moeten we die Vereeniging tot nut en bevordering van den godsdienst houden, waarbij ieder persoonlijk vrij is en vrij blijven moet.
Maar méér dan honderd jaar is nu tegen deze dingen geprotesteerd. En veel langer dan een eeuw is er nu gevraagd : geef aan de Hervormde Kerk weer terug haar wettig eigendom : het geestelijk ambt — de kerkelijke vergaderingen — de belijdenis, opdat de Kerk van Christus, die niet anders dan een belijdende Kerk kan zijn, uit haar belijdenis leven kan. Opdat zij als de Kerk des Heeren zich openbare in het midden van ons volk.
En zóó ligt er ook nu weer een Voorstel tot Reorganisatie der Ned. Hervormde Kerk, dat aller aandacht nu heeft, zooals geen Voorstel ooit te voren vermocht te doen.
Jammer, dat we nu — gelijk we reeds telkens met woorden van anderen (ds. Knap en ds. Lingbeek) en met eigen beschouwingen deden uitkomen — juist op het punt van de belijdenis niet gerust zijn.
(Slot volgt.)

VERWORPEN
Om misverstand te voorkomen merkt het Hoofdbestuur op, dat op de gehouden Jaarvergadering door het Hoofdbestuur het voorstel is gedaan om het Reorganisatie-Voorstel zooals het er ligt te verwerpen — ook in amendementsvorm ; welk voorstel na ampele bespreking is aangenomen.
Wat elke organisatie vordert en dus ook de onze, is, dat ieder harer leden een genomen besluit eerbiedigt. Dat is óók voor onze organisatie eisch. Het eindpunt is voor heden bereikt.
Wat verwacht mag worden is, dat ieder van ons nu verder zwijge.

DOEL EN STREVEN VAN DEN GEREF. BOND.
Wij hebben het bij den aanvang van den nieuwen jaargang van „De Waarheidsvriend", ons Bondsorgaan, nog weer eens gezegd, wat de grondslag, maar ook wat het doel en het streven van den Gereformeerden Bond in zijn huidig bestaan is en blijven moet.
Aan onzen Gereformeerden Bond is — natuurlijk — een geschiedenis verbonden. En die geschiedenis kan ons vertellen hoe de gang van zaken is geweest en hoe we gekomen zijn tot de formatie van onzen Gereformeerden Bond, in zijn huldigen bestaansvorm.
Eerst was het anders met onzen Gereformeerden Bond. In 1906 bedoelde men iets anders. Men wilde toen in den politieken weg het administratief dak, dat over onze Herv. Kerk ligt, wèg werken en dan kon alles uit elkaar genomen worden als de stukken van een (blokkendoos. Dan kon ieder z'n eigen weg gaan. En de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk was wèg. Dan zou er hier en daar een Gereformeerde Gemeente bij komen, bij de vele Gereformeerde Gemeenten die men in ons Vaderland reeds heeft. Maar de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk was wèg dan. Men noemde dat vrijmaking van de Gereformeerde Kerken.
Dat heeft ten slotte niemand gewild. Het makelij van 1906 is door allen, die van den Gereformeerden Bond zijn, losgelaten ; en die het niet los wilden laten verdwenen, de een hier heen en de ander daar heen. Maar de Gereformeerde Bond zelf heeft zich ernstig op de situatie beraden en welbewust is in 1909 grondslag en doel opnieuw vastgesteld. Een stukske geschiedenis was daarmee afgesloten en een lange geschiedenis, van nu ongeveer 3ü jaar, is toen begonnen.
Wat is nu sinds 1909 doel en streven van den Gereformeerden Bond ?
Ieder kan het weten, wanneer men slechts art. 4 van de Statuten opslaat.
Dan is het natuurlijk niet de vraag of het Statuut van 1906 beter was dan van 1909. Want het Statuut van 1906 is losgelaten en verworpen. Het Statuut van 1909 is welbewust opgesteld en met algemeene stemmen aanvaard, als een onveranderlijk iets ; wat ieder weten kan.
Wat zegt nu Art. 4 van de Statuten ?
We schrijven het nog eens af. Er staat : „De Vereeniging heeft ten doel, naar uitwijzen der Heilige Schriftuur, opgevat in overeenstemming met de 3 Formulieren van Eenigheid, laatstelijk vastgesteld op de Nationale Synode te Dordrecht in 1618—'19 gehouden — te arbeiden tot verbreiding en verdediging der Gereformeerde Waarheid in het midden van de Nederlandsch Hervormde (Gereformeerde) Kerk — om mede daardoor te komen tot oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van 1619".
Nu gaat het niet over de kwestie of men het daarmee eens is.
We kunnen ons best voorstellen, dat er menschen zijn, die zeggen : „aan zulke dwaasheden doen wij niet mee." Het zij zoo. Ze zoeken dan maar een onderdak bij menschen die verstandiger zijn en die mooiere en betere plannen hebben ten opzichte van de Hervormde Kerk en de Kerk in het algemeen.
Wij kunnen ons best indenken, dat er menschen zijn, die zeggen : „wat hier in Art. 4 staat kan toch niet". Het zij zoo. Ze moeten dan maar ledig aan de markt blijven staan, als ze er niet van gediend zijn. Of iets anders en iets beters oprichten.
We kunnen ons wel indenken, dat er menschen zijn, die allerlei raars vertellen van Art. 4 van ons Statuut. En als ze iets beters weten, zullen wij bet rustig afwachten, wat het uitwerken zal.
Maar niemand heeft hel recht in den Gereformeerden Bond het eigen Statuut, en met name Art. .1 pan het Statuut, te negeeren of te veranderen of het uit te leggen tegen den zin van het Artikel zelf !
En dan staat er : dat we met elkaar vasthouden aan de beginselen van de Dordtsche Kerkorde, dat is aan de presbyteriale wijze van Kerkregeering en aan het kerkelijk samenleven, zooals onze Gereformeerde Vaderen dat in Wezel, in Emden en in Dordt hebben uiteengezet, waarbij de Dordtsche Kerkorde van 1619 het meest autoritaire en bekende stuk is.
En naar die beginselen willen we de Ned. Hervormde Kerk weer reorganiseeren, om van de Synodale besturenorganisatie af te komen en de belijdenis der Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk weer tot eere te brengen. En in het midden van de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk willen we daartoe arbeiden, opdat de Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk, nu in zoo groot verval verkeerend, mee door den arbeid van den Gereformeerden Bond, weer mag worden opgericht, hersteld, herbouwd, om als Ned. Hervormde (Gereformeerde) Kerk weer haar plaats te mogen gaan innemen in het midden des volks, haar van ouds door den Heere aangewezen.
Neen, wij noemen onze Ned. Hervormde Kerk niet het Hervormd Genootschap. Dat laten we aan anderen over, die dikwijls de Hervormde Kerk gram zijn en haar gaarne zouden zien uiteenvallen, om van den aardbodem te verdwijnen ; als zij zelf dan maar een veilig plaatsje hebben.
Wij noemen de Hervormde Kerk zooals zij officieel gelukkig nog heet (en iets of iemand heeft recht op den officieelen naam, waarvoor men geen scheldnaam in de plaats moet schuiven). En waar wij als medeschuldigen diep voelen haar ellende en haar zonde en haar schande en haar diepen val — daar is ons gebed en ons werk om mee door onzen arbeid als Gereformeerde Bond de Ned. Hervormde Kerk weer uit haar diepen val te helpen oprichten. Tot wederverkrijging van haar plaats in het midden van ons volk, haar van ouds door den Heere aangewezen.
Wij willen niet van Kerk tot kerkje, van Kerk tot kring, terug ; wij willen niet uit de Hervormde Kerk ons afscheiden, doende alsof ons heel de verdere zaak niet aangaat. Integendeel. Wij willen doen wat Art. 4 van onze Statuten met heel veel woorden van a tot z ons voorlegt.
Nog eens : wij kunnen ons heel wel indenken, dat er zijn, die zeggen het niet eens te zijn met Art. 4 van onze Statuten. Maar dan moet men zelf maar wat anders — en beters — oprichten, om dan eerlijk naar eigen beginsel, net zoo duidelijk uiteengezet als Art. 4 van ons Statuut óns doel uiteenzet, een eigen actie te beginnen. Dan kunnen we elkander eerlijk in de oogen zien en dan weten de menschen ook wat ze aan ons hebben.
Wij vragen — en werken daartoe — dat de Ned. Hervormde Kerk als Ned. Hervormde Kerk moge terugkeeren tot haar belijdenis, tot het ambt, tot de echte kerkelijke vergaderingen, tot het rechte kerkelijk leven bij Woord en Sacrament (de twee groote dingen door de Hervormers altijd genoemd voor de ware Kerk), met opzicht en tucht, gaande over leer en leven, naar uitwijzen van Gods Woord.
Dat Gods Geest het huis onzer Vaderen doorwaaie en dat de Kerk, door God in dezen lande geplant, uit haar diepen val weer mocht werden opgericht, om als Nederlandsch Hervormde Kerk midden in ons Nederlandsche volk te mogen staan, belijdende den Naam des Heeren naar Zijn Woord en Getuigenis.
Daartoe is in 1909 onze Gereformeerde Bond opgericht en onze Bond heeft tot op vandaag dat vaandel kloek gedragen en altijd verdedigd en gepoogd het uit te planten in steeds grooteren kring. Laat ieder maar vreten, wat de echte Gereformeerde Bondsgedachte is !
Wij behoeven ons gelukkig daarvoor niet te schamen als menschen van de Hervormde Kerk, die hun Kerk liefhebben, in 't geloof vasthoudende den God des eeds en des verbonds.

De Belijdenis van den Drieëenigen God en de Vrijzinnigen.
De Vrijzinnigen, ook de Vrijzinnig Hervormden, zijn sterk in het ontkennen, loochenen, afbreken. Ze hebben zoo ongeveer heel onze Gereformeerde geloofsleer weggewerkt en van den Bijbel is ook niet heel veel overgebleven. Zij hebben blijkbaar het monopolie, om precies te weten wat (om dit ééne .maar te noemen) wat de Heere Jezus geleerd heeft (als er ooit zoo'n historisch persoon geweest is) en wat het echte Evangelie is. De menschen, die den Bijbel eeren en gebruiken als de bijzondere openbaring Gods. op bijzondere wijze èn met een bijzonderen inhoud tot ons gekomen, weten er niets van. Die laten zich door een boek beetnemen en misleiden, maar de Vrijzinnigen hebben gelukkig hun gezond verstand om anders en beter te weten waarom het gaat.
Heel het Schriftuurlijk Christendom is in de oogen van de Vrijzinnigen verouderd en dwaasheid.
Zoo is het natuurlijk al te dwaas om te gelooven in de lichamelijke opstanding van onzen Heere Jezus Christus aan den morgen van den derden dag. Het is al te dwaas om te gelooven in Zijn verzoenend lijden en sterven. Het is al te dwaas om te gelooven in Zijn hemelvaart. Het is al te dwaas om te gelooven in een Drieëenig God.
Zoo lazen we onlangs het Vrijzinnig Hemelvaarts-Evangelie op de volgende wijze beschreven :
„Het is niet vreemd, dat de hemelvaartsdag in onze Gemeenten niet kerkelijk gevierd wordt. Want het verhaal, zooals dat in Luc. 24 en Handel. 1 voor ons ligt, biedt ons wel zeer eigenaardige moeilijkheden. Wij kunnen ons bijna niet indenken, dat men dat vroeger zoo eens heeft kunnen neerschrijven ; en het wordt ons wonderlijk te moede, als wij menschen ontmoeten, die alles in den Bijbel, ook dit, letterlijk meenen te moeten gelooven. De gedachte aan een plaatselijik aanwijsbare hemel, aan een lichamelijke hemelvaart of ten-hemel-opneming door een wolk, de verwachting van een wederkomst op de wolken : dat alles staat wel heel vèr af van den 20e eeuwer".
De Vrijzinnige 20ste eeuwer staal dus wel heel vèr af van den Bijbel, van het ware evangelie der opstanding, van de hemelvaart, van het zitten ter rechterhand Gods, van de wederkomst ten oordeel, enz. (Zie b.v. Zondag 18 en 19 Heidelb. Catêch.).
En zoo doen ze nu ook — natuurlijk — wat aangaat het geloof in en hel belijden van een Drieëenig God.
Onze Catechismus vraagt : „Aangezien er maar één eenig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest ? " En het antwoord luidt : „Omdat God Zich alzoó in Zijn Woord geopenbaard heeft dat deze drie onderscheidene personen, de eenige, waarachtige en eeuwige God zijn".
En wat maken de Vrijzinnigen nu van deze geloofsleer, zoo noodig tot zaligheid ?
Als ze nu maar zeiden : wij gelooven niet in een drieëenig God, één Wezen onderscheiden in drie Personen — dan wisten we tenminste waar we aan toe waren. Men loochent immers de Godheid van Christus. Men gelooft niet wat het Evangelie van Johannes zegt, van het Woord dat Zelf God is en is vleesch geworden. En daarom moest men heelemaal niet willen spreken van een Drieëenig God, zooals de Christelijke Kerk dat alle eeuwen door gedaan heeft : de oude Christelijke Kerk, de Roomsche Kerk, de Gereformeerde Kerk, de Luthersche Kerk, alle Christelijke Kerken saam.
Maar nu praten ze wel mee van een Drieëenig God — in de Apostolische Geloofsbelijdenis, in de Doopformule enz. - -en zeggen dan tegelijk : maar we gelooven er niets van, zooals het in den Bijbel staat en door de Kerk in haar belijdenisschriften en symbolische formulieren is uiteengezet !
Men zegt dan , dat men „geest en hoofdzaak" van die leer (en van andere geloofsstukken) aanneemt, wat dan in werkelijkheid is, dat men juist waarop het aankomt en in de belijdenis uiteengezet is, loochent en verwerpt.
Neem b.v. als de Vrijzinnigen gesteld worden voor de vragen, in de Hervormde Kerk gebruikelijk ; b.v. belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den Heiligen Geest ? — dan is hun antwoord: „geest en hoofdzaak daarvan nemen wij, modernen, voor onze rekening ; God is een Vader van alle menschen ; Jezus is Gods Zoon voor zoover God in Christus Zijn eigen leven aan den mensch schenkt ; en wij gelooven in den Heiligen Geest als de werking Gods, die we Ibespeuren in ons leven, een werking in ons en in de gemeenschap, welke werking we niet beter kunnen omschrijven dan met het woord vernieuwing. („Wij belijden". Vrijz. beschouwing, door prof. J. Lindeboom e. a., bladz. 47, 59 enz.).
Dat wordt nu in onze Hervormde Kerk toegelaten en geduld, omdat onze Hervormde Kerk, die een belijdenis heeft, van het ambt en van haar wettige kerkelijke vergaderingen beroofd is. Omdat de toeleg van de Synodale Besturen-organisatie is, om „de georganiseerde bandeloosheid" te zijn !
Zóó is de Organisatie nu met opzet - - om te maken dat dat kan, dat men zegt met de belijdenis der Kerk in te stemmen, om dan in werkelijkheid de meest fundamenteele stukken, ter zaligheid noodig, te loochenen en uit te maken als de grootste dwaasheid !
Mr. Groen van Prinsterer is de man, die allen die den Christus belijdenis, telkens weer opgeroepen heeft om den strijd tegen de Synodale Besturen-organisalie zonder pardon aan te binden ! Geest en hoofdzaak - het zijn woorden van Groen moeten niet geloochend, maar beleden en gehandhaafd worden ! De schandelijkste willekeur moet een einde nemen.
Nu kan men zeggen, dat de Hervormde Kerk nog wel een belijdenis heeft, en men kan ook een kerkelijke vergadering openen met het lezen van een hoofdstuk uit Gods Woord - maar zoodra het op handelen aankomt, dan wordt niet gevraagd wat 't Woord, doch wèl wat het Reglementen-boek zegt en voorschrijft. (Ds. J. J. Knap. Oude Paden, no. 838).
Geeft dan, om Gods wil en om onzer zielen zaligheid wil, aan onze Hervormde Kerk Gods Woord en haar belijdenis weer terug !
Belijdenis, ambt, kerkelijke vergadering. Woord en Sacrament. En opzicht en tucht naar 's Heeren Woord over leer en leven, om Ie behouden wat anders versterven zou en te verkondigen de deugden des Heeren, in het midden des volks I

DE WET SCHERPELIJK PREDIKEN
God Zelf spreekt ons aan in Zijn Wet. En wel in elk gebod, zonder onderscheid. En dan negatief en positief. Negatief om ons van zonde en oordeel te overtuigen ; positief om ons te brengen tot het nieuwe leven in Christus, om te wandelen niet naar het vleesch, maar naar den Geest.
Laten we een voorbeeld noemen. Neem het 6de gebod : „Gij zult niet doodslaan". Als de Catechismusprediking daaraan toe is, kan en moet gezegd worden tot de gemeente : het is God die van avond ons aanspreekt met deze woorden: „Gij zult niet doodslaan". De Heere spreekt ons aan. En misschien denken we dan wel zoo'n klein beetje, dat God beter deed tot anderen te gaan, dan tot ons met zulke woorden te komen. Want wij hebben gelukkig nog nooit met voorbedachten rade moord gepleegd. En we vleien ons met de gedachte, dat wij zulks ook wel niet zullen doen.
Maar God maakt voor ons geen uitzondering. En de Heere Jezus heeft in Zijn prediking ons wel gezegd, waarom niet. Want al hébben wij niemand doodgeslagen, niemand vermoord, naar de letter van de geldende strafwet — God ziel niet alleen aan wat voor oogen is, maar Hij ziet het hart aan. En uit het, hart des menschen, ook uit ons hart, is, naar het woord van den Heiland, de hartstocht van toorn, de zondegang van nijdigheid, afgunst, haat en vijandschap. En wie zijn evenmensch haat, is een doodslager.
De strafwet beoordeelt alleen de uiterlijke daden (en die worden dan dikwijls ook nog niet eens gestraft), maar Gods wet beoordeelt de gezindheid des harten. En ieder mensch staat met z'n gedachten van afgunst, nijdigheid, haat, vijandschap — schuldig aan de zonde tegen het 6de gebod : „Gij zult niet doodslaan".
De prediking van de Wet dient scherpelijk te geschieden en moet zijn, om ons van schuld en oordeel te overtuigen ; om ons in de diepte van eigen boosheid en ongerechtigheid te doen inzien en ons te brengen tot schuldgevoel en schuldbelijdenis (ook ten opzichte van het 6e gebod en onze verhouding tot onzen naaste in deze). En de Wetsprediking moet dat doen, opdat we ons met onze zonde, uit onzen diepen nood, tot God zullen leeren wenden, om Zijn genade in Christus deelachtig te mogen worden en de werking des Heiligen Geestes tot vernieuwing van ons leven te mogen ervaren.
De Wet Gods wil ons brengen in de diepte der zelfvernedering, om ons óp te leiden tot de hoogte van de vergevende en genezende en vernieuwende genade Gods. De scherpe Wetsprediking is de voorbereiding tot de lieflijke gemeenschap met God, Die in Jezus Christus onze hemelsche Vader wil zijn, roepende en bekwamende tot een heiligen en godzaligen wandel.
„Wie z'n broeder haat, is een doodslager", zegt de Heere Jezus. En onze Catechismus, die hel 6de gebod behandelt in de 4Oste Zondagsafdeeling, zegt het den Heiland ná.
We kunnen hier niet te diep graven.
En God spreekt ook ons hier aan !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCH0UW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's