De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WOORDEN VAN WORMSER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WOORDEN VAN WORMSER

Besnijdenis en Doop.

5 minuten leestijd

Wormser schrijft in zijn boekje „De Kinderdoop" :
„De toekomst der besnijdenis lag in de verzoening, die Christus aanbrengen zou door voldoening; in het bereiken van die toekomst vond de besnijdenis haar einde.
Maar waar de besnijdenis haar einde gevonden heeft, neemt de doop zijn aanvang, en de toekomst van den doop ligt in de volledige toepassing van de verworven verlossing, wanneer de gansche Kerk, door de kracht van het bloed des eeuwigen Verbonds, volkomen naar ziel en lichaam wedergeboren, voor God zal staan".
„Ik ben de ware Wijnstok, en gij zijt de ranken".
Worms er schrijft in zijn boekje „De Kinder­doop" :
„De Kerk, opgevat in haar wezenlijke kracht als een instelling van God, is het lichaam van Christus, en een inlijving in haar is dus een inlijving in Hem.
Het kind wordt door den Doop ingelijfd en opgenomen in de heilige algemeene Christelijke Kerk. Het wordt uit de natuur overgeplaatst in de genade, of, zooals het Doopformulier zegt : „tot genade aan­ genomen".
Als een Adamskind komt het tot den Doop om te sterven, opdat het als' een kind van God uit den Doop zal opstaan.
Alzoo is aan het gedoopte kind, gelijk aan de geheele Kerk, Christus voorwerpelijk geschonken, met al de heilgoederen ; opdat die voorwerpelijke heilgoederen nu in dat teere pas ingeënte rankje van den waren Wijnstok, onderwerpelijk mogen doordringen en nederdalen, wanneer dat rankje, opwassende en zich ontwikkelende, bekent de vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die God in het schenken van deze voorwerpelijke, maar zeer positieve genade bewezen heeft.
De toekomst van dat rankje, gelijk van al de andere ranken, wordt geschetst in deze woorden van Jezus : „Ik ben de ware Wijnstok en Mijn Vader is de landman. Alle rank, die in Mij geen vrucht draagt, die neemt Hij weg ; en al wie vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht drage. Gijlieden zijt nu rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb. Blijf in Mij, en Ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zoo zij niet. in. den wijnstok blijft, alzoo ook gij niet zoo gij in Mij niet blijft. Ik ben de Wijnstok, en gij de ranken ; die in Mij blijft, en Ik in hen, die draagt veel vrucht ; want zonder Mij kunt gij niets doen. Zoo iemand in Mij niet blijft, die is buiten geworpen, gelijkerwijs de rank, en is verdord ; en men vergadert dezelve, en men werpt ze in het vuur, en zij worden verbrand." Joh. 15 : 1—6.
Zoo bestaat de Kerk dan niet uit op-zich-zelvenstaande geloovige individu's : neen ! de Kerk van den geheelen aardbodem, al de gedoopten in den Naam des Drie-eenigen Gods, de algemeene Christelijke Kerk, voortzetting, uitbreiding en ontwikkeling van de Kerk van den ouden dag, is een organisch, zich steeds ontwikkelend geheel, van hetwelk Christus het leven en de kracht is, en dat zoowel teedere als stevige, zoowel dorre als levende ranken voortbrengt.
De pas gedoopte en opwassende kindertjes zijn de teedere ranken in Christus. Of zij in Hem zullen blijven, of zij vrucht zullen dragen, weten wij niet ; God weet het, Die alle dingen bestuurt naar den raad van Zijn wil, Ef. 1 : 11.
Aanvankelijk verheugen wij ons, dat de Heilige Geest hen, in onderscheiding van zoovéle millioenen kinderen van Joden en Heidenen, als ranken in Christus heeft ingelijfd door den Doop. Wat is nu betamelijker dan met de Gereformeerde Kerk te bidden, dat God deze rankjes verder onder Zijn bescherming wil nemen ; hen door Zijn Heiligen Geest altijd wil regeeren ; geven wil, dat zij nu ook geen tegenstrijdige en schadelijke, maar Christelijke en Godzalige opkweeking genieten mogen ; opdat deze teedere rankjes, Christus pas ingeënt, maar nog niet in Hem geworteld, nu toch ook in den Heere Jezus Christus mogen wassen en toenemen ; geen dorre, maar levende ranken mogen zijn, en dit bewijzen door het geloof en de erkentenis van de vaderlijke goedheid en barmhartigheid, die Hij hun en ons allen (de Kerk) bewezen heeft, door Christus aan ons en ons aan Christus te schenken ? "

Geen caricatuur maken van de Goddelijke instellingen.
„Het is een bedroevende eigenaardigheid van onze dagen, om Gods instellingen, die Hij Zelf voor hen, die gelooven, zekerlijk handhaven en verheerlijken zal, eerst tot caricaturen te misvormen, en dan te vragen : gelooft gij dat ?
Zoo heeft men getracht die onbegrijpelijk heerlijke en genadige instelling van den Chris tel ijken Rustdag, dat symbool van de betrekking tusschen hemel en aarde, en dat onderpand van rust en vrede in God door de opstanding van Christus, ter zijde te stellen en tot een dag van uitspanning en uitspattingen te verlagen door de vraag : of de geloovigen dan meenen, dat God lust heeft in de afzondering van een dag tot vadsige rust en ledigheid ?
Zoo ook trachten de ongeloovigen in de Kerk allerlei verkeerdheden door de menschen bedreven, op rekening te stellen van de Kerk zelve, en probeeren dan de uitnemend weldadige en genadige instelling van de Kerk bespottelijk te maken door de vraag : of het behooren tot zoo'n Kerk zalig maakt ?
En niet anders gaat het met den vooral met den Kinderdoop. Doop, en vooral met den Kinderdoop.
Wij stellen in den doop geen inklevende, geen onderwerpelijke-genade toevoerende kracht. Het kind na den Doop is hetzelfde als het kind vóór den Doop ; met dit onderscheid, dat het gedoopte kind sacramenteel is nedergelegd op en omgeven is van de nimmer wankelende beloften van God, en dat het nu niet meer zijn zaligheid uit Adam, maar uit Christus, niet meer uit de natuur, maar uit de genade mag najagen ; dat het nu staat op een grondslag, dien het slechts in al zijn verdere ontwikkeling behoeft vast te houden, om „eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen onbevlekt gesteld te worden."
Helaas ! dat de onbarmhartigheid tot het uiterste wordt gevoerd, doordat men het eene gedoopte geslacht na het andere laat voorbij gaan zonder onderwijs naar de Schriften en zonder hen het lieflijk geklank te doen vernemen van de blijde boodschap der verlossing in Christus' bloed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WOORDEN VAN WORMSER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's