WAT CALVIJN ONS LEERT
Van de Voorzienigheid Gods.
De leer der Voorzienigheid is een stuk des geloofs. Het is er verre vandaan, dat wij deze met ons verstand zouden doorgronden. Immers ziet de mensch aan, wat voor oogen is. Indien wij gaan redeneeren uit wat wij zien en hooren, zullen wij met onze redeneeringen beklemd raken in allerlei zwarigheden en onoplosbare vraagstukken.
Heel eenvoudig merkt Calvijn op, dat wij afgaande op de gebeurlijkheden des levens, geneigd zijn deze aan den samenloop van omstandigheden toe te schrijven. Hij wil dus ook niet trachten door spitsvondige redeneeringen deze „knoop" te ontwarren, maar wijst er op, dat ondanks het feit, dat ons de dingen vaak voorkomen als bij geval, de uitkomst geen andere zal zijn dan dat de loop der dingen naar den Raad Gods geschiedt.
Hoe zullen wij deze leer tot ons nut en voordeel verstaan ?
Vooreerst houde men voor oogen, dat Gods Voorzienigheid gaat over verleden, heden en toekomst.
Vervolgens wat de middelen aangaat, bedenke men, dat de Voorzienigheid werkt door middelen, zonder middelen en tegen alle middelen.
Ten slotte, dat zij over het gansche menschelijk geslacht gaat en inzonderheid over Gods Kerk.
Zoo wordt de Voorzienigheid Gods door Calvijn gezien als een teeken Zijner goddelijke Majesteit en souvereine genade, welke door geen tijd of middelen wordt gebonden en over alle menschen gaat.
Calvijn maakt onderscheid tusschen de dingen, die gezien worden, en de dingen, die niet gezien wordden. Of wil men, tusschen de geopenbaarde en de verborgen dingen. (Zie Deut. 29 vs. 29). De geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, maar de verborgen dingen zijn voor God.
Deze onderscheiding gaat overal door en is van groot belang. Zij brengt ons bij het stuk van de schepping, en dat moet ook bij Calvijn zoo geweest zijn, want hij zegt in dit verband, dat alleen zij de leer der Voorzienigheid behoorlijk overwegen kunnen, die bedenken, dat zij met den Schepper en Bouwmeester der wereld van doen hebben.
Schepping en onderhouding hangen saam en daarom heeft de leer der Voorzienigheid met beide stukken van doen.
Wanneer wij nu het eerste vers van de Heilige Schrift lezen: In den beginne schiep God hemel en aarde, dan worden wij geplaatst bij den aanvang van de dingen, die gezien worden.
Vóór dien waren er geen dingen, die gezien worden. Alles was verborgen in God. Geen oog was er om te zien, maar ook geen zaak om gezien te worden.
God was alleen in de zelfgenoegzaamheid van Zijn Drievuldig Wezen.
Het eerste vers van Genesis zet ons voor den uitersten horizon der geschiedenis. Wij kunnen daarover niet heen zien en er zou nooit eenige kennis van God geweest zijn, indien Hij zich niet had geopenbaard.
Dat openbaren houdt in, dat er ook een wezen moest zijn, met een kenvermogen begaafd.
Vervolgens kan men ook begrijpen, dat zulk een wezen, in alles afhankelijk van zijn Schepper, ook daarin afhankelijk moest zijn, zoodat het slechts op zulk een wijze en in zulk een mate zijn Schepper kan kennen als hem wordt vergund.
Wij bedoelen daarmede te zeggen, dat wij slechts ten deele kennen. Het Wezen Gods ligt voor den mensch niet open, zoodat hij het ganschelijk zou kunnen doorzoeken. Alleen wat God zelf open en kennelijk maakt door zich te openbaren, wordt gekend.
De Geest Gods onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods. Daarom zal de mensch niet verder en op geen andere wijze tot kennis van God komen dan het Gode behaagt.
Daarom spreekt de Heilige Schrift van dingen, die gezien worden en dingen, die niet gezien worden, of volgens den bovenaangehaalden tekst van geopenbaarde en verborgen dingen.
De verborgen dingen zijn voor God.
Zoo is er dus een scheiding gegeven in het eerste vers van de Heilige Schrift tusschen God en de wereld, de eeuwigheid en den tijd, de Alverborgenheid Gods en datgene, wat God heeft geopenbaard.
Vóór de schepping kunnen wij spreken van de Alverborgenheid Gods. Met de schepping begint de openbaring. De openbaring is echter niet Alopenbaring. God gaat in de schepping niet op. Hij heeft niet zijn gansche Wezen in de schepping uitgegoten of geopenbaard.
Veeleer blijft Gods Wezen voor ons verborgen en is het kennelijke Gods voor ons en onze kinderen. Onder het kennelijke Gods verstaan wij dan wat God omtrent zich te kennen geeft.
Zoo is daar dus ook een scheiding tusschen het ongekende en het gekende Gods.
In overeenstemming met dezen stand van zaken hebben de theologen van een verborgen en een geopenbaarden Wil Gods gesproken.
Wijl de Heere een in zich zelf genoegzaam en persoonlijke God is, niet een iets of een beginsel, niet een begrip of een idee, maar een Hij, is al het werk Gods een werk van Zijn Raad en Welbehagen.
In de werken Gods openbaart zich de wil en de wijsheid Gods, zoodat de openbaring Zijner werken ook tevens openbaring van Zijn wil is.
Doch zoo min de almachtige Schepper in de wereld Zijn gansche verborgenheid heeft uitgestort en kennelijk gemaakt, zoo min heeft Hij zijn gansche Wil bekend gemaakt.
Wat wij van de dingen zien, is niet bij machte ons den ganschen Raad en Wil Gods te verklaren. Integendeel, de mensch ziet aan wat voor oogen is en wij oordeelen naar wat wij zien. Welk een schromelijke vergissing, indien wij ons zelf zouden willen diets maken, dat wij uit onze duistere kennis van hetgeen gezien wordt en uit het begrip, dat wij daarvan maken, den almachtigen en allesomvattenden Wil Gods zouden meenen te kunnen verstaan.
Job heeft dat begrepen : Ziet, dit zijn maar uiterste einden Zijner wegen ; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord. (Job 26 vs. 14).
Hoe staat het met de aardsche dingen ? Wanneer een man bezig is met zijn handwerk, dat ons onbekend is, en wij nemen hem waar, zelfs dan kunnen wij niet verstaan, wat hij doet en wat hij wil, alvorens wij den ganschen arbeid voleindigd zien.
Zouden wij dan den Raad Gods omtrent de wereld Zijner schepping willen doorgronden, ofschoon wij maar een klein stukske en de uiterste einden daarvan waarnemen ?
Misschien kan ons dit voorbeeld helpen om te verstaan, dat wij Gods Voorzienigheid niet kunnen doorgronden. Er is geen doorgronding van Zijn verstand.
Zoo is dus de Voorzienigheid Gods voor ons een verborgen zaak, waarvan wij door genade in ons leven een klein stukske mogen ervaren, maar genoegzaam om deze leer in het geloof te omvatten, gelijk de Heilige Schrift ons daaromtrent onderwijst.
Calvijn gaat nog een schrede verder en wijst er op naar aanleiding van een woord van Augustinus, dat God alle dingen naar Zijn recht bestiert.
Wat Hij van ons eischt, heeft Hij in de Wet geopenbaard, doch het recht, dat Hij in de regeering der wereld bij Zichzelf heeft aangenomen, is ons onbekend.
Wij worden daardoor tot tevredenheid vermaand met Zijn souvereinen Wil, en houden dien voor het eenige richtsnoer en de rechtvaardige oorzaak van alle dingen.
Zoo voedt ons deze leer op in het geloof, dat de hoogste Gerechtigheid alle dingen stiert.
Wanneer wij dat geloof missen, worden wij heen en weer geslingerd als een schip zonder roer, nu eens ons leven in eigen hand nemende, dan weer tot wanhoop gedreven, indien alle dingen ons tegen zijn.
Het geloof in de Voorzienigheid Gods zal ons ook weerhouden van allerlei dwaasheid, waarin de ongeloovige dreigt te vallen.
Want, zooals werd aangetoond, is dit wel onderscheiden van de heidensche voorstelling, dat de dingen nu eenmaal zoo geschieden moeten, als door een noodlot bepaald.
Dit heidensche geloof schijnt tot op zekere hoogte ook een overgave en berusting in den gang van zaken te geven, een valsche lijdelijkheid. Het moet nu eenmaal zoo zijn, heet het dan.
Maar dit heidensch geloof werkt in de ure der vertwijfeling precies tegengesteld aan het geloof in de Voorzienigheid. In de ure van wanhoop en vertwijfeling houdt het den mensch niet terug van booze daden, zelfs niet van de hand aan eigen leven te slaan.
Doch de leer der Voorzienigheid stelt ons leven in de hand van den God der religie, die een Rechter is der gansche aarde. Zij gaat gepaard aan de waarachtige vreeze Gods en aan het vertrouwen in Zijn vaderlijke goedheid en barmhartigheid
Die vreeze weerhoudt den mensch in de ure des gevaars, als hij dreigt om te komen, en vindt de lijdzaamheid, die zich onderwerpt aan Gods bestel en Zijn Naam aanroept om uitkomst en verlossing.
Ook de Heere Jezus zegt tot Zijn discipelen : Wist gij niet, dat dit alzoo geschieden moest ? Hij bidt den Vader, dat de drinkbeker moge voorbijgaan, doch — niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede — zoo stort Hij zijn ziel uit. Ja, vanuit de angst der Godverlatenheid, roept Hij tot God en beveelt Zijn Geest in Zijn hand.
Wie onder de menschenkinderen zal zoo diep hebben ingeblikt in den Raad Gods en Zijn Voorzienigheid als de Heere Jezus en met meer recht zeggen, dat het alzoo geschieden moet ?
En nochtans roept Hij den Vader aan. Denken wij nu eens aan het verraad van Judas, aan het drijven der Joden, aan Pilatus' rechtspraak. Dat alles moest geschieden naar den Raad en Wil Gods, maar het sluit de schuld en verantwoordelijkheid van deze menschen niet uit: Wee den mensch, door wien Hij verraden wordt. (Matth. 26 vers 24). Die Mij overgeleverd hebben, hebben meerdere schuld. (Joh. 19 vers 11).
Geen valsche lijdelijkheid, maar gehoorzaamheid is de vrucht van het geloof in de Voorzienigheid Gods.
Daarop mag wel eens worden gewezen, omdat ook onder degenen, die den Christus belijden, zulk een lijdelijkheid wordt gevonden.
Dat is geen vrucht van waarachtig geloof, maar van redeneeringen van het verduisterd verstand.
Calvijn noemt dat een vermenging van hemel en aarde.
Hij noemt enkele voorbeelden.
Men zou zich niet mogen hoeden voor gevaar, geen medicijnmeester te hulp roepen, zich onthouden van schadelijke dingen.
Dat zou alles een zoeken zijn naar middelen om den wil Gods te veranderen, die immers het uur van onzen dood heeft bepaald.
Ja, anderen gaan zoó ver, dat zij het gebed verkeerd en onnuttig achten, omdat alle dingen toch bij God besloten en voorgenomen zijn.
Ten sjotte tornen zij ook aan de schuld en de verantwoordelijkheid van den mensch.
Deze en dergelijke dwaasheden keurt Calvijn af als booze overleggingen en schelmstukken. Daarentegen wijst hij op het waarachtig geloof, dat uitdrijft om door de leiding van Gods Geest te zoeken wat Gode welbehagelijk is en na te streven, wat de Heilige Schriftuur leert.
Waarom hij die dwaasheid een vermengen van hemel en aarde noemt, kan duidelijk zijn in het licht van de boven uiteengezette onderscheiding omtrent de verborgenheid van Gods wil.
Wie zoo redeneert, praat over dingen, die hij niet weet en niet weten kan. Niemand toch weet, wat er in de Voorzienigheid is weggelegd. Wie over het verborgene praat, dat bij God in den hemel is, geeft zich inderdaad over aan ijdele bespiegeling en dwaasheid.
De geopenbaarde dingen zijn voor den mensch. Geopenbaard is Gods gebod, en dat gebod leert, dat wij het leven van onszelf en onze naasten zullen beschermen. Uit dat gebod zullen wij het gevaar vermijden en het goede zoeken voor elkander. Doch krachtens hetzelfde gebod zullen wij den Naam des Heeren aanroepen in de ure des gevaars en dit in het geloof trotseeren, wanneer de gehoorzaamheid zulks eischt.
Het is wat anders over de Voorzienigheid te redeneeren en uit de Voorzienigheid te leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's