De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

Zeg tot hen: Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zoo Ik lust heb in den dood des goddeloozen! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve. Ezechiël 33 vers 11a.

Het volk Israël in ballingschap. Hoe vernederend en ontzettend deze toestand. Het volk Israël onderworpen aan vreemde heerschappij, bestuurd door een vreemd vorst, gehoorzamend aan vreemde wetten.
Maar vanwaar toch zulk een droevige toestand ? Wat was hiervan toch de oorzaak ? Israël was toch Gods volk. De Heere had het toch als Zijn bijzonder eigendom verkoren en met vele voorrechten en gunstbewijzen begiftigd. De Heere had met dit volk een verbond opgericht en het reeds beloofd aan Abraham, dat in zijn zaad alle geslachten des aardrijks gezegend zouden worden.
Hoe komt het dan, dat het grootste gedeelte van het volk zich in zulk een diepe vernedering bevindt ?
Heeft de Heere dan Zijn Woord verbroken ? Heeft Hij zich ontrouw betoond in hetgeen Hij Zijn volk had toegezegd ?
Neen, dat is onmogelijk.
De Heere blijft de getrouwe, dezelfde tot in eeuwigheid. Maar het volk Israël is van den Heere afgeweken. Dat volk, dat zoo beweldadigd was, heeft de inzettingen des Heeren verwaarloosd en telkens vreemde goden nagevolgd en gediend en alzoo gedaan wat kwaad was in de oogen des Heeren.
Israël koos liever zijn eigen weg, dan naar den wil des Heeren te luisteren.
Ja, voorzeker, het volk had des Heeren straffende hand verdiend, zich Zijn geduchte oordeelen waardig gemaakt, maar niet eerder, was de Heere er toe overgegaan, dan nadat Hij eerst Zijn waarschuwingen en vermaningen het volk had doen hooren. Profeten waren opgestaan in hun midden, daartoe verkoren en bekwaam gemaakt om 's Heeren oordeelen aan te kondigen, zoo zij zich niet bekeerden. Doch alles was te vergeefs en tenslotte is het geduld des Heeren uitgeput en worden de bedreigingen uitgevoerd.
Een groot deel van het volk zucht, in Babel onder vreemde heerschappij. Doch ook daar gedenkt Hij Zijn verbond. Door den profeet laat Hij het aanzeggen, dat zij niet in een troostelooze verslagenheid mogen vervallen, als zouden hunne zonden te groot en te vele zijn, dat de Heere ze niet zou kunnen vergeven. De Heere is rijk aan barmhartigheid en genade. Hij bevestigt het met een eed, dat Hij geen lust heeft aan den dood van den goddelooze, maar daarin heeft de Heere lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijn weg en leve.
Niettegenstaande Israels vele ongerechtigheden, niettegenstaande hun gedurigen afval van. den levenden God, wenscht Hij nog hun leven en niet hun verderf.
Voorzeker, een woord, rijk van inhoud. De Allerhoogste verzekert het met een eed tegenover den onreinen en nietigen zondaar. In het Hebreeuwsch staan twee woorden voor Heere, n.l. adonaj en Jehova. Wij kunnen het het best weergeven door : de Heere, Jehova.
De getrouwe Verbonds God kastijdt wel, maar verstoot niet. Hij wil Zijn ontfermende liefde toonen, hoever zij ook zijn afgeweken, hoe snood ook hunne misdrijven waren, hoezeer zij Hem hadden gegriefd, toch wil Hij zich in liefde tot hen nederbuigen. Met Zijn straffen bedoelt Hij alleen het goede voor Zijn volk; niet uit lust tot plagen tuchtigt Hij, maar tot hun nut. In gunstvolle ontferming is Hij over. Zijn afgedwaald volk bewogen.
Hij zoekt hen telkens weer op, opdat zij zouden erkennen dat de Heere alleen God is en dat Hij alleen aanbidding en hulde waardig is.
Maar ook tot ons komt de Heere met die verzekering : Ik heb geen lust in uwen dood, maar daarin, dat gij u zoudt bekeeren en leven. De Heere wenscht ons verderf niet. Hij heeft dat reeds getoond in de stille eeuwigheid vóór de grondlegging der wereld, toen in den Vrederaad reeds een middel van behoudenis werd aangewezen. De kribbe van Bethlehem spreekt zulk een duidelijke taal van het welbehagen des Heeren in zondige menschenkinderen: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Hoe wonderbaar is Gods genade, hoe ondoorgrondelijk voor ons verstand. Dat Hij Zijn eigen Zoon zond op deze vervloekte wereld, vol haat en nijd en ongerechtigheden, om hier te lijden en te sterven dien vreeselijken vloekdood aan het kruis, en dat alles voor onreine zondaren. Het gaat voor ons verstand te hoog.
Verstaan ook wij er iets van ?
Gevoelen wij ook, dat wij des doods schuldig zijn, maar ook, dat de Heere onze dood niet wil ?
Hoevele malen is die blijde boodschap al verkondigd; maar zoovelen gaan die prediking met onverschilligheid voorbij en wenden zich van den God des heils af en dienen de afgoden dezer wereld.
De afgoden der wereld, n.l. de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens verblinden hunne zinnen en nemen al hun gedachten in.
Hebt de wereld toch niet langer lief, noch hetgeen in de wereld is, want zoo iemand de wereld liefheeft, de liefde Gods is niet in hem, zoo klinkt de vermaning des Heeren.
Verootmoedig u toch voor het aangezicht des Heeren, nu 't nog niet te laat is. Verzet u niet langer tegen den Heere, maar bidt Hem, dat Hij door Zijn Heiligen Geest u uw zondigen en gevaarlijken toestand bekend make.
Gelukkig diegenen, die het mogen betuigen : Ik heb den eeuwigen dood verdiend, maar de Heere schenkt mij het eeuwige leven uit loutere genade, om de kruis-en zoenverdiensten van mijn dierbaren Borg en Zaligmaker. Ook in den weg van tegenspoed en kommer zal het dart worden uitgeroepen : Het is goed voor mij, verdrukt te zijn 'geweest. De Heere straft mij wel, maar naar mijne zonden niet.
Gods beloften falen nimmer. Niet een mensch, maar de Heere zelve heeft het gesproken : dat geeft een heerlijke troost en sterke bemoediging voor het verslagen hart. In gevaren en moeiten, in leed en druk, in voorspoed en tegenspoed, mag Gods kind het weten, dat de getrouwe verbonds-God hem niet zal begeven noch verlaten, dat zijn Zaligmaker in den hemel leeft en reeds de plaats voor hem heeft bereid. De hoop op dat eeuwige leven doet hem gemoedigd voorwaarts gaan met het oog op den Heere, den Oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, en het eeuwig zalig leven in de nabijheid van zijn dierbaren Zaligmaker doet 'hem blijmoedig het kruis opnemen, dat op zijn schouders is gelegd, wetende dat weldra de Heere zal komen en hem tot Zich zal nemen.
Als het leven Christus is, zal het sterven zeker gewin zijn.
Vreeswijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's