WAT CALVIJN ONS LEERT
Van de Voorzienigheid Gods.
Het heeft er niets van, dat Calvijn op een spitsvondige wijze alle bezwaren, die voor ons verstand rijzen, tracht weg te praten.
Dat zou hem slechts dwaasheid zijn.
Niet, hoe het wijsgeerig vernuft over deze dingen denkt en ook niet de logica van den man op de straat kan ons omtrent de Voorzienigheid onderrichten.
Het is een zaak van geloof.
Wie uit de waarachtige religie leeft, leeft ook uit 'het geloof in de allesomvattende Voorzienigheid.
In het bijzonder wijst hij er op, dat dit geloof geen verachting insluit van de wetenschap en de kunst. Hij bedoelt in dit verband de geneeskunst e.d.g., welke middelen vonden om het leven van den mensch te beschermen.
Vooreerst merkt hij op, dat wetenschap en kunst gaven Gods zijn, opdat zij Zijne Voorzienigheid zouden dienen.
Omdat zij door God den mensch worden ingeblazen, mag men ze niet verachten en wijl zij in dienst van Zijn Voorzienigheid staan, mag men ze niet versmaden.
Zooals in het vorige stuk werd opgemerkt, heeft de Heere in Zijn Woord bovendien duidelijk en menigmaal geboden, dat wij zullen doen, wat tot bescherming van het leven dienende is.
Zoo waarlijk alle leven in Zijn scheppende almacht zijn oorsprong en bron heeft, zoo waarlijk gaat ook Zijn zorg over alle leven. Daarom staan de geboden Gods in dienst Zijner Voorzienigheid.
De Wet is ten leven gegeven. Zij eischt gehoorzaamheid. In de gehoorzame betrachting van Gods gebod wordt des Heeren beschikking volbracht, omdat zij zich in dienst stelt van de goddelijke Voorzienigheid.
Juist, omdat het gebod ten leven is gegeven, hangt het saam met alles wat de Heere in Zijn bestel heeft goedgedacht en met het gansche stuk der Voorzienigheid.
Dit wordt niet verkleind door het feit, dat ons het gebod ten doode is geworden, alsof het daardoor krachteloos en een werkeloos stuk der Godsregeering zou zijn geworden.
In de aardsche samenleving kan een wet Weliswaar krachteloos worden. De wereldlijke macht geeft vaak wetten naar de omstandigheden van het oogenblik, die voor ^n latere generatie verouderd goed zijn. Het kan dus ook gebeuren, dat een wet nimmer wordt afgeschaft of veranderd en desondanks tot een doode letter wordt, die nog wel in het wetboek staat, maar door politie en justitie niet meer gehandhaafd. Men denke b.v. aan de Zondagswet.
Zooiets echter kan men van Gods Wet niet zeggen. Zij blijft haar eisch stellen ook als de menschen haar niet in eere houden, en de Rechter in den hemel laat Zijn recht niet varen. Daarin nu schuilt de kracht der Wet en dat ondervindt een iegelijk, die met Hem van doen krijgt.
Zoo staat dan de eisch der gehoorzaamheid in den dienst der Voorzienigheid, evenals de ontdekkende genade, die haar licht werpt over den eisch der Wet en het oordeel der ongehoorzaamheid.
Maar, zal iemand vragen, hoe staat het dan met de ongehoorzaamheid ?
Meent gij, dat de ongehoorzaamheid der menschen niet evenzeer in het licht der Voorzienigheid Gods moet worden gezien ?
Zeer zeker, ook dè Val en de ongehoorzaamheid van den mensch gaan niet buiten de Godsregeering om. Zou de Heere macht hebben over het goede en niet over het kwaad, zoo ware Hij een God, die Zijn macht moest deelen met den boozen oorsprong van het kwaad.
Daar is toch geen macht ter wereld naast God en buiten het Rijk Zijner heerschappij, want alle machten, die er zijn, zijn van God geordineerd.
Weer rijzen de vragen. Dieven en moordenaars en allerlei boosdoeners zouden dus hun booze stukken volbrengen door goddelijke beschikking ?
Maar, waarom worden zij dan nog gestraft ?
Indien dat zoo is, dienen de boosdoeners Gods wil en Voorzienigheid. Dan moet men ze daarom niet hard vallen.
Zulke redeneeringen vertoonen eenige verwantschap met beschouwingen, welke in onze dagen opgeld doen. Van straf en vergelding wil men niet weten. Strafgevangenis is een woord, waaraan men zich stoot. Misdadigers zijn eigenlijk geen booswichten en men kan ze niet verantwoordelijk stellen voor hun daden. Zij ktmnen immers niet anders. Ze zijn ziek, of erfelijk belast. Men moet ze terwille van henzelf en anderen uit de samenleving nemen, omdat ze gevaarlijk zijn, maar men wil ze niet als booswichten behandelen. Liever zinne men op middelen en wegen om hen te genezen.
Wie zoo redeneert, heft de strafwaardigheid op. Misdaad wordt als een zaak beschouwd, die nu eenmaal in de orde der dingen ligt, waarvan zij het noodwendig gevolg is.
Wat zal Calvijn hierop zeggen ? Hij komt zoo kloek en radicaal op voor de leer der Souvereiniteit Gods. Men zou misschien denken, dat hij door dergelijke beschouwingen in de klem werd gebracht en genoopt een weinig water in zijn wijn te mengen.
Dat is echter niet zoo.
Zeker, boosdoeners zijn instrumenten van Gods Voorzienigheid, die de Heere gebruikt tot de oordeelen, die Hij besloten heeft, zoo geeft Calvijn toe.
Doch hij ontkent, dat daarin een grond voor verontschuldiging is.
De boosdoeners bedrijven hun boosheden immers niet om God te dienen, maar zij volgen hun booze lust.
Doen wij soms het kwade, opdat wij Gode mogen gehoorzaam zijn ? — zoo vraagt hij.
God gebiedt ons niet dat wij kwaad zullen doen. Zonder te bedenken, wat God wil, vallen wij in het kwaad, gedreven door de begeerlijkheid van ons booze hart. Aldus dienen wij kwaad doende Gods rechtvaardige beschikking.
Calvijn doet een beroep op het geweten. Hij brengt de vraagstukken over op een ander terrein, waar ze ook behooren, n.l. op het terrein van het zedelijk bewustzijn.
Als het gaat over gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, schuld en verantwoordelijkheid, beweegt men zich op het gebied van het zedelijk leven. Daar beslist niet een verstandelijke sluitrede, maar het geweten spreekt. En als wij bij het geweten worden bepaald, blijkt het spoedig, dat het zich door verstandelijke redeneeringen niet laat sussen.
Doet gij kwaad om Gode gehoorzaamheid te bewijzen ?
Immers neen.
En dan gaat Calvijn nog een schrede verder, als hij vraagt: Gebiedt God u dan om kwaad te doen ?
Zelfs de goddelooze mensch kan in het geweten niet zeggen : ja.
Welnu, dan kan ook niemand zich verontschuldigen met te wijzen op de Voorzienigheid Gods.
Dit ware de ongerechtigheid aan God toeschrijven en eigen boosheid met Gods gerechtigheid willen bedekken.
Op deze wijze brengt Calvijn zijn lezers tot het inzicht, dat de leer der Voorzienigheid Gods niet misbruikt mag worden tot verkeerde overleggingen. En hij brengt de vraagstukken thuis, waar zij behooren. Hij laat niet toe, dat het verstand bazelt over de religie en over het geweten.
In dit opzicht neemt Calvijn een eenige plaats in en degenen, die na hem gekomen zijn, hebben hem daarin niet altijd gevolgd.
Ook niet, wanneer zij hem als leermeester meenden te mogen roemen.
Van ouds hebben de menschen de vraagstukken van religie en zedelijk leven behandeld, alsof de menschelijke rede hier het laatste woord kan hebben.
Calvijn heeft ingezien, dat de religie een eigen leven uit een eigen levensbeginsel heeft, dat over de gansche innerlijkheid van den mensch heerschappij neemt en daarom ook een centrale beteekenis heeft voor het openbare leven.
Daarom maakt Calvijn onderscheid tusschen het gebied der rede en der religie. Hij legt de rede het zwijgen op, om de religie zelf aan het woord te laten. Hij doet dat zoó eenvoudig, dat men het haast zoo voorbij zien.
Te midden van de redeneeringen over de Voorzienigheid en over de strafwaardigheid van de boosdoeners, vraagt hij :
Doen de boosdoeners hun booze daden dan om God te gehoorzamen en Hem te dienen ?
Zoo roept hij in ons het religieus en zedelijk besef wakker om verantwoording te doen.
Gebiedt God soms den boosdoener : Gij zult stelen. Gij zult doodslaan. Gij ziit valsche getuigenis geven, etc. ?
Het is alweer duidelijk. Zelfs de boosdoener antwoordt: neen.
Zoo leert Calvijn de menschen onderscheiden en geestelijke dingen met geestelijke vergelijken.
Daarmede staan wij op een nieuw plan. Wij zijn genaderd tot het leven der religie zelf en tot de vrucht, welke het geloof in de Voorzienigheid Gods voor ons leven kan hebben.
Die vrucht is tegengesteld aan die van het heidensche bijgeloof.
Wij hebben daarop gewezen.
Wanneer men meent, dat een blinde fortuin het beloop aller dingen bepaalt, dan zit men voortdurend in angst. Alles staat, om zoo te zeggen, op losse schroeven. Men is geen oogenblik zeker van zijn leven. Wat kan een mensch al niet overkomen ? En brengt dat dan eens over op onzen drukken tijd met al zijn bezwaren en gevaren. Overal dreigt de dood.
Wat al zorg en kommer treft den mensch, die te midden van deze gevaren zijn weg moet zoeken, terwijl hij zich overal omringd acht door het onberekenbare noodlot.
En inderdaad is dat het leven van den natuurlijken mensch.
Maar als het licht der Voorzienigheid over zijn ziel opgaat, wordt dat anders.
De eerste vrucht is wel deze, dat hij verlost wordt van die angsten en zorgen, welke hem kwelden in de dagen van zijn ongeloof.
Immers als de Heere in den hemel alle dingen naar Zijn Raad bestelt en in Zijn hand heeft, dan is ook ons leven bij Hem bewaard, die in Christus Jezus een Vader wil zijn.
Dan valt het licht op de troost, welke in de leer der Voorzienigheid moet zijn, omdat de Heere hem beschermt en behoedt en Zijn engelen daartoe beveelt.
In dit verband wijst Calvijn op Psalm 91, waarin de dichter de voorzienige bescherming en de vaderlijke zorg des Heeren prijst.
Dat wordt de ervaring van Gods kinderen. Daarom leeren zij ook instemmen met den 118den Psalm; De Heere is bij mij. Ik zal niet vreezen. Wat zal mij een mensch doen ?
Geen booze macht kan zich roeren tegen Gods wil. Ja, ook de duivelsche machten kunnen Gods Raad niet verbreken, hoezeer zij te keer gaan en de wereld in verwarring brengen. Zij kunnen niet verder gaan dan God hun toestaat.
Welk een troost ligt er in, en hoe veilig is de mensch, die op den Heere vertrouwt.
Ja, ook de tijden zijn in Gods hand.
Er is veel wisseling en verandering in het leven der menschheid en in het leven van den enkeling. Hoe velerlei en hoe vaak veranderen de omstandigheden van ons leven, hoe spoedig kan de blijdschap in rouw verkeeren.
Dat heeft ook David menigvuldig ervaren, maar ook uit deze wisselvalligheden des levens neemt hij zijn toevlucht tot God den Heere, als zijn Burcht en vastigheid. (Psalm 31).
De Heilige Schrift is vervuld van deze dingen en toont telkens weer, hoe de Heere het dreigend gevaar afwendt en ten goede keert. Calvijn wijst nog op Jesaja 7. Twee koningen bedreigen Achaz, den koning van Juda, maar de profeet komt hem tegen met de boodschap : Wacht u, en zijt gerust, vrees niet en uw hart worde niet week vanwege die twee staarten dezer rookende vuurbranden.
De uittocht uit Egypte wordt in de herinnering van het volk Israël bewaard als een bewijs van de verlossende hand des Heeren, die het paard en den ruiter in de zee heeft geworpen, terwijl Zijn volk droogvoets daardoor werd geleid.
Zoo ziet Ezechiël den val van Babel, terwijl het nog bezig is het volk te ver drukken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's