De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

21 minuten leestijd

Ds. VAN SCHUPPEN over DE KERK
We halen geen oude dingen op. Waartoe is het noodig. Maar ds. H. J. van Schuppen, Ned. Herv. pred. te Lunteren — vroeger te Groot-Ammers (1918—'26), te Oudewater (1926— '29) — heeft een tijd achter zich, waarin hij heel andere dingen geleerd heeft dan tegenwoordig.
Zijn „geestelijke" gang slingerde nogal eens. Zoo is het gebeurd, dat hij, in Groot-Ammers dominé zijnde, een preekenbundeltje „voor eenvoudigen" gaf (1920) waarvan hij, in Lunteren dominé zijnde (I930) in „De Waarheidsvriend", in een „Ingezonden" schreef : „ik kan onmogelijk geheel den inhoud dezer preekjes nog voor mijn rekening nemen. Wie ze koopt, moet dus bedenken, dat ze naar mijn vaste overtuiging niet den toets van het zuiver Gereformeerd of reformatorisch beginsel kunnen doorstaan". De „preekjes" (typische uitdrukking toen van (ds. Van Schuppen, Jan. 1930) werden dus als niet zuiver Gereformeerd verloochend ! Dat kwam, omdat ds. Van Schuppen langzamerhand (zooals hij nu schrijft) in piëtistische en separatistische wateren verzeild geraakt was.....
Maar we laten dat nu maar rustig liggen. Liever beluisteren we ds. Van Schuppen nu, nu hij blijkbaar weer is omgeslagen en heel andere toonen laat hooren dan in z'n „tusschenperiode" De „piëtist en separatist" Van Schuppen is nu weer „gezond reformatorisch" geworden — zooals hij zelf zegt. Hoe we dat Weten ? Uit een rede, door ds. Van Schuppen gehouden te Waddinxveen, Vrijdag 25 Maart J.1l, onderwerp : „Om de Kerk der Reformatie" (N.H. Radio-Omroep, April '38). We laten enkele passages, waarom het ons hier te doen is, volgen :
„4 a 5 jaar geleden zou ik er niet aan gedacht hebben hier te spreken, zooals ik nu ga doen ; ik leefde toen nog te veel in de gedachtenwereld van het separatisme en het piëtisme. Daar wordt niet over de Kerk gesproken ! Men denkt daar te veel aan „eigen zaligheid alleen". De Hervormden hebben hun eigen Kerk uit 't oog verloren. Dat moet, naar Gods bevel, nu eens uit zijn! Moeten we dan Kerkistisch worden ? Moet de Hervormde Kerk dan het een en het al zijn ? Ja ! De Hervormde Kerk moet de Kerk van Nederland zijn ! Als dit dan „Kerkistisch" is, dan wil ik dit zijn ! Het moet gaan om de Kerk der reformatie en het heil van ons volk ! Spr. zegt, dat hij hierin nu anders spreekt dan vroeger ; de Hervormde Kerk is dezelfde gebleven, maar hij niet. Hij groeide op in een piëtistischen kring, waarop men een etiket geplakt had met den naam „Gereformeerd". Maar men was niet Gereformeerd ! Men zag de Kerk niet ! Ook Gods Verbond hield men niet in 't oog, terwijl de beteekenis van den doop niet werd verstaan. Spr. zag alles verkeerd. God heeft Zijn Verbond met onze Hervormde Kerk ; de Kerk is niet een bepaalde groep, maar allen, die door den doop in Gods Verbond begrepen zijn. De Hervormde Kerk is nog de Kerk van Christus, want nog wordt het Evangelie rein gepredikt en de Sacramenten bediend volgens de instelling van Christus. Zoo onze Kerk geen Kerk van Christus meer was, dan zouden we haar direct moeten verlaten, zooals ook onze Gereformeerde Confessie zegt. En daarom moet de Hervormde Kerk al de liefde van ons hart hebben. Het gaat hier ook om het heil des volks en de eere Gods. God gedenkt haar nog en is haar nog genadig. De Heere houdt door de Hervormde Kerk ons volk nog vast ! Er bestaan nu meer dan 30 „Gereformeerde" Kerkjes, omdat men uit , , de vallei der dorre doodsbeenderen", dat is dan onze Hervormde Kerk, „de beste weggehaald heeft". Dat is zuiver separatisme ! Het stempel van scheuring is op alles gezet. En dit separatisme werkt verlammend ; het geeft niet de eer aan God, rmaar aan den mensch, aan de partij !
Onze Hervormde Kerk moet de positie van voorheen terugkrijgen ! Onze Kerk — men spreekt altijd nog van de „Groote Kerk" — moet zijn het zout der aarde. Ze is geworden uit den geweldigen worstelstrijd met Rome. Deze plaats van weleer komt haar nóg toe ! Wij willen de Kerk der Reformatie zien ter wille van de heerlijkheid Gods. Het .gaat ons om het ééne groote beginsel van de Kerk der Reformatie. Noemt men dit Kerkistisch ? Het zij zoo. Om de Kerk der Reformatie wil ik alle hatelijke bijvoegelijke naamwoorden in ontvangst nemen. Als de uitkomst maar is tot heil des volks. We moeten wakker worden. Temeer, waar de Hervormden veel te veel hebben meegewerkt om de gescheiden Kerken te bouwen. We moeten in kerkelijke-geestelijke zaken als Hervormden meer één zijn. We mogen onze roeping in deze niet verzaken. Onze Hervormde Kerk is hier door God Zelf geplant. Ons drijft geen concurrentiezucht, maar de nood van ons volk dringt ons. Het gaat ons om de éénheid der Kerk, die eisch Gods is. Velen zijn even onkundig, als ik eertijds was. Men ziet de Kerk niet meer ! Alles is verminkt : piëtistische, doopersche leerstellingen worden gedekt met den naam van Gereformeerd. Men ziet de Kerk niet meer, zooals de Reformatoren haar zagen. Het wordt tijd, dat de oogen daarvoor opengaan. De Hervormde Kerk moet worden vastgehouden. En onze grondslag is Gods Woord, naar de opvatting der belijdenis der Ned. Hervormde Kerk. Het gaat om de Kerk van Christus. Tot allen die heengingen, roepen we: Keert terug ! „Nooit kan 't geloof te veel verwachten".
Tot zoover ds. Van Schuppen in zijn rede voor de Hervormde Radio te Waddinxveen op Vrijdag 25 Maart '38.
Uit „de piëtistische, separatistische wateren" teruggekeerd. De Kerk, het Verbond, de Doop weer in 't centrum.

GEREFORMEERD OF INDEPENDENT ?
Dat vreemde woord „independent" beteekent zooveel als „onafhankelijk". In het ker­kelijk leven is de independentistische richting, dat men als plaatselijke Kerk onafhankelijk wil blijven van de andere Kerken. Wat de andere Kerken doen, is misschien wel interessant, maar als plaatselijke Kerk voelt men zich nog al, en men wil liefst op zich zelf 'blijven, onafhankelijk van de andere Kerken. En daarom heeft men niet veel op met meerdere of breedere kerkelijke vergaderingen, noch met Synodes en Synodale besluiten. Hoogstens wil men nog even luisteren naar een „advies", dat een breedere of hoogere kerkelijke vergadering of Synode geeft, maar men moet dan zelf vrij blijven, om het „advies" ('t mag natuurlijk geen „besluit" of „beslissing" genoemd worden, volgens den independent) op te volgen (uit vriendelijkheid) óf naast zich neer te leggen.
Zoo is er van kerkelijk samenleven natuurlijk geen sprake ! Men gaat liefst eenvoudig z'n eigen weg en stoort zich niet aan anderen. Anderen — zoo zegt men — hebben geen recht hun hand uit te steken naar de autonome plaatselijke Kerk, die zelfbeschikkingsrecht heeft en houden moet — volgens de leer der independenten.
Nu gaat het Gereformeerd Kerkrecht een andere richting uit.
De hoeksteen van het Gereformeerd Kerkrecht is de plaatselijke gemeente met de drie ambten en den Kerkeraad.
Maar geen oogenblik wordt de plaatselijke gemeente los en onafhankelijk gedacht van de gezamenlijke Kerken. Net zoo goed als de plaatselijke gemeente een complete Kerk is (ecclesia completa), net zoo goed behoort zij bij de gezamenlijke Kerken. Die Kerk zegt, zegt Kerken. En die Kerken zegt, zegt Kerk.
De Wezelsche Artikelen toewijzen dat aanstonds.
Zoo zeker als de plaatselijke Kerk niet zonder Kerkeraad kan, zoo zeker kunnen de Kerken niet zonder Kerkverband met gezamenlijk vergaderen. Bij het Gereformeerd kerkelijk leven behooren de Classicale Vergadering (2 maal per jaar) voor de Kerken in de Classis ; en de Provinciale Synode en de Nationale Synode.
De beste Dogmatici van Gereformeerden huize hebben hierop altijd gewezen. En de hangende kwesties in de Gereformeerde Kerken brengen deze dingen weer eens naar voren — wat goed werken kan.
Prof. dr. H. H. Kuyper zegt : „Men moet hier ter schole gaan bij onze beste Dogmatici ; men moet zich verdiepen in de Synopsis, men moet lezen wat a Marck en Bernardus de Moor, Turretinus e.a. leeren. Hun eenparig getuigenis nu is, dat de Synodes krachtens, het Goddelijke recht der Schrift zijn ingesteld en bevoegd zijn met name om tucht te oefenen, enz. En dan zegt prof. Kuyper iets, waarop we eens moeten letten :
„Er is slechts één onzer Theologen van naam, die daarover anders heeft gedacht. Het was Amesius, hoogleeraar te Franeker. Een man, die vooral door zijn Ethiek groote beteekenis heeft gehad. Een beslist voorstander van de Dordtsche Theologie. Maar op kerkrechtelijk gebied was hij Independent. En hij eindigde dan ook met zijn professoraat neer te leggen en predikant bij een Independentistische gemeente te Rotterdam te worden"

VOETIUS EN DE KERKVISITATIE
Wij ontleenen aan „De Heraut" het volgende :
De Kerkvisitatie dient volgens Artikel 44 Dordtsche Kerkorde o.a. om toe te zien, of de leeraars, kerkeraden en diakenen hun ambt getrouw waarnemen ; waartoe zeker ook behoort of de kerkelijke discipline, opzicht en tucht, onderhouden wordt. Volgens de oude visitatie-reglementen was het dan gewoonte (zie de Visitatie-reglementen van Gelderland 1698 en Z.-Holland 1724) dat eerst de predikanten de vergadering verlieten en buiten stonden, terwijl dan de ouderlingen en de diakenen over den predikant getuigenis gaven.
Daarna stonden de ouderlingen buiten en moesten de predikanten en diakenen over de ouderlingen getuigenis geven.
Ten slotte moesten de diakenen buiten staan en werd het getuigenis gevraagd van de predikanten en ouderlingen.
Ten opzichte van de ouderlingen werd dan o.a. aan de predikanten en de diakenen gevraagd, of zij nevens den Leeraar de discipline oefenen tegen ergerlijke lidmaten en hun plicht deden in 't bestraffen van de ongeregelden en die aan te brengen bij den Kerkeraad.
Voetius trekt hier de lijnen wat anders [Pol. Eccl. Pars III (t. 4) p. 101]. Hij zegt, dat hij de ouderlingen en diakenen onderzocht moet worden of de predikant z'n dienst trouw waar neemt.
Bij de predikanten (maar bij hen alléén !) of de ouderlingen dat doen. En bij de predikanten en ouderlingen of dit ook geschiedt door de diakenen.
Voetius leerde dat, omdat hij de zaken van de discipline, van opzicht en tucht, wilde houden bij den predikant en ouderlingen, waar ze thuis hooren, en niet bij de diakenen.
Voetius leerde verder, dat, wat de gemeente betreft, door kerkvisitatoren bij predikanten, ouderlingen en diakenen gezamenlijk een onderzoek moet worden gedaan, hoe groot het aantal gecensureerden is enz., ook of er twisten in de gemeente zijn en of er ook van het Avondmaal afgehouden worden, enz. (p. 102).
Prof. dr. H. H. Kuyper zegt ten slotte : „Voetius heeft hier de lijnen zuiverder getrokken dan dit geschiedde in de bovengenoemde Visitatie-reglementen. De amhten moeten onderscheiden blijven en de tucht komt niet aan de diakenen, maar aan de ouderlingen toe".

DE VERBONDSBESCHOUWING
Over het Genadeverbond en de Verbondsbeschouwing is nog al wat te doen. 't Komt ons voor, dat men het soms met alle geweld veel ingewikkelder wil maken, dan de dingen zijn en dan onze belijdenisschriften en de liturgische formulieren het ons leeren. Wij denken wel eens : als we onze liturgische formulieren voor de bediening van het Sacrament van den H. Doop èn van het H. Avondmaal nog niet hadden, en we moesten ze in onze dagen met elkaar gaan opstellen, dan kwam er niets van terecht ! Wat zijn er toch verwarde en verwaterde begrippen in deze onder ons ! Gelukkig, dat we tenminste hebben wat onze Vaderen drie honderd jaar geleden hebben opgesteld, niet als volmaakt menschenwerk, maar als de geloofstaal van hen, die leven mochten bij en uit de Schriften ! Laten we toch hoogelijk waardeeren wat we hebben — wat waarlijk niet door allen, die zich Gereformeerd noemen, geschiedt. Het is dikwijls alsof men in 't minst geen benul heeft van wat er geschreven staat.
Tusschen de Chr. Geref. Kerk en de Geref. Gemeenten (van ds. Kersten) is er nog al wrijving. Gelijk ook tusschen de Chr. Geref. Kerk en velen in de Geref. Kerken. We laten hier — zonder nu op de bijzonderheden in te gaan — een paar gedeelten volgen van een Catechismus-verklaring van prof. Van der Schuit, van de Theol. School te Apeldoorn, rakende deze dingen, 't Zijn hier maar losse zinnen, die we citeeren, maar we doen het alleen maar om nog eens even de dingen te memoreeren.
De Catechismus-verklaring van prof. Van der Schuit staat in „De Wekker" van 24 Juni j.l. 't Gaat over vr. en antw. 15 van den Catechismus. „Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken ? " Dat geeft dan aanleiding om over het Verbond te schrijven.
„Het gaat over het zoeken Gods in den weg van het Verbond der genade, waarin wij kinderen Gods en erfgenamen des eeuwigen levens genoemd worden". „Deze zoo sterke uitdrukkingen kunnen aanleiding geven tot misverstand, gelijk ook is geschied. Wij zijn er zoo aan gewoon geraakt om de benamingen „kinderen Gods" en „erfgenamen des eeuwigen levens" alleen te betrekken op de ware geloovigen en het getal der uitverkorenen — dat wij aan deze benaming als Verbondsterminologie ontwend zijn". „Dat is heel jammer, en heeft aanleiding gegeven tot een versubjectiveering van het Verbond der genade, waaraan onze Vaderen in de dagen van Calvijn totaal vreemd zijn geweest".
„Het is ook uit oorzaak van al deze al te versubjectiveerde streving, dat de reformatorische uitdrukking van ons Doopsformulier : „dit Uw kind" in onbruik is geraakt, en dat er voor in de plaats gekomen is het zoo weinig zeggend „dit kind".
Wij kennen immers wel die schoone passage uit het gebed vóór den Doop : „Wij bidden U, bij Uwe grondelooze barmhartigheid, dat Gij dit Uw kind, genadiglijk wilt aanzien". Dat ,,Uw" laat men maar eenvoudig weg.....
„Hier blijkt wel heel duidelijk, dat onze Vaderen niet gedacht hebben aan een Verbond, alleen opgericht met uitverkorenen. Want wij zullen toch zeker niet voor God in ons gebed vóór den Doop durven verklaren, dat ieder kind, dat gedoopt wordt, een uitverkorene is ? Om dit kind dan als een uitverkorene aan den Heere op te dragen ? "
Het gaat om de kinderen, die Verbondskinderen zijn. We kennen niet slechts de uitverkorenen. We kennen de Verbondskinderen, met wie God het Verbond heeft opgericht. „Ik zal Mijn Verbond oprichten met U en met uw kinderen". En dat moeten we met beperken tot de uitverkorenen, tot de „onderwerpelijke beleving". Men wil dikwijls niet weten van een objectieve geestelijke Verbondsrelatie. Men meent, als men zóó spreekt, dat alle geestelijke realiteit er uit verdwijnt.
Maar het is geheel onjuist, om te zeggen, dat het Verbond der genade wordt aangeboden aan de groote schare, doch wordt opgericht met het kleine getal der uitverkorenen. „Het Verbond is geen aanbieding onder voorwaarde, maar een positieve handeling Gods, die elke bondeling betrekt in de belofte des Verbonds". „Het Verbond is onvoorwaardelijk, de belofte des Verbonds staat in het teeken : „die in den Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven".
„Er zijn dus wel voorwaarden in het Genadeverbond, maar daarmede wordt het Verbond zelf nog niet voorwaardelijk. „In de H. Schrift heeft het Verbond altijd een rotsvaste beteekenis, ook al wankelt heel Israël in de beleving en in het houden van voorwaarden des Verbonds". De Heere zegt dan ook : „Ik doe het niet om Uwentwil, maar om mijns Naams en Verbonds wil".
,,Uit dien vasten grond van het Verbond der genade heeft Calvijn altijd zijn heilsleer opgebouwd ; en er is niemand, noch vóór noch na Calvijn geweest, die zoo rijk de beteekenis van het Verbond der Genade heeft verklaard als deze Reformator".
Het is merkwaardig — aldus prof. Van der Schuit ten slotte (voorloopig althans „ten slotte") dat wij in dagen leven, waar „de uitersten elkander ontmoeten, en de Geref. Gemeenten en de Geref. Kerken in hun Verbondsleer tal van punten van overeenkomst hébben. En daardoor wordt dan de gezonde reformatorische Verbondsleer verloochend ; en men gaat over op een zijpad, waar het subjectivisme heerscht, en de troostgrond ons wordt ontnomen, die God de Heere in Zijn Verbond ons gegeven en gelaten heeft".
„Gij hebt er o zoo groot belang bij, ouders, dat gij dit deel van uw belijdenis goed verstaat, opdat gij voor Uw zaad een toevoorzicht zult hebben.
Gij hebt er zoo groot belang bij, jongeling en jongedochter, opdat gij weten zoudt, dat de God des Verbonds Uw leven gekroond heeft. En wee uwer, wanneer gij die kroon in het slijk vertreedt.
Gij hebt er zoo groot belang bij. Kerk des Heeren, want uit de bewegelijkheid van uw gemoedsleven wordt gij hier opgebeurd tot de blinkende hoogte van uw zielerust: „bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het Verbond mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, uw Ontfermer".
Als we deze dingen weer lezen denken we aan de artikelen-reeks, die ds. J. G. Woelderink in ons Bondsblad geschreven heeft. En het verblijdt ons, dat zoo velen, vooral onder de jongeren — maar waarlijk niet onder de jongeren alléén — van die artikelen hebben „genoten" en „zooveel hebben geleerd". Natuurlijk waren er ook wel, die „slijk en modder" opspoten en laster en leugen uit­ bazuinden, maar dat deert ons en velen met ons gelukkig niet. Dat komt méér voor, „dat men zelf niet wil ingaan en dan bovendien anderen ook wil verhinderen in te gaan". Maar we zien het voor onze oogen en onze ooren kunnen 't overal beluisteren : ons volk gaat verloren, omdat het z'n doop niet meer verstaat. En de Kerk van Christus wordt tot een „gezelschap", tot een „secte", tot een „kringetje" en „clubje" gemaakt, waar men noch van den Doop, noch van het Avondmaal ook maar iets verstaat.
Men praat 't liefst over een „kringetje" — dat zijn dan de echte en de ware vromen ! — maar om de Kerk als zoodanig geeft men niets, het is hoogstens een ,,Vereeniging", waarvan men, nu ja, lid wordt ; maar men ziet b. V. in de Hervormde Kerk niets van Kerk. Als men het goed wil hebben, moet men zijn in het gezelschapje van A of het kerkje van B., waar alles steunt op de z.g.n. „subjectieve beleving der dingen" ; wat dan niet zelden blijkt te zijn een moeras, waaruit vele schadelijke dampen opstijgen, voor ouderen en jongeren niet' tot een zegen ! En de Kerk gaat er mee verloren !
,,Gij hebt er groot belang bij, ouders, dat gij dit deel van uw belijdenis verstaat Gij hebt er zoo groot belang bij, jongeling en jongedochter, opdat gij weten zoudt, dat de God des Verbonds Uw leven gekroond heeft Gij hebt er zoo groot belang bij. Kerk des Heeren, want uit de bewegelijkheid van uw gemoedsleven wil de God des Verbonds U opbeuren tot de blinkende hoogte van uw zielerust in Hem, die zegt : bergen zullen wijken — maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken — en het Verbond mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, uw Ontfermer". (Prof. V. d. Schuit).

PROF. DR. J. H. GUNNING: De Kerk, de Belijdenis enz. (2)
Prof. Gunning had met dezelfde tegenwerpingen te maken als wij nu. Men zei : Gods Woord — wat is dat ? Een beroep op Gods Woord — wat is dat ? Ieder komt ten slotte met z'n persoonlijke opvatting en dan draaien we rond in den vicieuzen cirkel.....
Maar toen dorst prof. Gunning te schrijven: als gij zóó redeneert, loochent gij eigenlijk dat er een Goddelijke openbaring is. Dan loochent gij, dat die openbaring Gods kracht heeft in de Kerk. Dan wordt het spreken over de openbaring Gods „een woord in de lucht". En deze loochening van de openbaring Gods is een groote zonde, een gruwelijke zonde der Kerk. De Kerk die loochent, dat er een openbaring Gods is, is geen Kerk meer ; dat wordt een Vereeniging van elk wat wils, al naardat de particuliere meening der leden belieft aan te geven, zonder dat er eenige goddelijke Waarheid is. Waar moet de Kerk dan blijven, die van God geroepen is om een pilaar en vastigheid der Waarheid te zijn, verkondigende de veelvuldige wijsheid Gods ? De Kerk is dan wég. Zij verspeelt ook trouwens op die manier de éénige reden, waarom er een Kerk is, n.l. om te zijn een getrouwe getuige van Jezus Christus, den Zone Gods ! Dat moet de Kerk doen. Niet maar A of B of C particulier, maar de Kerk als Kerk. Daarvoor is zij door God in het aanzijn geroepen en als zij dat niet kan en niet wil en niet doet, dan is de eenige oorzaak van haar bestaan vervallen. Dan kan zij wel verdwijnen. Want het éénige, waarvoor zij bestaat, verloochent zij, en al 't andere wat zij doen wil kan een andere Vereeniging dan minstens zoo goed doen als zij, die ontrouw is in haar eerste roeping en plicht : belijdende den N.iam des Heeren, naar Zijn Woord en Zijn wil !
Van de Kerk, van de Hervormde Kerk, moet niet kunnen gezegd worden: velen in die Kerk gelooven nog in den Christus der Schriften, alhoewel er ook velen in die Kerk zijn, die er niet in gelooven. Neen, er moet gezegd kunnen worden : de Hervormde Kerk als Kerk is een getrouwe getuige van Christus en een verkondigster van goede boodschap. De 'Heere heeft Zelf getuigd zoo'n Kerk te willen hebben, wezenlijk onderscheiden van heiden-en Jodendom, als de Kerk van Jezus Christus, geen andere zaligheid kennend dan in Hem alléén !
„En nu staat er wel in Artikel 11 van het Algem. Synodaal Reglement, dat de leer der Kerk moet worden gehandhaafd", aldus prol'. Gunning in zijn brochure ,,onze Zonde" (blz, 9), „maar treuriger geesteloosheid dan dat Artikel 11 is niet denkbaar". Die „leer" is heel iets anders geworden dan de belijdenis, (ie levende belijdenis der Kerk. En dan staat die „handhaving" midden in het samenstel onzer reglementen, die „de werkzaamheden van de Besturen" omschrijven en bepalen ; waarbij van een belijden der Kerk geen sprake is en ook van geen beroep op Gods Woord. Zoo kan „handhaven" ten slotte niet anders zijn dan „zielloos conserveeren" oi' „onaangeroerd laten" of iets dergelijks. Artikel 11 is een misleidend een onwaardig Artikel". Nochtans wordt ook zelfs in de Reglementen verzekerd, dat de belijdenis der Kerk niet mag verdwijnen.
„Wij hebben samen in deze gezondigd ; en zoovelen we dit inzien, gelijk ook mijn oogen daarvoor geopend zijn, moeten wij dit met verslagen hart belijden" (hlz. 10). „Onze houding is karakterloos en we zijn ontrouw aan den Heere, met verkrachting van het waarheidsgevoel. Voor de modernen is de godsdienst een „verschijnsel", zonder persoonlijke openbaring Gods uit des menschen natuur voortkomende en naar historische voorwaarden steeds hooger ontwikkeld. Zoo is de godsdienst vanzelf subjectief. Bij deze (moderne) overtuiging is het correct, óók andere overtuigingen in de Kerk nevens de eigene te dulden ; ja, dat kan zelfs wenschelijk zijn. De modernen zouden ten bewijze van hun „verdraagzaamheid" en ook om een niet al te eentonig tafereel des geheels te krijgen, niet gaarne de anderen missen in de Kerk. Daarmee zijn zij zich zelve niet ontrouw. Maar anders is het bij ons. Wij belijden een persoonlijke openbaring Gods, die dus (ondanks het subjectieve en gebrekkige van ónzen vorm) Goddelijke Waarheid, de Waarheid is. Die Waarheid mag maar niet als uiting, richting, meening van deze of gene gelden, naast andere meeningen. Dan zouden wij de Waarheid Gods kalm gelijkschakelen met de subjectieve meening van wie ook. Wij mogen maar niet een juk aantrekken met een vreemde. Wij mogen voor een linzengerecht van kerkelijke rust ons eerstgeboorterecht niet verkoopen".
„Dit is mij duidelijk geworden. Ik heb leeren inzien hoe het in den grond goddeloos en liefdeloos is, het geloof in Jezus als den Christus naar de Schriften tot een „richting" nevens andere te laten maken, gelijk onze Kerkorganisatie doet. Het is goddeloos, aan die Goddelijke Waarheid, zelfs kerkelijk, niet de hoogste Getuigenplaats te geven, zoodat niets er naast kan staan". En het is niet alleen goddeloos, maar het is, ook liefdeloos, „omdat de gewetens verward worden als het alles beslissend Woord van Christus, die de weg, de Waarheid en het leven is, vermengd wordt met allerlei getuigenissen, die de weg en de waarheid loochenen en het leven niet brengen, maar den dood — als het ten minste waar is (en het is waar !) dat Christus de éénige en algenoegzame Zaligmaker is", (blz. 11).
Al deze dingen schreef prof. Gunning aan zijn „geëerde Medebroeder" dr. J. Th. de Visser, te Amsterdam, omdat deze in de .reorganisatiebeweging een ander standpunt innam dan dr. Hoedemaker en Gunning ; en het niet onduidelijk liet uitkomen, dat hij het betreurde, dat óók prof. Gunning zich met deze dingen ging bemoeien.
„Deze dingen", zoo zegt prof. G. daarom, „moest ik, geëerde Medebroeder ! eerst laten voorafgaan, omdat wat ik verder te zeggen neb, hiermee ten nauwste verband houdt".
Wat prof. G. verder dan te zeggen heeft, willen we een volgende maal beluisteren. Juist omdat het staat in het teeken van „Onze Zonde".
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's