MEDITATIE
„En een groote schare der priesters werd den geloove gehoorzaam". Handelingen 6 vers 7b.
Er zijn van die woorden in de Heilige Schrift, die alleen bij aandachtige lezing opvallen en dan een verrassend licht werpen op Gods wonderdoende genade. Niet waar, welk een genademacht wordt getoond in de enkele woorden, waardoor ons de bekeering der priesters wordt verhaald.
Slechts enkele woorden zijn het, maar zij openbaren ons Gods groote liefde in het redden van zondaren, als de moordenaars van Christus zelfs door den Heere worden opgezocht om hun de verzoenende kracht van Christus' bloed bekend te maken. Zij toonen ons hoe onwederstandelijk de genade is, als de grootste vijanden van Christus zich toch gewonnen moeten geven als de Heere hun harten door Zijn Geest bewerkt. Zij leeren ons, dat niemand zich op den duur tegen den Heere verzetten kan, wanneer Hij de hand aan hen slaat. Zoo spreekt bovenstaande tekst van Gods wonderdoende genademacht.
De tekst verplaatst ons naar Jeruzalem. Nog stond de tempel, hoewel de dienst der schaduwen voorbij was, sinds het volle licht der vervulling in Christus' dood en opstanding was opgegaan. Het heilige der heiligen was voor ieder toegankelijk gemaakt, sinds de Heere door Zijn verbroken vleesch een ontsloten toegang tot den Vader had gemaakt en als bevestiging daarvan het voorhangsel scheurde van boven naar beneden. Geen altaar behoefde meer te rooken sinds Golgotha's altaar 't bloed der verzoening had gedragen en geen priesters behoefden bemiddelend op te treden sinds Christus de eenige Hoogepriester bij den Vader was om als Middelaar tusschen te treden voor menschen, die voor God niet bestaan kunnen.
Toch schijnen menschenhanden 't voorhangsel geheeld te hebben, want de mensch is doof voor Gods stem en wijzer in het stuk der verlossing dan de Heere zelf. Daarom bleven de priesters in hun blindheid dienstwerk doen, dat geen dienen van God was, maar bedekte vijandschap tegen Zijn werk. Zij achten het bloed van Christus onrein. Buiten Christus' bloed hebben zij rust in hun eigen werk. Het priesterlijk kleed gaf hun zekerheid Gode aangenaam te zijn en zoo hadden zij het kleed van Christus' gerechtigheid niet noodig. Zij waren klaar voor de eeuwigheid en hadden geen Verlosser noodig.
Och, waar is de mensch, die het niet meer buiten Christus stellen kan ? De groote massa van de kerkgangers zijn wijs in het stuk der verlossing, zij weten goed, hoe het wèl en hoe het niet moet, maar er zijn zoo weinigen die niet weten hoe zij ooit zalig zullen worden, die niet weten hoe zij voor God zullen bestaan en daarom goddelijk onderwijs in de wegen des Heeren noodig hebben en vragen : ,, leid mij in Uw waarheid". De breede massa heeft het bloed van Christus niet noodig. Zij zijn rustig in hun dienen van God, terwijl er vijandschap tegen Christus en. Gods werk op den bodem van hun hart ligt. Bedekte vijandschap, want zij zijn er blind voor, evenals de priesters, en achten zich voorbeelden te zijn. Dragen zij niet een kleed, dat van Gods dienst getuigt ? Met de schare, die de Wet niet kent, hebben zij deernis, maar is er ook deernis over hun eigen zieletoestand ? Is er wel iets dat hen opschrikt op hun dwaalweg en doet zien dat zij vijanden van God zijn, omdat zij buiten Christus kunnen voortleven en Zijn bloed niet noodig hebben.
Nu ontbreekt het niet aan waarschuwingen, evenmin als bij de priesters, op dezen weg van zelfbedrog. Het gescheurde Voorhangsel, het teeken van vuur en vreemde talen op het Pinksterfeest, de prediking van Petrus en de Apostelen en de bekeering van de scharen, waren even zoovele teekenen dat de priesters zich bedrogen voor de eeuwigheid. En door de prediking des Woords, die tot bekeering roept, wordt ieder gewaarschuwd niet voort te leven in de valsche rust van zijn leven buiten Christus. Maar te moeten belijden, dat men altijd gedwaald heeft, is zwaar, en te moeten zien dat men zich voor de eeuwigheid bedrogen heeft en verloren is in eigen oog, is nog zwaarder, vooral als men hoog bij zichzelf gestaan heeft. Daarom verhardt de mensch zoo gemakkelijk.
Het bloed van Christus onrein achten. Is dat niet de zonde van allen, die buiten Christus leven, het Brood des levens niet behoeven voor hun arme ziel, het bloed der verzoening niet noodig hebben voor hun schuldige hart ? Alle rust buiten Christus is valsche rust.
Maar welk een omkeering, . AU zulke brave, rustige menschen onrustig gemaakt worden en heilbegeerig luisteren naar de prediking van het Evangehe. Dat doet de Heilige Geest. Eerst hebben de priesters Christus gedood en zich verhard tegen het Evangelie. Nu worden zij tot dat Evangelie getrokken. Zij hebben geroepen : „Kruist Hem", en na Christus' opstanding overal verteld dat Zijn lichaam gestolen was. Hun vijandschap was gegroeid tot een muur. Onmogelijk — zouden de menschen zeggen — daarin verandering te brengen. Maar Gods Geest doet het. Gods Geest breekt den muur en maakt van grijpende wolven schapen. Waren de priesters aan zichzelf overgelaten, zij hadden zich voor eeuwig aan den Christus geërgerd tot hun val, hun hart was een afgrond van haat. Maar de Heere is meer bewogen over het behoud van Zijn volk, dan dit volk zelf is. Daarin ligt hun zaligheid. Hij neemt hen gevangen. Hij wordt hen te machtig. Nu leeren zij eigen dwaling kennen. Nu betreuren zij hun blindheid. Nu belijden zij hun onwetendheid. Opnieuw moeten zij leeren, wie de Heere is en wie zij zelf zijn. Hét eenvoudigste in den weg der waarheid verstaan zij niet, maar het Woord onderricht hen door Gods Geest.
Welk een omkeer, de leeraars van het volk hebben noodig geleerd te wórden. Zij
luisteren naar de prediking van de apostelen. Niet om hen in de gevangenis te werpen. Nu geldt het Woord hen zelf, want de Geest maakt Gods Woord persoonlijk, recht op den mensch afgaande. Zij, die eertijds bij het Kruis riepen : „indien gij de Christus zijt, verlos uzelf", zij strekken de biddende handen uit tot het Kruis en roepen : „indien gij, Christus, bemoeienis kunt hebben met zulke zondaren als wij zijn, verlos ons".
Welk een omkeer. De priesters moeten breken met het verleden. Zij moeten erkennen nooit de profeten begrepen te hebben, den Heere altijd verkeerd gediend te hebben. Hun verleden maakt hen de grootsten der zondaars. Hoe blind waren zij geweest, nooit hadden zij iets verstaan van hun priesterlijk werk. Altijd met het heilige omgegaan en nooit iets er van verstaan hebben voor de ziel!
Geen grooter omkeer, dan van , , godsdienstig", zónder God te worden. Zijn er die tot de ontstellende wetenschap gekomen zijn dat zij zonder God in de wereld, onbekeerd, verloren zijn ? Dat zij het voorbeeld van de priesters volgen en het oor te luisteren leggen aan het Evangelie : „den geloove gehoorzaam worden", dat wil zeggen, niet langer tegen de roepstem des Heeren ingaan in ongehoorzaamheid, maar zich laten vermanen de wapens neer te leggen en zich over te geven, zich laten raden te vluchten naar het Kruis.
De priesters zagen, dat het priesterkleed hen niet zalig maakte. Neen, werp het kleed van uw zorgeloosheid en valsche rust weg, kom af van uw voetstuk en word een verlorene voor God, die het kleed van Christus' gerechtigheid noodig heeft.
Breek met uw verleden, waarin gij als ongehoorzamen een leven van rust leidt, dat u eeuwig berouwen zal. Word gehoorzaam aan de roepstemmen Gods.
Vraag gij, hoe dit mogelijk is? Alléén door wedergeboorte, die uw hart vernieuwt. Maar is het dan niet zalig, dat zelfs priesters, die Christus hebben overgeleverd, hun zonden gevoelden, hun dwaling betreurden, hun eigen werk prijs gaven om het werk van Christus te zoeken ?
Geen vijandschap is zoo groot, of de Geest verbreekt die macht.
Geen hart is zoo hard, of de Geest verbrijzelt het.
De Priesters moesten ophouden den Heere iets toe te brengen tot hun zaligheid. Zij moesten door Christus bediend worden. Van Hem geloof ontvangen vergeving van zonden, kracht om zich te verloochenen. Zij moesten van het altaar Christus bediend worden én zóó konden zij voortaan in nieuwigheid des levens God dienen. Zoo werden zij waarlijk Priesters Gods in een heiligen wandel.
Laten allen, die met de Priesters de bediening des Geestes uit Christus' volheid kennen, hun kleed rein bewaren. Laten zij offeranden der dankbaarheid offeren in ootmoed en afhankelijkheid, in het kruisigen van zichzelf, in een zoeken van Christus en Zijn weldaden. Laten zij het priesterlijk voorrecht van een geopenden toegang tot God gebruiken in gebed en geloof.
K.
I. S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's