WAT CALVIJN ONS LEERT
Kan de Raad Gods veranderen ?
Calvijn laat niet na de aandacht er op te vestigen, dat verschillende Schriftplaatsen twijfel kunnen wekken omtrent de onveranderlijkheid van Gods Raad, b.v. wanneer er gesproken wordt van Gods berouw.
Het berouwde God, dat Hij den mensch geschapen had (Genesis 6 vers 6), dat Hij Saul tot koning gemaakt had (1 Sam. 15 vers 11), van het kwaad, dat Hij over Zijn volk zou doen komen. (Jeremia 18 vers 8).
De geschiedenis van Jona, die naar Ninevé werd gezonden, zou tot de conclusie voeren, dat God terugkwam op Zijn besluit om de stad en zijn inwoners na veertig dagen te doen vergaan.
Aan koning Hiskia Moordt door Jesaja aangezegd, dat hij sterven zal, en de Heere voegt vijftien jaar aan zijn leven toe, zoodat ook hier een verandering van besluit zou wezen.
Het schijnt dus gerechtvaardigd, uit deze plaatsen op te maken, dat God de zaken der menschen niet naar een eeuwig en onveranderlijk besluit regeert, maar dat Hij in den tijd al naardat een ieder verdient en naar bevind van zaken Zijn ordinantiën geeft.
Deze voorstelling doet denken aan een aardschen koning, die naar omstandigheden en naar 't goeddunken van het oogenblik zijn maatregelen overweegt en zijn bevelen doet uitgaan.
Sprekende over het berouw, voert Calvijn aan, dat dit in God even weinig plaats vindt als onwetendheid, dwaling en onmacht.
Hij noemt deze niet zonder reden in één adem. Berouw en onwetendheid hangen ten nauwste samen. Wanneer iemand berouw heeft over zijn daden, komt dit mede daaruit voort, dat hij zich voor een andere uitkomst ziet gesteld dan hij had verwacht.
En wanneer men Gode berouw toeschrijft, moet dat insluiten, dat Hij door zulk een onverwachte uitkomst wordt verrast, alsof Hij niet had voorzien, wat geschieden zou, d.i. wat Hij deed.
Zoo is berouw niet alleen met onwetendheid verbonden, maar ook met dwaling en onmacht in strijd met de Voorzienigheid.
Het gansche stuk der Voorzienigheid Wordt te niet gedaan, zoo iemand Gode berouw zou toeschrijven. Daarom zegt Calvijn, dat het even weinig in God kan zijn als onwetendheid, dwaling en onmacht, omdat dit alles met de Voorzienigheid onvereenigbaar zou zijn en Gode onwaardig. Bovendien zou het tegen de Heilige Schrift ingaan, die in stede van zulke zwak heden aan God toe te kennen, zoo veelvuldig op Zijn almacht, alwetendheid en Voorzienigheid wijst.
Ja, ook van zulke menschelijke zwakheden Gode toe te schrijven, maant de Heilige Geest telkens en telkens weer af.
Zoo betuigt God, dat Hij geen mensch is, dat Hem iets berouwen zou, en dat wel in hetzelfde hoofdstuk, waarin herhaaldelijk van het berouw des Heeren wordt gesproken. (Zie 1 Sam. 15 vers 11, 29, 35).
God is geen mensch, dat Hij liegen zou. Hij is het, die de overwinning geeft. Hij is geen mensch, dat het Hem berouwen zou.
Calvijn heeft recht, als hij op deze plaats wijst, omdat de tegenstelling, welke de Heilige Geest hier gebruikt, zeer duidelijk een onderrichting omtrent het Wezen Gods inhoudt en den nadruk doet vallen op het onderscheid tusschen God en mensch.
Een mensch heeft berouw en liegt, omdat hij dwaalt, onwetende is, de uitkomst der dingen niet overziet en ook niet in zijn macht heeft. Zoo echter is het bij God niet.
En wanneer desniettemin van Gods berouw wordt gewaagd, kan dit de wezensonderscheiding geenszins te niet maken.
Calvijn noemt dit een oneigenlijke spreekwijze, d.w.z. een uitdrukking, zooals het van onze zijde uit verschijnt en door ons menschen kan worden verstaan en gevoeld.
Daarom wijst Calvijn er voor de zooveelste maal op, dat wij God niet kennen, zooals Hij is, d. w. z. in Zijn eeuwigheid en verhevenheid.
Wij hebben dat ook telkens weer gezegd, maar het kan nooit genoeg worden gezegd, omdat wij het steeds weer vergeten vanwege de moeilijkheid der zaak.
Wij menschen willen altijd weer over God praten en daaraan doen wij allen mede, vroom of niet vroom, godsdienstig of ongodsdienstig. Het ligt ons bij om allerlei eigendunkelijke dingen van God te zeggen. Zelfs zij, die beweren, dat wij niets van God kunnen weten, spreken toch over Hem, alsof zij er iets van weten.
Het is daarom niet tevergeefs, dat Calvijn er ons steeds weer aan herinnert: weet wél, menschen, dat wij God niet kennen, zooals Hij bij Zichzelf is.
Daar is geen taal en geen spraak, welke ons daarvan gelijkwaardige vertolking kan geven. Alleen de eeuwige Zone Gods en de Heilige Geest, die met den Vader een eenig en eeuwig God zijn, hebben deze eeuwige goddelijke kennis. De Heere is een algenoegzame God.
Als de Heere zich openbaart aan het schepsel, doet Hij dat op schepselmatige wijze, d.i. overeenkomstig het bewustzijnsleven, waarmede Hij den mensch heeft bedeeld en in de gestalte van het menschelijk kennen, gevoelen en begrijpen.
Vandaar, dat de Heilige Geest spreekt van het berouw Gods. Daarin heeft men een menschelijke spreekwijze te zien. Het is een bewijs van de liefde Gods, die zich nederbuigt en in zulk een nederige gestalte tot ons spreekt.
Doch, opdat de mensch zich niet het beeld van een onmachtige en onwetende zou voorstellen, zegt de Heere : bedenk wèl, dat Ik geen mensch ben en dat in Mij zulke zwakheden en worstelingen niet zijn, dat het Mij berouwen zou.
Zoo moet ook Bileam tegen zijn wil in van God getuigen, dat Hij geen mensch is. (Numeri 23 vers 19).
Een en ander moet ons dus weerhouden van Gods genade te misbruiken en verkeerde conclusies te maken, die in strijd zijn met Zijn Wezen. De Raad des Heeren zal bestaan.
Oneigenlijk noemen wij zulk een spreekwijze.
Waarom ?
Omdat zij geen onderwijs geeft omtrent het Wezen Gods, zooals dat op zichzelf en buiten betrekking tot den mensch is.
Zulke oneigenlijke spreekwijzen gebruiken wij in aardsche dingen ook veelvuldig. Hoe vaak spreken wij niet over de dingen, alsof zij menschen waren met verstand, wil en gevoel. Veel meer dan wij ons bewust zijn.
Men denke aan natuurbeschrijvingen en gedichten. Hoe gewoon is het dan, de dingen uit te drukken, alsof de gansche natuur gevoelt, denkt en spreekt, zooals de mensch gevoelt, denkt en spreekt. Dat komt heusch niet alleen in het sprookje voor, maar zelfs ook in onze gewone spreektaal.
Het vindt zijn verklaring daarin, dat wij over de dingen spreken, zooals zij ons voorkomen. Eigenlijk spreken wij over de indrukken, die zij bij ons opwekken, en het is dus niet vreemd, als wij die op menschelijke wijze weergeven.. Zoo zeggen wij, dat de lucht dreigt, omdat wij vreezen voor het onweer, dat wij verwachten, dat het dorpje den vermoeiden reiziger vriendelijk tegenlachf, omdat hij daar de zoete rust verwacht, waarop hij zich verheugt.
Welnu, zoo kunnen wij ook verstaan, wat Calvijn bedoelt, als hij zegt, dat de Heere zichzelf afmaait, niet zooals Hij op zichzelf is, maar zoodanig als Hij voor ons gevoel is, dat is naar onze menschelijke gewaarwordingen.
Daarbij wijst hij ook op andere openbaringen als Gods toorn. Dat mogen wij niet zoó verstaan, alsof er in God ontsteltenis zou zijn, maar ook het woord toorn spreekt van God op menschelijke wijze.
Zoo is er ook geen verandering in Gods Raad en besluit, gelijk men uit de genoemde voorbeelden van Hiskia en Jona soms wil opmaken. De Heere gaat met den mensch om op een wijze, die met zijn natuur overeenkomt. Hij spreekt op menschelijke wijze en handelt met hem als met een redelijk-zedelijk wezen, gelijk Hij hem ook als zoodanig geschapen heeft.
Wat reeds zoo vaak werd opgemerkt, kan hier wederom in het midden worden gebracht.
Calvijn spreekt uit het leven van Gods kind, zooals de Heilige Schrift dat leert kennen, en in dat leven komen die dingen zoo voor, omdat de Heere zich tot den mensch nederbuigt.
Daarom laat hij niet na met even grooten nadruk te wijzen op zoovele uitspraken der profeten, die de heerlijkheid Gods prijzen en Zijn goddelijke verhevenheid den mensch in herinnering brengen.
Telkens weer wordt ons door de Heilige Schrift ingescherpt, dat de Heere woont in de hemelen, dat Zijn gedachten hooger zijn dan onze gedachten, dat Hij geen vleesch is, geen man, die liegen zou, dat Hij woont in het verhevene, dat wolken zijn rondom Zijn troon.
Ook dat wordt Gods kinderen geleerd, zoodat zij in heilige vreeze worden geoefend om Gode geen ongerijmdheid toe te schrijven en Hem niet af te malen naar de zwakheid van het schepsel.
Bij Hem is geen verandering noch schaduw van ommekeer.
Zoo besluit Calvijn met de vermaning : Want het woord van Jesaia moet waarachtig blijven : Want de Heere der heirscharen heeft het in Zijn Raad besloten, wie zal het dan breken ? en Zijn hand is uitgestrekt, wie zal ze dan keeren ? (Jesaia 14 vers 27).
De waarachtige Godskennis wordt aldus geoefend in het verstand der H. Schrift. Zij heeft den strijd te voeren tegen de gezindheid van ons vleesch, van alle dingen, de aardsche met de bovenaardsche zaken, te meten naar den maatstaf van den mensch.
Alle zonde en ongerechtigheid heeft haar oorsprong in zulk een vermetelheid, die de mensch zich aanmatigt.
De bezwaren en moeilijkheden zijn dan ook niet ten einde.
En Calvijn wordt niet moe daaraan zijn aandacht te schenken en telkens weer op . deze grondfout te wijzen.
Zoo grijpt hij een stuk aan, dat zoovelen reeds heeft beziggehouden en nog bezighoudt.
Het is toch een kenmerk van onzen tijd, dat de menschen meenen de ouderwetsche religie te boven te zijn. Een Christendom, zooals de voorgeslachten hebben beleden, acht men niet meer in overeenstemming met den mensch van heden. Inderdaad is dat ook zoo, maar het Evangelie is nooit naar den mensch geweest, ook niet in vroegere eeuwen, en het zal ook nooit naar den mensch worden, want het Evangelie verandert niet en de mensch ook niet.
Te vergeefs zal men den waarachtigen vrede zoeken in een Evangelie, dat naar het fatsoen dezer wereld wordt versneden en omgevormd.
Dit neemt niet weg, dat er voor het menschelijk verstand, dat vervreemd is van de ware Godskennis, groote moeilijkheden rijzen, indien het nadert tot de Heilige Schrift. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat men daarop altoos weer stuit.
Zoo is het stuk der wereldregeering en Gods Voorzienigheid bij de ervaring van zooveel ellende en ondoorgrondelijke levensvragen voor het verdorven menschenverstand steeds wees een aanstoot.
Als God alle dingen werkt naar den Raad van Zijn wil, hoe wordt Hij zelf door de boosheid niet aangeraakt, hoe blijft Hij onschuldig, hoe straft Hij rechtvaardiglijk het kwaad dergenen, die Hem ten dienste staan ?
Het verstand kan zulks niet verwerken.
Calvijn treedt deze vraag niet uit den weg. Neen, hij schrijft, dat uit de Heilige Schrift blijkt, dat God den Satan zelfs en alle verworpene menschen naar Zijn goeddunken buigt. In één adem verwerpt hij daarbij de vinding der menschen, die zulks willen verdedigen met onderscheid te maken tusschen het doen en het toelaten Gods. Hij noemt dit een uitvlucht, die reeds daarom verwerpelijk is, omdat God openbaarlijk getuigt, dat Hij het doet.
Wij willen hem daaromtrent nader hooren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's