WAT CALVIJN ONS LEERT
Toelating of ordinantie Gods.
Het stuk der voorzienigheid wordt door Calvijn niet beëindigd zonder verschillende tegenwerpingen onder de oogen te zien, welke tegen de voorzienige beschikking van den souvereinen God worden ingebracht.
Verschillende bezwaren, die voor het menschelijk verstand rijzen werden reeds behandeld.
Thans wil Calvijn nog handelen Over de moeilijke vraag, die de denkers der eeuwen heeft bezig gehouden, n.I. hoe is het kwaad in de wereld te rijmen met het voorzienig bestel van den goeden God ?
Als God de wereld heeft geschapen, hoe komt het dat er zooveel ellende is ?
Heidensche denkers hebben zich reeds met deze vraag bezig gehouden en gepoogd daarop een bevredigend antwoord te vinden.
Men heeft het kwaad een eigen oorsprong toegeschreven en de wereldgeschiedenis willen zien in het licht van een strijd van den goeden God tegen de booze macht, als een strijd van het licht tegen de duisternis. Gelijk de opkomende zon lederen morgen weer de duisternis van den nacht overwint, zoo zou de wereldgeschiedenis uiteindelijk op de zegepraal van den goeden God uitloopen.
Het ligt voor de hand, dat deze gedachtengang niet overeenstemt met de waarheid Gods. Wanneer men aan het kwaad een zelfstandigen oorsprong toeschrijft, zoodat het onafhankelijk van God bestaat en in de wereld werkzaam is, wordt er een gebied aan de souvereiniteit Gods onttrokken. Dan is God niet de almachtige en boven alle dingen verheven Majesteit, maar in zekere mate afhankelijk en genoopt den strijd tegen het kwaad, dat als een macht tegenover Hem staat aan te binden.
Anderen hebben het kwaad in de stof gezet en de gedachte verdedigd, dat de Schepper een tegenstandige en booze materie vond, waaruit Hij de wereld moest bouwen.
Het materiaal deugt niet en daarom kon Hij daaruit geen volkomen wereld maken. Ook in dezen gedachtengang wordt de scheppende God dus gebonden, en feitelijk alle uitzicht op een goede wereld weggenomen.
Toch wil de drang van het menschenhart ontkomen aan de macht van het booze. Het zoekt een weg om te ontvlieden aan de wereld van het voorhanden zijn, aan de stoffelijkheid en de bepaaldheid. Die weg heeft men o.a. willen vinden in de leer der reïncarnatie of zielsverhuizing. Het leven Wordt voorgesteld als een afwisseling van levensgangen. Wanneer de dood intreedt wordt men niet bevrijd van de stof. De dood zou slechts bevrijden van den stoffelijken vorm, waarin men heeft bestaan, maar zoo, dat de ziel weer aan een nieuwen vorm wordt gebonden.
Aan deze wisseling wordt een louterend karakter toegeschreven en zij zou volgen uit den drang eener noodwendigheid. Het kan eenmaal niet anders, doch daarom gaat ook de loutering volgens een noodwendigheid voort van lager tot hooger. De loutering bestaat in de overwinning van het lijden door het te leeren dragen. De grondgedachte is niet anders dan die van een oefening in onbewogenheid, zoodat men door het lijden niet meer wordt aangedaan, maar rust vindt in een zekere lijdzaamheid, welke een voorbereiding zou zijn tot algeheele bevrijding van het leven in deze wenteling der vergankelijkheid.
Ook deze gedachtengang eener Oostersche mystiek, die grooten invloed heeft uitgeoefend op het Westersche denken en in sommige vormen eener religieuse philosophie of theosophie ook in onzen tijd voortleeft, heeft met de leer der Voorzienigheid niets uit te staan.
Weer anderen hebben gepoogd het kwaad als gebrek aan goed te verklaren. Het heeft geen zelfstandig bestand. Alles is goed, maar de dingen verschillen in graad. Het goede is als een sluimerende macht en openbaart zich niet. Of men poogt hetgeen men onder omstandigheden als een kwaad ervaart, naar zijn goede zijde te doen zien.
Een overstrooming b. v., die den vloed der wateren over de bebouwde akkers voert, de oogst vernietigt en aan vele menschen en dieren het leven kost, is om dit alles een kwaad, doch het menschelijk verstand wordt gescherpt, men zint op middelen ond zulke catastrophen te voorkomen, gaat dijken aanleggen. De macht en de heerschappij van den mensch worden uitgebreid, de cultuur bevorderd, en ziedaar het goede, dat er uit voortkomt.
Wij gaan niet verder in dezen weg. Het mag genoeg zijn om aan te toonen, dat de menschen met deze vraagstukken worstelen en dat de menschelijke geest beproeft ze meester te worden met zijn verstand. Hoe geheel anders grijpt Calvijn deze dingen aan.
Zooals reeds werd opgemerkt, wil hij van een toelating Gods, afgescheiden van Zijn wil, niet weten.
Ook hier gaat hij als altijd uit van het leven der waarachtige Godskennis, welke ons in de Heilige Schrift wordt geleerd.
Hij noemt Psalm HS vers 3 : Onze God is toch in den hemel. Hij doet al wat Hem behaagt.
Dit moet worden uitgestrekt tot alle werken der menschen, zegt hij. Hij bestelt den oorlog en den vrede, en niets mag aan Zijn bestel worden ontzegd.
De menschen worden niet gedreven door een blind noodlot of door eenige bewegende kracht zonder stuurman.
De voorbeelden der Heilige Schrift zijn veelvuldig en duidelijk.
In de eerste plaats wijst Calvijn op de werken van Satan. Leert het eerste hoofdstuk van Job niet, dat Satan zich voor God stelt om Zijn bevelen te ontvangen, evenals de engelen, die den Heere gehoorzaam zijn ?
De Satan kan niets doen zonder Gods wil. Zeker, er schijnt wel sprake te zijn van de toelating Gods om Job te verdrukken. Maar zegt Job zelf niet : De Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen?
Daaruit blijkt dus, dat 't alles geschiedt, gelijk God heeft gewild. Zoo besluiten wij dan, dat God de Auteur is geweest van de beproeving, waarvan Satan en de booze roovers dienaren waren.
Satan en de Sabeërs bedrijven kwaad als zij Job van zijn goederen berooven, maar Job erkent, dat God hem tot armoede heeft gebracht, omdat het Hem behaagde. De Heere houdt het stuur in de hand tot uitvoering van Zijn oordeelen.
Een tweede voorbeeld.
God wil, dat de trouwelooze koning Achab bedrogen wordt. De duivel biedt zijn diensten aan. Hij is een leugengeest in den mond der profeten.
De blindheid van Achab heeft haar oorsprong in Gods oordeel.
Hier van bloote toelating Gods te spreken is een eigenwillig verdichtsel.
Nóg een voorbeeld.
Het voornemen der Joden om Christus te dooden.
Pilatus en zijn soldaten gehoorzamen aan den moedwil der Joden.
Maar de discipelen belijden, dat dit alles geschieden zou naar den Raad, dien God van te voren bepaald had. „Om te doen al wat Uw hand, en Uw raad te voren bepaald had". (Hand. 4 vers 28).
Evenzoo Hand. 3 vers 18 : „Maar God heeft alzoo vervuld, hetgeen Hij door den mond al Zijner profeten tevoren verkondigd had, dat de Christus lijden zou".
Het is niet noodig meerdere voorbeelden te noemen. Calvijn noemt nog enkele meer en wijst er o.a. op, dat Nebukadnezar Gods dienaar wordt genoemd en de koning van Assyrië de roede Zijns toorns.
Daarmede toont hij aan, dat het dwaasheid is een toelating Gods in de plaats der Voorzienigheid te stellen.
Hij gaat echter nog dieper op de zaak in, als hij spreekt over de verborgene bewegingen des harten. Spreuken 21 vs. 1 : „Des konings hart is in de hand des Heeren als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil". Voorts in verband met Jesaia 29 vs. 14 : „Daarom ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk, want de wijsheid der wijzen zal vergaan, en het verstand der verstandigen zal zich verbergen", besluit Calvijn, dat God inwendig in de harten der menschen werkt.
Hij neemt het verstand weg, opdat zij dwalen, en doet Zijn schrik over de menschen komen, zoodat zij bevreesd zijn.
Ook hieromtrent zijn vele getuigenissen aan te voeren. Rom. 1 vers 26: „Daarom heeft hem God overgegeven tot oneerlijke bewegingen". Rom. 11 vers 8 : „God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien en ooren om niet te hooren tot op den huldigen dag". Voorts de verharding van Pharao's hart en vele woorden meer, die Calvijn doen besluiten :
Wanneer daar gezegd wordt, dat de wil Gods is de oorzaak van alle dingen, zoo wordt Zijn Voorzienigheid gesteld tot bestuurderes in alle raadslagen en werken der menschen, opdat zij niet alleen haar kracht betoone in de uitverkorenen, die door den Heiligen Geest geregeerd worden, maar ook de verworpenen tot onderdanigheid dwinge.
Dit alles is klaar en duidelijk in de Heilige Schrift, zoo gaat Calvijn verder.
En wat doen zij nu, die over deze dingen anders spreken of onwetendheid voorwenden ? Zulk een zedigheid keurt hij ook af. Immers zij, die bezwaren inbrengen tegen de hemelsche uitspraak, staan op tegen Gods autoriteit.
Wat voordeel zal ook de openlijke lastering brengen dengenen, die tegen den Hemel opstaan ?
Zij zullen weten, dat God overwint, als Hij Zijn gerechtigheid openbaart.
Sommigen hebben een uitvlucht gezocht door Gode twee willen toe te schrijven, zoodat Hij met den eenen wil gebiedt, wat de andere wil verbiedt.
Calvijn maakt hen er op opmerkzaam, dat zij niet een meening van een mensch, maar den Heiligen Geest bestrijden, wanneer zij Gods Woord niet aannemen.
En als hij wederom de bedillers, die over een toelating spreken, bestraft, vraagt hij: Indien Christus niet gekruisigd is door den wil Gods, vanwaar zou ons dan de verlossing komen? Het antwoord is klaar en duidelijk. Nochtans is Gods wil niet met zichzelf in strijd.
God veinst niet, alsof Hij zou willen, wat Hij niet wil.
De wil, die in God eenig en enkel is, schijnt ons toe velerlei te zijn, omdat wij niet begrijpen, hoe God een zaak op verschillende wijzen wil en niet wil gedaan hebben.
Zoo spreekt Paulus ook van menigerlei wijsheid Gods.
Omdat het ons zoo voorkomt, hebben wij geen recht om te meenen, dat Gods Raad verandert.
Het is voor ons verstand onbegrijpelijk, hoe daar dingen geschieden niet buiten den wil van God en toch tegen Zijn wil.
Wij kunnen in deze goddelijke dingen niet indringen. Dat ligt ten eenenmale buiten onze bevatting.
De tegenwerpingen zijn nog niet ten einde. Want, zoo zegt men, als God ook de roerselen des harten beweegt, dan is Hij ook de Auteur der boosheid. Immers de boosdoeners volbrengen, wat God besloten heeft. Dan worden zij ten onrechte gestraft.
Wederom komt Calvijn met de Heilige Schrift om aan te toonen, dat Gods wil niet vermengd mag worden met Zijn gebod. De boosdoener wordt niet verontschuldigd, alsof hij Gods gebod had gehoorzaamd.
Jerobeam's koninkrijk was niet uit God en toch heeft God hem tot koning gemaakt. Evenwel wordt de weerspannigheid des volks rechtvaardig door God gestraft.
Een ander voorbeeld vindt men bij Jehu, die Achab's huis uitroeit naar hetgeen door den profeet was gezegd. En toch worden de burgers van Samaria bestraft. (2 Kon. 10 vers 9).
God heeft met de zonde der menschen geen gemeenschap, al is het, dat de mensch door Gods beweging doet wat hem niet is geoorloofd.
Ziedaar het besluit en het eind van alle tegenspraak, waarop Calvijn in overeenstemming met Augustinus wijst.
De mensch is een zedelijk wezen. Zoo heeft God hem geschapen. Hij heeft den mensch een zedelijke orde des levens gezet. Dat is Zijn heilige Wet.
Daarmede heeft de mensch van doen en het past hem niet de Wet, die God hem heeft gezet, op God toe te passen, alsof Hij een mensch ware.
In de overtreding der Wet, zondigt de mensch tegen God en tegen de wet van zijn leven, d.i. tegen zijn eigen wezen en dus tegen zichzelf.
Uit dienen hoofde staat hij schuldig voor God en de Heere betrekt hem rechtvaardig in het gericht.
God is geen mensch. Wat Hij doet in Zijn vrijmacht, geeft den mensch geen grond om Hem te binden aan de orde van zijn schepsel en zich tot een Rechter over God te stellen.
Deze rede moge hard zijn, doch wat moet men zeggen van de eigenzinnigheid dergenen, die deze dingen, welke zoo duidelijk in de Heilige Schrift worden gevonden, verwerpen, omdat zij er met hun verstand niet bij kunnen ?
Die door de ware wijsheid wordt geleid, zal de ootmoedigheid vinden, die tegen God niet opstaat, maar zich onderwerpt aan Zijn Woord, hetwelk de Heere tot zijn nut en tot ware Godskennisse heeft geopenbaard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's