KERKELIJKE RONDSCHOUW
BEGINSELEN VAN KERKKRECHT
Het is verwonderlijk hoe algemeen nu de belangstelling is ontwaakt voor de kerkrechtelij ke-beginselen. En we moeten dat warm houden. Het blijkt bovendien, dat er nog. veel te studeeren valt !
Mee door de dissertatie van dr. M. Bouwman aan de Vrije Universiteit, die de beginselen van Voetius weer eens naar voren hebben gehaald, maar tegelijk door de verwikkelingen in de practijk van het kerkelijk leven, zoowel in de Gereformeerde Kerken als bij ons, ook bij de Chr. Gereformeerden hier, zoowel als in Amerika, is alles in 'beweging op 't oogenblik. En uit „de schok van de opinies moet mee de waarheid aan het licht worden gebracht".
Dat is trouwens toch een algemeen en bekend verschijnsel : door de dwalingen komt de waarheid tot vastere vorm en klaarder uitbeelding. „Men heeft" zoo schrijft prof. dr. H. H. Kuyper in „De Heraut", „men heeft wel eens de ketterij de moeder van het do^ma genoemd. En daarin ligt deze waarheid, dat de ketterij meestal de oorzaak is geweest, dat de Kerk gedwongen werd daartegenover haar dogma te stellen. Arius' loochening van Christus' waarachtige Godheid dwong de Kerk op haar oecumenisch Concilie te Nicea het Apostolisch symbool uit te breiden om nog klaarder en duidelijker die Godheid van Christus te belijden. En zoo is het in Christus' Kerk telkens gegaan, wanneer weer nieuwe haeresiën opkwamen, zooals in den Christologischen strijd over de beide naturen van Christus, in den soteriologischen strijd (rakende de verlossing des menschen, die een zondaar is) met Pelagius over de genade en den vrijen wil ; in de dagen der Reformatie, toen de waarheid Gods opnieuw moest beleden worden zoowel tegenover Rome's afwijkingen als tegen de Doopersche dwalingen".
„Zulk een belijdenis was dan telkens de vrucht van den strijd tegen deze afwijkende richtingen gevoerd door de theologen. En naast de positieve uitspraken, die de Kerk in haar belijdenis deed, kan daarom niets beter dienst doen om te laten zien wat nu de Gereformeerde beginselen zijn, dan de tegenstelling met deze dwalingen, zooals deze uit de polemiek blijkt door onze Theologen daartegen gevoerd." „Ook hierbij is de historie weder de groote leermeesteres door God ons geschonken, om het karakter van deze dwalingen ons te toonen en ons te waarschuwen voor de gevaren, die daarin schuilen."
Dit kunnen we nu gerust ook toepassen ten opzichte van het Kerkrecht. Wat tal van dwalingen zijn er op dit terrein verkondigd, waarlijk niet alleen door de Roomschen, met hun papale stelsel, dat verdorven is door de hiërarchische beginselen. Want men gaat fout als men hier alleen aan de Roomschen denkt ! Ook het andere gevaar, dat zoo dikwijls dreigde — ook nu — moet in het oog gevat worden. En wel : het Independentisme of de „onafhankelijkheids-leer" ten opzichte van de plaatselijke gemeente.
Het independentistische gevaar, dat later opkwam (na de Roomsche leer van de hiërarchie of overheersching door den priesterstand) vinden we eerst in Frankrijk en werd daar voorgestaan door mannen als de Moralli, Petrus Ramus en anderen. Daarna in Engeland, waar dit Independentisme zelfs tot een eigen kerkformatie, de z.g.n. Congregationalistische Kerken leidde. En vooral in Engeland heeft men de lijn consekwent doorgetrokken door te ontkennen dat de Synoden eenig gezag zouden hebben over de plaatselijke kerken of congregaties. Elke plaatselijke Kerk was onafhankelijk d.i. independent, zoowel ten opzichte van den Staat als ten opzichte van de Synodes of meerdere vergaderingen.
„De Independenten keurden het niet af", aldus prof. Kuyper, „dat er Synodes gehouden werden en erkenden zelfs, dat dit naar de bedoeling van Christus was. Ze hadden er ook geen bezwaar tegen, dat op deze Synodes als gemeenschappelijke uitdrukking van hun geloof een belijdenis werd aangenomen (zooals op hun Savoy-bijeenkomst geschiedde). Zelfs stelden ze een korte Kerkenorde op. Maar die bevatte toch niet meer dan de verklaring, dat alle plaatselijke Kerken autonoom waren ; waarmee men bedoelde : dat de plaatselijke Kerk alleen van Christus afhankelijk is en de volle kerkelijke macht bezit. Maar van eenig bindend gezag, dat aan de Synodes toekwam, wilden de Independenten niets weten. Ze hebben daarom zich óók niet willen vereenigen met de Presbyteriaansche Kerken in Engeland, en evenmin wilden ze dat, toen een deel hunner naar Nederland vluchten moest, met onze Gereformeerde Kerken doen."
Met de Gereformeerde belijdenis waren de Independenten het hartelijk eens. Robinson, hun geestelijke vader, nam het zelfs voor de Canones der Dordtsche Synode op. Maar, volgens hun voorstelling, was de Gereformeerde Kerkinrichting met hare Synodes hiërarchisch en papalistisch van aard en de Synodes deden te kort aan „de Goddelijke praerogatieven of voorrechten der plaatselijke Kerken of Congregaties."
„In dat opzicht waren zij het dan ook niet eens met Calvijn, maar zij wilden alleen volgelingen van Christus zijn, die de éénige Koning der Kerk is. Geen ander gezag dan het Zijne mocht daarom door de plaatselijke Kerk worden erkend".
Hoe mooi lijkt dat laatste. En toch is het in strijd met het Schriftuurlijke beginsel en met hetgeen al onze Gereformeerde theologen hebben geleerd en in alle Gereformeerde Kerkorden omschreven is ! De Independenten spraken wel smadelijk van „het Synodale stelsel", maar onze Gereformeerde theologen namen het allen óp voor de Synodes. Voetius vooral deed dat in zijn „Politica Ecclesiastica" (zijn boek over „Kerkelijke regeer kunst"). Maar Voetius niet alleen, de Gereformeerde theologen Hoornbeek, Van Mastricht, Apollonius, Spanheim e.a. (om nu alleen onze Hollandsche theologen 'te noemen) deden het niet minder.
Prof. H. H. Kuyper herinnert hier aan de inaugureele rede van den jongen professor Nauta, die Kuyper aan de Vrije Universiteit opgevolgd is, en ook aan de knappe dissertatie van dr. Bouwman.
Het is zoo noodig om aan deze dingen te herinneren, want — aldus prof. Kuyper — „in onze Kerkbodes, de goede niet ie na gesproken, krijgt men niet zelden zulke independentistische leuzen te lezen, en dan meent men getrouw te zijn aan de Gereformeerde beginselen".
Natuurlijk is niet alles, wat de Independenten leeren, te verwerpen. Men moet met het badwater het kind niet uitwerpen ! Als men leest, wat zij b.v. in hun Savoy-declaratie gezegd hebben van de plaatselijke Kerk of congregatie als openbaring van Christus' lichaam ; dat elke plaatselijke Kerk van Christus de volle kerkelijke macht ontvangen heeft; dat Christus alleen Koning is van Zijn Kerk, en dat geen Kerk over de andere heerschappij voeren mag, dan zegt elk Gereformeerde daarop ja en amen". „Ook Voetius in zijn polemiek met de Independenten stelt daarom eerst voorop een reeks van stellingen, waarover tusschen de Gereformeerden en de Independenten geen verschil bestaat. Waar tegen hij alleen opkwam ? Het was tegen de onjuiste consequenties, die de Independenten daaruit trokken, alsof aan de Synodes dus geen gezag toekwam".
Moeilijk valt tegen te spreken, dat Voetius op dit standpunt stond, dat aan de Synodes en aan de meerdere vergadering gezag moet worden toegekend ; alleen — zoo zegt prof. Kuyper — gaat prof. Greydanus nu schrijven, dat dit wel waar is, maar dat er bij Voetius óók een andere lijn te vinden is in z'n betoog. En die andere zou dan de zuivere zijn ; want de eerste zou te „hiërarchisch" zijn ! Voetius zou dus niet consequent zijn geweest
Dat neemt prof Kuyper even onderhanden. En hij zegt : „Prof Greydanus heeft de juistheid van ons beroep op Voetius niet betwist. Ook heeft hij Hoornbeek, Van Mastricht en andere theologen niet tot voorstanders willen maken van de independentistische gevoelens, die ze juist bestreden. Alleen, wat ze geleerd hebben — deugde volgens hem niet. Ook wat Voetius betreft, tracht hij niet de klare en duidelijke uitspraken wèg te exegetiseeren. Hij erkent volmondig, dat Voetius zich metterdaad aldus uitgelaten heeft. Daarvoor ben ik dankbaar. Het brengt dezen strijd althans op hooger peil. Maar prof. Greydanus meent, dat er bij Voetius twee lijnen loopen, de ééne lijn loopt zuiver en daarom bouwt prof. Greydanus dan zijn systeem". Maar — zoo besluit prof. Kuyper — „de andere lijn daarentegen deugt niet en is „de hiërarchische lijn". Voetius is dus — niet consequent geweest. Hij heeft het beginsel opgeofferd aan de practijk". Maar — „hiermee wordt Voetius onrecht aangedaan, die een veel te logisch denker en te scherpe kop was om aan dergelijke ergerlijke inconsequenties in zijn kerkrechtelijk systeem zich schuldig te maken".
„Wat de Gereformeerde theologen tegen de Independenten hebben aangevoerd om het gezag der Synoden te handhaven, wordt door prof. Greydanus kortweg — voor niet Gereformeerd verklaard".
EEN CALVIJN-UNIVERSITEIT IN AMERIKA.
In zijn brieven in „De Reformatie", handelend over de Synode der Chr. Geref. Kerk aldaar, wijst dr. Henry Beets op de wenschelijkheid èn de noodzakelijkheid van een „nog steeds wenkend ideaal", n.l. de stichting van een „Calvin University". „Maar wij persoonlijk zullen het wel niet beleven, dat zulk een inrichting — een heusche Universiteit — hier onder ons wordt geopend. Tenzij dat er een heele kentering komt. Zou de nood der tijden ons moeten samendrijven ? Dat zou echter toch niet nobel zijn ! 't Beginsel behoort ons te drijven, 't Beginsel dat we óok op het gebied van het Hooger Onderwijs den Naam en de Souvereiniteit des Heeren uitroepen en verwerkelijken".
Dat stichten van een „Calvin University" is om allerlei oorzaak noodig. Met name wijst dr. Henry Beets op een viertal verschijnselen, die in Amerika worden waargenomen, waartegenover het Calvinisme zich heeft te verdedigen, en welke de christelijke wetenschap heeft te bestrijden.
„Ten eerste noemen we het Modernisme, dat binnen de historische Protestantsche kerkengroepen in ons land nog steeds veld wint, en dat de historische Christelijke belijdenis ondermijnt niet alleen met zijn Schriftcritiek, maar ook met zijn evolutionistische en humanistische reconstructie van zulke fundamenteele leerstukken, als die van God en mensch, zonde en verzoening, heiligmaking en Koninkrijk Gods.
Ten andere behoort gewezen te worden op de veelvuldige secten, die, hoewel ze zich veelszins op de Heilige Schrift beroepen, nochtans vele fundamenteele stukken vati het Christendom loslaten, zooals b.v. het Russellisme, het Mormonisme, en Christian Sience.
Ten derde dient nier nota genomen te worden van onderscheidene Godsdienstige groepen of stroomingen van onzen tijd, die een min of meer syncretistisch karakter dragen (uit alle godsdiensten de beste bestanddeelen willende samenvoegen tot een al-godsdienst) en in sommige gevallen sporen vertoonen van den invloed van Oostersche godsdiensten, en die tevens de valsche religieuze éénheidsbeweging van onzen tijd voeden. Hiertoe behooren o.a. de Theosophie, de Vrijmetselarij en de Society for Ethical Culture.
Ten vierde zijn er ook onderscheidene dwalingen, die niet zoozeer beperkt zijn tot de één of andere kerkengroep of secte, maar die in mindere of meerdere mate in onderscheiden kerkengroepen of secten gangbaar zijn. Hier kunnen als voorbeelden dienen : het Baptisme met zijn verwerping van de Gereformeerde verbondsbeschouwing, het Sabbatisme, het radicale Premillennialisme (leeringen rakende een duizendjarig vrederijk) en de Geloofsgenezing".
In dat verband schrijft dr. Henry Beets , ook over den uitbouw der belijdenis, met het oog op de vele secten. Hij schrijft :
„Hoewel het hedendaagsch verschijnsel van de vermenigvuldiging der secten geenszins beperkt is tot Amerika, staat ons land toch niet ten onrechte bekend als bij uitnemendheid het land der secten. Het feit, dat wij ons door Gods voorzienig bestel geplaatst zien in zulk een omgeving, doet voor ons de vraag naar de wenschelijkheid of noodzakelijkheid van den uitbouw onzer belijdenis bijzonder klemmen. Gelijk de Vaderen de Waarheid gehandhaafd en ontwikkeld hebben tegenover de dwalingen van hun tijd, zoo rust op óns, als hun geestelijke nazaten, de taak en de roeping, om de Waarheid tegenover de nieuwere dwalingen verder toe te passen en breeder uit te werken". „Welk een taak ! Welk een heerlijke roeping !"
Het Kerkrechtelijk beginsel van de Afscheiding en de Doleantie enz.
Juist 50 jaar na elkaar is eerst de Afscheiding in 1834 en daarna de Doleantie gekomen in 1886.
Weer 50 jaar daarna het Reorganisatie-Ontwerp 1938 !
De Afscheiding in 1834 ging uit van het beginsel : De Ned. Hervormde Kerk is de valsche Kerk. Men beriep zich daarbij op Art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis, waar staat : „Aangaande de valsche Kerk, die schrijft aan zich en hare verordeningen méér macht en gezag 'toe, dan aan het Woord Gods en wil zich het juk van Christus niet onderwerpen, zij bedient de Sacramenten niet, gelijk Christus die in Zijn Woord verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk het haar goeddunkt ; zij grondt zich meer op de menschen dan op Christus ; zij vervolgt degenen, die heilig leven naar het Woord Gods, en die haar 'bestraffen over hare gebreken, gierigheid en afgoderijen".
Afscheiding van die valsche Kerk was daarom gebiedende eisch. Maar de Doleantie in 1886 sprak heel anders . De Doleerenden" namen dat zoo maar niet over van de „Afgescheidenen", dat de Ned. Hervormde Kerk de valsche Kerk was. Ze hadden trouwens vijftig jaar lang geweigerd om met de Afscheiding mee te gaan. Geen Separatie !
In I1886 ging men echter toen de volgende redeneering houden : we moeten onderscheid maken tusschen de Ned. Hervormde Kerk (die niet de valsche Kerk is) en de Besturen der Kerk (die met het wezen der Kerk in strijd zijn). En nu moeten we de Ned. Hervormde Kerk gaan bevrijden van die Besturen, door eenvoudig die Besturen op zij te zetten. We nemen zelf de reformatie „ter hand" ; en dan hebben we de Ned. Hervormde Kerk voor óns en de Besturen staan aan den dijk zonder Kerk !
Een klein kind kon begrijpen, dat dit een geforceerde breuk moest geven met de meest ellendige gevolgen voor de Ned. Hervormde Kerk. Wat de geschiedenis ook bewezen heeft. Er is toen weer een deel buiten de Hervormde Kerk komen staan en de Ned. Hervormde Kerk is met het Besturenapparaat achtergebleven !
Na de Doleantie stonden er dus twee groepen buiten de Hervormde Kerk : de Afgescheidenen (de Chr. Geref. Kerk geheeten) met hun Kerkbeschouwing, en de Doleerenden (de Ned. Geref. Kerken) met hun Kerkbeschouwing. Het gescheiden kerkelijk leven van die twee groepen werd zonde geacht en in 1892 heeft de vereeniging plaats gehad. Maar het is dr. Kuyper zelf, die gezegd heeft, dat ze meer „aan-elkaar-geregen" waren, dan „saamgegroeid".
Wat op de Synode van de Chr. Geref. Kerk (van 1834) in het jaar 1891 te Leeuwarden besproken is, blijft van de grootste beteekenis in deze kwestie. Daar deed dr. Bavinck het volgende voorstel :
„Erkennende het belangrijk verschil, dat tusschen Separatie en Doleantie bestaat — zelve vaststaande in de overtuiging, dat de Scheiding van 1834 en volgende jaren een werk Gods was, zoowel recht-als plichtmatig naar Zijn Woord en de Gereformeerde Belijdenis — de Doleantie met haar Kerk-en Rechtsbeschouwingen voor rekening latende van de Ned. Gereformeerde Kerken — nochtans bereid om in weerwil var/j dat onmiskenbaar verschil toch met het oog op en krachtens de éénheid in Belijdenis en Kerkregeering althans te pogen om tot vereeniging te komen en kerkelijk samen te leven".
In die motie werd voorts opgenomen :
„De Synode spreekt uit, dat zulk een pogen \an vereeniging dan alleen zal kunnen slagen: f. als over en weer, oprecht en zonder zinsbehoud, de te vereenigen Kerken erkend worden als ware en zuivere Gereformeerde Kerken naar Belijdenis en Kerkenorde ; 2°. als, wat de verhouding tot de Ned Hervormde Kerk betreft, dat wederzijds wordt uitgesproken, dat verbreking van de Kerkelijke gemeenschap met de besturen van de Ned. Hervormde Kerk niet alleen, maar óók met de leden in corporatieven en plaatselijken zin, door Gods Woord en de Gereformeerde Belijdenis geboden en dus noodzakelijk is".
Hierin kwam dus het echte beginsel der Afscheiding naar voren : „niet alleen maar breken met de besturen, maar met de Ned. Hervormde Kerk als zoodanig, algemeen en plaatselijk genomen". Dus : de Ned. Hervormde Kerk in lengte en breedte de valsche Kerk !
Deze voorwaarden zijn door de Kerken der Doleantie aanvaard. Wel gaf men (natuurlijk) een eigen „toelichting" (want men was niet één van gevoelen in deze !), maar het einde van het lied was toch, dat men „samensmolt".
Hierover zijn — en dat is het wonderlijke --de tegenwoordige Chr. Gereformeerden nog altijd gebelgd. En zij zeggen, dat het beginsel der Afscheiding 't juist niet gewonnen, maar verloren heeft ! Door allerlei „toelichtingen" enz. is alles ten slotte van kracht beroofd. En de Chr. Gereformeerde Kerk van heden vindt er oorzaak in, om een zelfstandig kerkelijk leven te voeren, gescheiden van de Gereformeerde Kerken, die sinds 1892 uit de Afscheiding en de Doleantie zijn saamgevloeid („aan-een-geregen" meer dan „saamgegroeid" is óok wel gezegd).
Dat bezwaar van den kant van de Chr. Gereformeerden (de oude Afgescheidenen van 1834) is aanstonds, toen de zaak van de „vereeniging" kerkelijk op de verschillende Synoden van de Afgescheidenen en de Doleerenden behandeld werd, openbaar geworden. Want op de Synode van 1892 te Amsterdam waar de zaak beslist zou worden) was een bezwaarschrift, geteekend door 701 leden der Chr. Gereformeerde Kerk.
Sindsdien is de scheur gebleven en tot op vandaag leven de Gereformeerde Kerken eenerzijds als de ware Kerk — en de Chr. Gereformeerde Kerk ook als de ware Kerk — wat weer in strijd is met Artikel 2'8 van de Ned. Geloofsbelijdenis, waar staat : „Wij gelooven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling dergenen, die zalig worden, en dat buiten dezelve geen zaligheid is, dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelven te houden, om op eigen persoon te staan ; maar dat allen schuldig zijn zichzelven daarbij te voegen en daarmede te vereenigen ; onderhoudende de eenigheid der Kerk, enz."
Wonderlijke situatie : buiten de ware Kerk is geen zaligheid.
De Gereform. Kerken zijn de ware Kerk.
De Chr. Gereform. Kerk is de ware Kerk.
Ze voegen zich niet bij elkaar en onderhouden niet de eenigheid der Kerk.
Wat hieruit voortkomt, dat dei eene Kerk van de andere Kerk getuigt : Gij zijt niet de ware Kerk !
En in de ware Kerk is alleen de zaligheid...
Het wordt wel angstig.
Als het tenminste zóó is, zooals men zegt.
DE VRIJZINNIGEN IN DE REORGANISATIE
In zijn openingswoord op de jaarvergadering van de Vrijzinnig Hervormden, Ie Arnhem gehouden, heeft de voorzitter o.a. gezegd : „Wordt het Ontwerp verworpen, dan zullen wij ons met kracht te zetten hebben aan de beantwoording van de vraag, hoe, krachtens ons beginsel, een Kerk georganiseerd moet zijn en hoe wij diensvolgens over de organisatie der Ned. Hervormde Kerk moeten denken. Ook in onze kringen zijn verlangens naar reorganisatie uitgesproken — vooral in verband met de bestrijding van het Ontwerp. Wij zelf moeten onderling daarover tot klaarheid komen ; de rechterzijde heeft er in het huidige stadium ook recht op te weten, wat ze aan ons heeft. En — zegt onze beginselverklaring — ook in dit opzicht is voor ons de tijd gekomen voor positieven arbeid".
Er is dus nu positief werk in deze te wachten van de Vrijzinnigen.
We zullen eens zien wat het wordt.
Of, weten we het al, gedachtig aan 't geen vroeger niet ééns, maar telkens weer door de Vrijzinnigen is gezegd, geschreven en ook wel geformuleerd ; ook wel op de Synodale tafel gelegd ? Wij vermoeden, dat we het wel zoowat weten, wat in deze positieve arbeid beteekent. Toch is het goed, dat men er mee voor den dag komt.
PROF. DR. J. H. GUNNING: De Kerk, de Belijdenis enz. (4)
Prof. Gunning komt tot een tweede opmerking aan het adres van dr: J. Th. de Visser. Deze had n.l. als bedenking tegen eventueele reorganisatie ingebracht: „door de onderlinge verdeeldheid der orthodoxen zou er geen formule kunnen gevonden worden, waarin allen zich zouden vinden, en — hun „moderne" tegenpartij zou uit die verdeeldheid kracht winnen".
Prof. G. antwoordt :
Helaas ! er is véél dat uw vreeze wettigt, Ja, er is partijschap te over. Doch waaruit ontkiemt die partijschap ? Juist uit onze toestanden, zooals ze thans zijn. Als er geen Rechter is in Israël, doet ieder wat goed is in eigen oogen. Juist omdat de Kerk geen mond heeft om zich over heilige dingen uit te spreken, schept zich de bestaande behoefte verkeerde organen tot uiting.
Strijdieuzen, meestal ontleend aan de sfeer van het militaire leven, schallen door de lucht ; modewoorden, door partijzucht geschapen, dienen tot vrijspraak of veroordeeling. Doch gelooft gij niet met mij, dat het besef : ambtelijk van 's Heeren wege tot een gewichtige beslissing geroepen te worden, zal aansporen tot heilige vreeze, bedachtzaamheid, biddenden ernst van onderzoek ? En op den weg, dien wij wenschen gevolgd te zien, valt over gewichtige geloofszaken geen 'beslissing dan na ernstige voorbereiding, herhaald gemeenschappelijk overleg — waarom ook niet voorlichting van begaafde mannen van gezalfden geest ? Zou men het daar dan niet over hoofdzaken ééns kunnen worden ? "
„Gij wilt toch niet meedoen" — zoo gaat Prof. Gunning verder, zijn vriend dr. De Visser aansprekend — „aan het arme kunstje waarmee sommigen trachten ons beroep op de belijdenis krachteloos te maken ? Van hen, die optreden als op den grond onzer oude belijdenis staande, maar dan allerlei opsommen, grootere of kleinere afwijkingen van de belijdenis, om daaruit dan te besluiten dat zij geen recht hebben zich aanhangers van die belijdenis te noemen. En dan voegen zij er aan toe, dat niemand de grens kan aanwijzen waarbinnen het wèl en waarbuiten het niet geoorloofd is van de belijdenis te verschillen !
Gelukkig doen — aldus prof. G. — de edelsten hunner aan dit geesteloos kwantitatiefmaken van het kwalitatieve niet mee ? Kuenen b.v. merkte in een Gedachtenisrede terecht op, dat de „Modernen", ook bij hel wijdste verschil van meening, toch samen „één familie" zijn".
„Geene der talrijke Madonna's van Rafael is aan de andere gelijk ; maar harmonieuze schoonheid doet ze alle kennen als van één familie; gelijk sombere ingehouden kracht alle scheppingen van Michel Angelo tot één familie stempelt". „Zóó zijn ook wij allen, die erkennen op den bodem onzer belijdenis te staan, één huis, één familie door den band des Geestes, ondanks het wijdste verschil van meeningen". „Ook ik, die als medepartijgenoot nimmer door één enkele ,,partij" ben vertrouwd, voel mij toch zeer bepaald thuis bij hen, die, in alle eeuwen, den Drieëenigen God aanbidden. Zelfs in de oogen der twee geeerde Broeders, met wie ik ons Adres aan de Classicale Vergaderingen onderteeken, . kleef ik dwalingen aan, trouwens meermalen door mij uitgesproken ; en toch heb ik niet de minste moeite gehad om met ben tot één gemeenschappelijke formule te komen, omdat wij door de gemeenschap des geloofs van één geestelijke familie zijn".
„Waarom zouden dan in de Commissie de „beginselen der belijdenis, in onze Kerk nog altijd wettelijk geldig", zich niet, na ernstig overleg in één gemeenschappelijk aangenomen formule kunnen uitdrukken ? Immers, mochten er in die Commissie gekozen worden, die in hun geweten overtuigd zijn deze beginselen niet te beamen, dan zullen zij de benoeming niet aannemen. Dit niet van hen te onderstellen zou een beleediging zijn, aan welke wij in de verte niet denken. Niet onze willekeur, neen, hun eigen eerlijkheid sluit hen uit".
En dan krijgen we het derde of laatste bezwaar van dr. De Visser, n.l. het „uitbannen van andersdenkenden".
Prof. Gunning schrijft : „Ik kom tot uw derde, laatste bedenking. Gij zegt : „Gijlieden wilt niet uitbannen — maar die uitbanning kan uit den aard der zaak op den duur niet uitblijven".
„Zeker" — aldus prof. G. — „wij willen niet uitbannen. En ik hecht er groote waarde aan, te herhalen, wat ik in mijn brochure schreef: „niet uit inconsequentie of vrees, maar alleen omdat wij een beroep doen op het geweten". De kern van ons geheele voorstel is : vertrouwen op de kracht der waarheid, en op niets anders". „Wij willen de waarheid, dat is : Jezus Christus, het Hoofd der Gemeente, langs wettigen weg, door Zijn eigen organen, in de Gemeente aan 't woord doen komen, opdat de kracht des Heeren tot inwendige en uitwendige hervorming openbaar worde". „Het recht van ons allen, modernen èn orthodoxen, van ons allen zonder onderscheid, moet kerkelijk onderzocht en beoordeeld worden, naar den historisch bekenden grondslag der Kerk".
„Een „evangelische" schreef mij" — aldus prof. G. — : „Gij wilt ons wel niet uitbannen, maar het ons toch in de Kerk benauwd maken". Ik antwoordde : „indien een beroep op uw geweten, mijn broeder ! u benauwd maakt, dan is dit niet onze schuld". Maar „benauwd maken" is de bedoeling niet. Wij wenschen de belijdenis in de Kerk uitgesproken te zien, omdat die uitspraak voor hare werking op de gewetens noodig is".
„Ik heb" — zoo vertelt prof. G. — „menig oprecht en edel „modern" jongman, als hij bij zijn vertrek van de Hoogeschool bij mij kwam afscheid nemen, de hand gedrukt met dit woord : „U kennende, verlang ik er naar, dat gij in de Gemeente met de werkelijkheid, met de bestaande behoeften des harten, moogt kennis maken, opdat gij in uw oprecht gemoed moogt leeren overwegen of gij waarlijk een levenswoord bezit voor den zondaar die vrede zoekt".
„Ik wensch een Kerk — ook voor die moderne jonge menschen, die het dikwijls ernstig meenen — een Kerk, die den Naam des Heeren belijdt, om de ontvankelijke harten voor tot nog toe ongekende behoeften te doen opengaan".
Eerst in zoo'n Kerk kan gehoord worden : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, want Ik zal u ruste geven".
En dat is een eigenaardig „uitbannen".........
Een uitbannen van wie, van wat ?
Een uitbannen van wie, van wat ?
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's