MEDITATIE
„Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe" Rom. 8 vers 9b.
In den Romeinenbrief vinden we de drie stukken, die noodig zijn te kennen, naar onzen Catechismus: ellende, verlossing, dankbaarheid. Die tekst uit Rom. 8 vers 9b spreekt over den Geest van Christus. Onmiddellijk daarvoor, ook in dat negende vers, lezen we: de Geest Gods. —
Dat is duidelijk — Johs. 5 vers 26 — de Zoon heeft Zijn bestaan van den Vader — zóó heeft de Heilige Geest Zijn bestaan door den Eeuwigen Uitgang uit den Vader en 'uit den Zoon en wordt er gesproken over den Geest Gods èn over den Geest van Christus.
Maar daarom niet alleen lezen we hier den Geest van Christus met name ten opzichte van 't feit, dat God de Heilige Geest een ruim deel op zich nam in 't zaligen van zondaren. (Zie Jesaja 48 vers 16 èn Galaten 4 vers 6. — Jesaja 61 vers 1, 2). Hier in den Romeinenbrief spreekt de Apostel over Christenen, die niet meer in 't vleesch zijn, maar in den Geest — de Geest Gods woont in hen. O, de Apostel wist, dat bij velen een ander beginsel werkte, dat 't leven der Wedergeboorte zich kennelijk openbaarde — er was een veranderde harte-richting — zaligmakend geloof in den Christus.
Maar hoe zou een Paulus, die meermalen belijdenis doet in dezen brief, van schrik en ontzetting over zijn eigen verdorven hart („ik ellendig mensch!") hoe zou Paulus uiteindelijk hartekenner kunnen zijn — en daarom : — „zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe."
Dus : zelfonderzoek — „Doorgrond m' en ken mijn hart o Heere !" De Geest van Christus hebben — d.w.z. de inwoning van den, door Christus verworven. Geest in het zondaarshart — dan alleen kan er sprake zijn van inenting in Hem, Die is de levende wijnstok door den Vader geplant (Johs. 15 : 1—2).
Door den zondeval werd 't menschenhart een plaats waar Satan intrek nam; de tempel waaruit op moest klinken de klank ter Eere Gods werd een woeste plaats, waaruit de wanklank opsteeg van den vloek en Godsverzaking. Maar de Heere Jezus trad, vijandschap zettend, tusschen beide „uit Hem, door Hem, tot Hem zijn alle dingen!"
De Heilige Geest overtuigt van zonde, gerechtigheid en oordeel.
Voor die Geestesovertuiging kent de mensch zich niet als zondaar — o, die mensch wil Jezus misschien nog wel, die mensch wil wel in den Hemel komen — maar die mensch kent niet de absolute noodzakelijkheid van Jezus als Borg !
Dan is er naast 't leunen op Jezus nog veel meer een steunen op de eigen onverbroken natuur!
Met alle spreken over Jezus — komt men Hem niet toe !
Gevaarvolle toestand — denkende in te gaan en straks te ervaren : Jezus heeft mij nooit gekend!
Echter — bij 't ware werk des Geestes wordt de mensch ingeleid in zijn zondaarsstaat voor God.
Van nature ziet noch kent de mensch zijn zonde — zeker! als toeschouwer misschien wel als goed rechtzinnig, beredeneert hij 't stuk der ellende — maar ! iets absoluut anders is : ingeleid te worden in den zondaarsstaat voor God.
En — hoewel niet ieder overtuigde de diepte van Psalm 116 doormaakt, de wortel der zaak moet toch aanwezig zijn: zien de onoverbrugbare klove tusschen God en zichzelf. Dan alleen wordt er geboren, 't zich bukken onder het recht van God — doodsvreeze vervult dien mensch.
Die mensch gaat werken, om te dempen die kloof — die mensch wordt o, zoo vroom — maar de Geest werkt door om te verbreken, dat taaie, zichzelf handhavende, eigengerechtige „ik" ! En die Geest rust niet — aleer, dat „ik" verbroken is — eens voor 't eerst en steeds weer bij vernieuwing en verdieping :
„'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, zoodat mijn dood voorhanden scheen en alle hoop mij gansch ontviel waar niemand zorgde voor mijn ziel."
Psalm 142.
Hier hebben we den vollen nadruk op te leggen : gansch hulpeloos (Ps. 72) o, die hulpeloozen zal God ten redder zijn — maar zoovele hulpeloozen zijn nog niet hulpeloos en daarom komt er geen vrede en blijven zij maar in 't stuk der ellende liggen — zoogenaamd in 't stuk der ellende ! Nogmaals — Ps. 72 — God zal redder zijn der hulpeloozen — Gods beloften zijn zeker en wanneer nu een hulpelooze die redding niet ervaart — zoeke hij het bij zichzelf — dan is hij niet waarlijk verbroken — maar handhaaft zich nog de eigengerechtigheid onder alle klagen over de ellende !
„Onbekwaam tot eenig goed" — zoo onbekwaam, dat 't worde : gansch hulpeloos !
De mensch van Psalm 72, 116, 142, enz. wordt uitgedreven uit zichzelf om met een Job zijn rechter om genade te smeeken — en 4an opent de Heilige Geest anderzijds 't oog voor den Christus en Zijn zielearbeid, opdat 't verstaan worde, dat die Christus niet is een helpende Christus om de tekorten van den zondaar aan te vullen, maar een Algenoegzaam Zaligmaker, Die een verwerpelijk mensch door Zijn Alreinigend bloed stelt als liefelijk voor het aangezichte Gods!
Dat eerst is leven, al is 't nog maar 't allereerste begin — wanneer in dat gebroken en doorbroken zondaarshart 't zaligmakend geloof in den Christus gewrocht wordt — wanneer alles aan den Christus gansch dierbaar wordt!
„Maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe."
„Onuitsprekelijke ellende — Hèm, n.l. Jezus Christus niet toe te komen — te zijn, buiten den eenigen troost in leven en in sterven !
Wie zijn nu die onuitsprekelijke ellendigen?
De uitbrekende zondaren ? Ja — maar ook gij, rijke jongeling, en gij, dankende Parizeer, en gij trouwe kerkganger, die roemt in uzelf — in uw Doop — belijdenis doen — Avondmaal-gaan, als iets verdienstelijks op zichzelf !
Denk aan Laodicea : rijk en verrijkt — eigendunk ! , : maar Christus zegt: ellendig, jammerlijk, arm, blind, naakt!
Buiten de Geesteswerking is alles waardeloos — noodzakelijk is dat ware Geesteswerk anders zal alle spreken over Christus zijn, naar dit woord : een missen van Hem! Door 't verzoenend lijden en sterven van den Borg, naar den Raad Gods, is daar verworven de Levendmakende Geest. (Zondag 18, antwoord 49, ten derde, , .dat Hij ons Zijnen Geest tot een tegenpand zendt, door wiens kracht wij zoeken wat daar boven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is").
Deze vraag : zijt gij een verbroken zondaar ? niet dat uitwendig belijden : ik ben een zondaar — maar in de binnenkamer 't belijden voor God Almachtig en Heilig, het vergaan door Gods toorn, 't verschrikt worden door Zijn grimmigheid — 't leven verliezen, ook al uw vroomheid !
De bekende Godgeleerde Kohlbrugge schrijft: „in 't vleesch zijn is : verkeeren in den ouden toestand, waarin wij door de overtreding van één mensch gekomen zijn ; deze toestand heet „vleesch" omdat dit het tegenovergestelde is van al wat God en goddelijk is. Het is aan dezen toestand eigen, vroom en zalig te willen zijn naar eigen goeddunken. Die zich in dezen toestand bevinden eigenen zichzelf alles toe, wat Gods en wat der waarheid is — God, Christus en den Geest — alleen om zichzelf te handhaven. Men steunt op allerlei beloften, opdat men zelf wat in de hand hebbe. Bij alles houdt men zichzelf staande, men is niet verder ten onder gegaan, dan dat men gevoeld heeft Gode niet gelijkvormig te zijn, men neemt dan echter het Koninkrijk der Hemelen met geweld, om weer tot rust te komen en de verloren Gode gelijkvormigheid weer in handen te hebben. Men zoekt, hoe men 't ook ontkent, hoe men 't ook wil verbergen, de zaligheid uit de werken, men wil ze verdiend hebben en als een rechtvaardig en vroom man in den Hemel komen. We zien 't bij de Joden, ze eigenden zich de beloften toe, aan Abraham geschonken, zij hadden de Schrift, legden deze uit, verwachtten den Messias — maar ergerden zich aan den in het vleesch gekomen Messias!"
Gevaarvolle toestand — dat rusten op de beloften, als eigengerechtigde vrome. „Wie den Geest van Christus niet heeft die komt Hem niet toe !"
Maar allen, die worstelen, die vragen : bedrieg ik mijzelf dan niet — die bestreden worden met dit woord in de satansfluistering : gij hebt den Geest van Christus niet. Zie maar eens op uw leven, uw zonde lees goed hier staat niet: Christus' geest, maar !. den Geest van Christus ! — Christus' geest ontvangt ge hier niet, dan slechts heel ten deele, dat zal zijn aan de ..Overzijde", bij de achterlating van 't lichaam der zonde — ja, dan zal 't zijn : gelijkvormig aan Christus' verheerlijkt lichaam — voor al de Zijnen — om Gode te verheerlijken in zuivere en reine tonen!
Maar den Geest van Christus hebben — och, juist dan zult gij zijn en steeds worden : een arm en ellendig volk, een zondaarsvolk.
Jezus Christus is gekomen om zalig te maken — wie ? vrome menschen, neen ! duizendmaal neen! om zalig te maken: verlorenen — Lucas 15 vers 2: Jezus ontvangt de zondaars en eet met hen.
Geesteswerking is: de mensch recht arm te maken — opzij te zetten — zoodat er komt een vlakke weg, waarlangs de Zaligmaker komt met den vollen rijkdom van Gods onuitsprekelijke Genade !
Onuitsprekelijke ellende — het zijn buiten Christus —
Onuitsprekelijke zaligheid — het zijn in Christus 1
„Wie ver van U de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt; Gij roeit hen uit, die afhoereeren En U den trotschen nek toekeeren; Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot. Nabij te wezen bij mijn God: . 'k Vertrouw op Hem geheel en al, Den Heer' Wiens werk ik roemen zal!"
Sch.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's