KERKELIJKE RONDSCHOUW
PROF. DR. J. H. GUNNING, De Kerk, de Belijdenis enz. (5)
Over het „uitbannen" waarvoor dr. de Visser zoo bang was, schrijft prof. Gunning nader : „Ik wensch een Kerk, die den Naam des Heeren belijdt". En dan vertelt prof. G. van een vrijzinnig predikant, die bij een stervende niet geven kon wat de stervende vroeg „als een arm zondaar roepende om genade". „Ik kan zóó niet sterven" was de schreeuw der ziel „ik heb iets anders noodig" — dan de moderne dominé bracht. Toen had die predikant gezegd, die niet orthodox is kan niet iets anders geven, hij bezit het niet. „Mogen zóó" — aldus prof. G. „door de werkelijkheid van het leven velen worden bekend gemaakt met wat ze missen en wat de Kerk, die den Naam des Heeren mag belijden, bezit en predikt." „Mogen zij vroeger of later zichzelf uitbannen — dat kunnen wij niet verhinderen, schoon wij het altoos met weemoed zullen zien".
Wij willen niet uitbannen — schrijft prof. G. „Wij willen geen verwijdering, maar toenadering, geen uitbannen, maar omzetten door vrijwillige erkenning der waarheid !" En „is het dan wonder, dat wij den boden der Kerk daartoe zooveel mogelijk willen bereiden ? " (blz. 21).
„Dit bereiden is trouwens noodig. Sterk is de macht, die tegenover ons staat. Men voelt bij instinct dat met hetgeen wij willen, groote verandering in de Kerk, op den duur, zou komen." „Het subjectivisme in onze Kerk is zoo machtig en doet zooveel kwaad." „En het is niet waar, dat wij als „Confessioneelen" zouden staan tegenover de niet-Confessioneelen in de Kerk. Onze broeders, die ons tegenstaan zijn evengoed Confessioneel als wij, maar zij hebben een andere, een slechtere confessie." „Nu heeft onze Kerk feitelijk deze confessie : „Niet Christus, maar ieders meening omtrent Christus". En dat is onder de huidige organisatie niet tegen te gaan, óók niét als „de meening omtrent Christus" zóó zeer van de belijdenis aangaande den Christus afwijkt, dat er van de belijdenis naar de Schriften niets meer is overgebleven. De geschiedenis met dr. Zaalberg, dr. Meyboom en anderen — herinnert prof. G. — heeft dat bewezen.
„Wat willen wij dan nu ? deze en dergelijke mannen uitbannen ? Neen, en nogmaals neen I Maar dat hunne confessie èn de onze, beide met volstrekt gelijk recht, gesteld worden voor de rechtbank van den historisch vaststaanden grondslag der Kerk, Jezus Christus naar de Schriften. Opdat de confessie, die in 't ongelijk wordt gesteld, niet uitgebannen, maar door het gezag der bevoegde ambtsdragers aan de Gemeente voorgesteld worde als tegen het wezen der Kerk gekant." „Hiermede wordt niet Jezus Christus aan de meerderheid der stemmen onderworpen" — zooals men wel eens belieft te zeggen. „Zulk een gruwel is onmogelijk. Jezus' goddelijk gezag staat vast, niet door ons besluit, maar door Zijn eigen „alle macht in hemel en op aarde", waardoor Hij Zijn Kerk, óók de openbaring daarvan die de Hervormde Kerk heet, heeft gesticht." „Niet de Heer, maar de Confessie die Hem belijdt of misschien! niet belijdt, wordt geoordeeld, en dat is recht." En waardoor wordt die belijdenis van den Christus geoordeeld ? „Door het ordelijk, wettig, na behoorlijke voorbereiding zich uitend, geestelijk leyen, het geloofsleven der Gemeente, zooals het zich door de ambtsdragers uitspreekt."
Dan zijn er ook, die zeggen dat het niet aankomt op de vormen, maar op het geestelijk leven Voor dezulken heeft prof. G. dit bescheid :
„Ons verschil met hen, die zeggen : „op 'het geestelijk leven, niet op de vormen en inrichtingen komt het aan !" — ons verschil met deze broeders ligt niet hierin, dat zij geest en leven, en wij het uitwendige, den vorm zouden voorstaan, maar hierin : dat zij geest en leven half en wij geest en leven geheel voorstaan. Want geest en leven half en gebrekkig werkende, zijn tegen den vorm, het lichamelijke, gekeerd ; maar geheel werkende, zijn geest en leven den vorm scheppende, doordringende." En dit willen wij ! Mannen, die met energie het geestelijk leven vóórop stellen, zijn dan ook voor den vorm, de organisatie der Kerk, niet onverschillig (blz. 22).
In dat verband wijst prof. G. dan op zijn „geliefde leermeester" prof. Chantepie de la Saussaye Sr. „wien ik met onverflauwden eerbied blijf volgen". Deze hoogleeraar nu „heeft kostelijke bladzijden geschreven, waar hij het heeft over de beteekenis van een goede Kerkinrichting enz. Hij verklaart daar, dat „als onze Synode, door betere wijze van haar te benoemen, werkelijk uitdrukking zal zijn van het leven der Kerk, haar eerste taak zal moeten zijn zulk een herziening van alle reglementen, als waardoor alles wordt afgebroken wat de vrucht geweest is van dien verkeerden centralisatie-geest, waardoor de Kerkgenootschappelijke vorm allengs tot een ijzeren band is geworden, om de gemeenten gelegd ; en alleen dat te behouden, wat tot den geestelijken opbouw der Gemeente kan dienen" (Ch. de la Saussaye : De Crisis. Kerkel. tijdvragen, blz. 31, 32).
Prof. Chantepie d.e la Saussaye noemt daar de Belijdenis der Gemeente den waarborg harer vrijheid ; en zegt verder dat „wetten en inrichtingen, niet op de belijdenis der gemeente gegrond, daardoor van zelve onwettig zijn" (blz. 52).
(Wordt voortgezet).
HOE MOETEN WIJ ONZE KINDEREN BESCHOUWEN?
Hoe moeten wij onze kinderen in 't gezin, op school, op de catechisatie beschouwen ? Want dat de opvoeding en alle onderwijs door een bepaald uitgangspunt beheerscht moet worden en door bepaalde beginselen van Godsdienst en zedelijkheid geleid moet worden, is voor ieder duidelijk.
Welk standpunt neemt de Gereformeerde, die bij Schrift en belijdenis wenscht te leven, dan in ten opzichte van de kinderen ?
Dat het verbond der genade de geloovigen èn hun zaad omvat is bijbelsch. Dat is de grondrelatie hier. En daarvan moet men bij opvoeding en onderwijs uitgaan, in huis en in de Kerk, ook op onze Scholen met den Bijbel. Wat houdt nu die verbondsbeschouwing in? Dat onze kinderen „wedergeboren" zijn ; of dat we dat mogen en moeten „veronderstellen" ?
Indien dat waar is, dan moet dat natuurlijk een grondleggend fundament zij© voor al ons onderwijs. Onze kinderen zijn dan wedergeboren kinderen, met een nieuw hart en een nieuw* leven, omdat ze in het verbond Gods begrepen zijn. Ze zijn dus de bijzondere genade Gods met de bijzondere geestesgaven deelachtig. En daarom hebben we onze kinderen dan ook zóó in de school' (en natuurlijk ook in huis en in de Kerk) te beschouwen.
Deze „scherpe" lijn trekken velen ; vooral in het midden van de Geref. Kerken ; niet in de Chr. Geref. Kerk of in de Geref. Gemeenten, ook niet onder de Hervormd-Gereformeerden.
In de Geref. Kerken zijn er velen die zoo redeneeren, en die andere beschouwingen (van Hervormden, Chr. Geref. enz.) sterk veroordeelen. Men moet de kinderen dus als „bondelingen" beschouwen, en dan als „wedergeboren", althans moet men dat „veronderstellen." Want — zoo zegt men in de Geref. Kerken — men moet gelooven wat God belooft.
Men moet niet uitgaan van wat men ziet, en niet naar menschelijke overleggingen redeneeren ; neen, men moet het verbond nemen en dan gelooven alles wat God ons en onze kinderen belooft. Niet eerst „zien en weten", maar beginnen met „gelooven alles wat God beloofd heeft".
Maar wat heeft God nu beloofd en wal belooft Hij, de God des eeds en des verbonds, nog dagelijks ?
Alles wat wij, subjectief, gaan uitdenken en „veronderstellen" ?
Of moeten we hier vragen wat God Zelf in Zijn Woord ons daaromtrent openbaart en wat onze belijdenisschriften als de leering der Geref. Kerk doen hooren ?
Ons dunkt : Schrift en belijdenis ons hier tot Gids zijn moeten
Nu gebruiken degenen in de Geref. Kerken, die leeren, dat onze kinderen de bijzondere genade Gods met al de Geestesgaven deelachtig zijn en wedergeboren kinderen zijn, met een nieuw hart en een nieuw leven, natuurlijk óók de Schrift en de belijdenis. Natuurlijk ! Wij mogen geen oogenblik daaraan twijfelen. Ook al zijn wij het niet eens met deze mede-Gereformeerden, dan moeten we toch veronderstellen, dat zij, naar hun overtuiging, leeren wat naar Schrift en belijdenis is.
En ja, zij kennen teksten als : Rom. 9 : 7 en 1 Cor. 10 : 1—5 enz. net zoo goed als wij. Zij weten heel goed, dat daar staat, dat niet allen Israël, het ware Israël zijn, die uit Abrahams lendenen zijn.
Maar zij zeggen dadelijk, dat het verkeerd is, ontoelaatbaar en ten sterkste te veroordeelen, wanneer wij dergelijke uitspraken aan het begin zetten ; wanneer wij met dergelijke uitspraken de opvoeding en het onderwijs van onze kinderen beginnen en ze tot uitgangspunt van onze verbondsbeschouwing maken. Is dat nu het genadeverbond, voor óns en voor ónze kinderen, dat we alles zetten op dien éénen steen : „niet allen zijn Israël, die in Israël geboren zijn" ? Weten we niets anders en niets meer ?
Natuurlijk, zoo zegt men in de Geref. Kerken, zal er altijd „incongruentie" d.i. on-overeenstemmigheid zijn en blijven tusschen het verbond zelf en ónze verbondsbeschouwing, verbondsbediening en verbondstoepassing bij ons onderwijs en onze opvoeding. Er zullen er altijd zeer zeker buiten vallen, die wij in onze verbondsbeschouwing er binnen betrokken hadden. Maar moet dat oorzaak zijn, dat we heel onze verbondsbeschouwing loslaten en gaan omkeeren in het tegenovergestelde n.l. dat in het verbond allemaal „zondige" kinderen, dat is : allemaal „natuurlijke", onwedergeborene, verdoemelijke en verlorene kinderen begrepen zijn ?
Of, moeten we het misschien zoowat gaan „halveeren" en moeten we ongeveer zóó gaan redeneeren : de meeste kinderen zullen als „bondelingen" wel wedergeboren zijn, maar er zullen er altijd wel achter blijven, die uitvallen en verloren gaan ?
Of, moeten we, met een ietwat andere mentaliteit, misschien zóó redeneeren : de meeste kinderen gaan verloren, wat we allen waardig zijn, slechts een enkele, misschien één of twee of drie, zullen behouden worden ? Eén, of twee uit een stad........
Moeten we misschien gaan denken aan twee verbonden in het ééne verbond ? En wel zóó : dat God een verbond heeft opgericht met ons en onze kinderen, maar dat dit maar een uitwendige aangelegenheid is, die eigenlijk niets, of niet veel, ten goede tot gevolg heeft ? En. dat er nu in en achter dat groote en uitwendige verbond zoo iets zit van een „geheim" en „verborgen, " maar „geestelijk" en „zalig" verbond, dat gaat over héél enkelen van ons en van onze kinderen, naar de verkiezing Gods vastgesteld ?
Nu moeten we dadelijk, eerlijkheidshalve, zeggen, dat lang niet allen in de Geref., Kerk zóó redeneeren, dat God met ons en met onze kinderen Zijn verbond heeft opgericht, en dat nu al onze kinderen, die bondelingen zijn, de bijzondere genade Gods met al de geestelijke gaven deelachtig zijn ; dat al onze kinderen „verondersteld" moeten worden wedergeboren te zijn en dus een nieuw hart bezitten en veranderde menschen zijn.
Er zijn er velen, die zeggen : er is maar één verbond, het genadeverbond, dat gaat over ons èn over onze kinderen, maar : wij kunnen op verschillende manier in dat verbond zijn.
Dan gaat het, zeer terecht, over onze verbondsbetrekking waarin wij verkeeren.
Eenerzijds zegt men dus positief : het verbond der genade is onder het N. Verbond tot z'n volste ontplooiing gekomen en omvat ons en onze kinderen ; en het begint met de eerste van Gods genadegaven en Geesteshandelingen n.l. de wedergeboorte.
Dan is dus het fundament voor onze verbondsbeschouwing gelegd : de veronderstelde wedergeboorte, en dan bij allen.
Zij die anders leeren doen dan — zegt men — aan Gods verbond tekort en keeren zich tegen God Zelf.
En zoo moet dan — volgens die beschouwing van velen in de Geref. Kerken — op school (en in het gezin, op de catechisatie enz.) alle onderwijs en opvoeding uitgaan van de grondstelling : al onze kinderen, die bondelingen zijn, zijn wedergeboren. Dat is het eerste en voornaamste waarmee we moeten beginnen en dat we moeten vasthouden ten einde toe tenzij er later allerlei scherp gekenmerkte dingen zich voordoen, die (bij uitzondering en als een tegenvaller), het bewijzen, dat iemand een uitgevallene is, die er niet bij hoort. Dat is er dan een van degenen, waarvan Paulus spreekt als van Israël, dat geen Israël is.
Hoe hebben wij hier nu tegenover te staan ?
Laten we dadelijk zeggen, dat hier heilige teerheid en heilige voorzichtigheid past en geenszins een ruwe, hatelijke bestrijding van den een tegen den ander.
Er zijn er, die zoo minachtend hier kunnen spreken over „die Doleerenden" en over „die „verbondsmannetjes" enz. Dat zijn dan zulke „uitwendige" menschen, die zoo geen kennis hebben aan „het binnenwerk, dat de Geest bij een mensch komt te verrichten enz. enz."
Dat bij zulke menschen dan heel het verbond dikwijls verdwijnt en er van een verbondsbeschouwing en verbondsbetrekking eigenlijk geen sprake meer kan zijn, is helaas ! bekend. Velen geven dan ook dikwijls o ! zoo weinig om den Doop. Het is toch allemaal slechts „verdoemelijk vleesch" en alleen als de Heere soms aan een ouder een „genadig knikje" komt geven, of een „openbarinkje" is er iets te hopen. Als er maar een „bijzonder woordje van den hemel" komt — dan is het wat ; maar anders heeft het toch allemaal niets te beduiden ; men kan het eigenlijk beter na laten dan dat men het doet ; het is alleen maar om „onze verdoemenis zwaarder te maken"
Laten we zóó toch niet spreken. Maar laten we liever teer en ernstig trachten, bij het licht van de Schrift en naar de onderwijzing van onze Drie Formulieren van Eenigheid, te mogen verstaan hoe wij onze kinderen „die in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn" hebben te beschouwen.
En nu hebben we in bovenstaande „aanhaling" reeds iets uit onzen Heidelbergschen Catechismus naar voren gebracht. (Zondag 27). Willen we heel die vraag en dat antwoord (No. 74) eens afschrijven en lezen met elkaar? Ons dunkt dat kan geen kwaad ! De vraag is dan : „Zal men ook de jonge kinderen doopen ? "
En het antwoord luidt : „Ja ; want de jonge kinderen zijn evengoed als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijne gemeente begrepen ; en aan onze jonge kinderen wordt de verlossing van de zonden door Christus' bloed en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder toegezegd dan aan de volwassenen. En omdat dit zoo is, moeten onze jonge kinderen óók door den Doop, als door het teeken des verbonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd worden en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden — net als het onder het Oude Verbond toeging met de besnijdenis der jonge kinderen ; voor welke besnijdenis onder het Nieuwe Verbond de doop in de plaats gekomen is."
Hoe hebben wei dus onze kinderen te beschouwen volgens onzen Catechismus ? Wij zelf zijn in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen.
Zóó hebben we óók onze jonge kinderen te beschouwen, die evenzoo in het verbond Gods en in Zijn Gemeente begrepen zijn.
De verlossing van de zonden en de Heilige Geest wordt aan de volwassenen toegezegd en beloofd, dat God dat alles schenken wil aan degenen, die in Hem gelooven ; op dezelfde wijze wil God onze jonge kinderen behandelen, zeggende : wat Ik aan de volwassenen toezeg en beloof n.l. vergeving der zonden en de gave van den Heiligen Geest, dat beloof Ik u, jonge kinderen, even goed ; gij zijt niet anders en niet minder dan de groote menschen ; Mijn oog is ook op u. Mijn hand wendt zich even goed tot de kinderkens !
Onze kinderen zijn dus kinderen „des verbonds", „bondelingen", zooals wij zelf ook in het verbond begrepen zijn en tot Zijn gemeente behooren.
Men moet dus niet beginnen met zoo minachtend te spreken over het „verbond" en over „bondsmannetjes". Want die het verbond Gods aanraakt, raakt God Zelf aan in Zijn heiligheid. En die de besnijdenis, als teeken des verbonds, onder oud-Israël verachtte werd van God vervloekt, en die het nieuwe en veel betere verbond nu veracht, zal de verbondsvloek zekerlijk niet ontgaan.
En in het Verbond Gods, dat Hij met óns en met onze kinderen (met onze kinderen niet minder dan met ons — zegt de Catechismus) opricht, liggen wij dus met onze kinderen (en onze kinderen niet minder dan wij !) onder Zijn verbonds-beloften.
Hij wil ons toezeggen en beloven : de verlossing van de zonden door Christus bloed. Hij wil ons beloven : den Heiligen Geest, tot wedergeboorte en vernieuwing, tot leven en tot zaligheid.
Onder die verbondsbeloften komen wij te liggen : wij èn onze kinderen. En telkens wanneer de Doop aan onze kinderen wordt toebediend als een sacrament, door God ingesteld, is het om door zichtbare teekenen aanschouwelijk onderwijs te geven in de geestelijke dingen waarom het gaat.
Dan komt de besprenging met water, wat aan degenen die als volwassenen gedoopt worden, na hartelijke belijdenis van hun geloof, wil betuigen ; zoo zeker als gij nu uitwendig gewasschen wordt van de vuilheid die het vleesch aanhangt, zóó zeker zijt gij, geloovige belijder van den Naam van Christus, met het bloed der verzoening gewasschen. Die geloovige is gewasschen ; die geloovige belijder heeft vergeving van al zijn zonden. „Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden" geldt hem. En die vergeving en die verzoening der zonden wil de Sacramenteele handeling dan afbeelden in de wassching met water en bezegelen dat het alles waarachtiglijk geschonken is wat tot vrede en zaligheid is !
Dat is een nieuw mensch, dat is een wedergeboren mensch, dat is een gerechtvaardigd mensch, dat is een kind van God. En het Sacrament van den Heiligen Doop komt er dan bij, om het af te beelden en te laten zien ; óók om het te bezegelen en des te vaster te verzekeren, dat het waarachtig, is.
Dat is de doop aan de volwassenen, na wedergeboorte, geloof en bekeering tot God.
(Slot volgt).
WAAROVER MOET HET KERKELIJK GESPREK GAAT?
Het woord „kerkelijk gesprek" dreigt een mode-woord te worden, met al de bekoring van. de mode en al de nietszeggendheid van de mode. Want een gesprek voeren, een kerkelijk gesprek voeren is zeker goed te achten, maar — waarover moet het gaan ? Moet het een gesprek worden tusschen zoovele gesprekken, die op niets uitloopen, omdat men maar gaat spreken, terwijl men niet weet waarover gesproken moet worden ? Aan zulke gesprekken hebben we allerminst behoefte.
Nu schrijft ds. F. W. J. van der Ploeg, vrijz. predikant te den Helder (hoe dikwijls zal daar, in den Helder, ook al een gesprek gevoerd zijn tusschen orthodoxen en modernen ! en het resultaat? ) in „Kerk en Wereld" óók over „Het Kerkelijk Gesprek", dat ook volgens hem nu komen moet (modernen en ethischen hebben het er nog al druk over). „De beraadslagingen ter Classicale Vergadering van dit jaar over het Reorganisatie-ontwerp deden ons een oogenblik stilstaan bij de beteekenis van het kerkelijk gesprek als zoodanig". „Het kan de begrippen, die zuiver dienen geformuleerd, verhelderen en daardoor 't juiste inzicht in elkanders bedoelingen vergrooten". „Het kan tot hoogere synthese brengen".
Maar en dan komt het. „Eén ding houde men hierbij in 't oog". „Het is niet een denkbeeldig gevaar, dat men het geloof zelf, alsook het Evangelie van Jezus Christus, neerhaalt". Nu — dat moet vooral een vrijzinnige ons nu waarschuwend komen vertellen !
„Degenen, die 't godsdienstig gesprek met elkaar voeren, zullen eerst dan elkander kunnen naderen, zoo zij wederzijds overtuigd zijn van een hoogste waarheid", die vér staat boven 't peil van subjectieve opvattingen en inzichten".
Ja — zegt u dat wel, vertegenwoordiger van de vrijzinnige richting in de Ned. Hervormde Kerk ! Het gaat om een „hoogste waarheid" boven de subjectieve, individualistische opvattingen en meeningen en inzichten van ons menschen uitgaande. En waar hebben wij, subjectieve schepselen, dan die hoogste waarheid te zoeken, die vér staat boven onze subjectieve, individualistische meeningen en opvattingen ?
De Anabaptisten of Wederdoopers in de dagen van de Reformatie wisten diezelfde dingen ook zoo naar voren te brengen tegenover Luther, Calvijn en anderen, die zich beriepen op het Woord ! Dan zeiden de Wederdoopers, die Bijbel is maar een dood boek, maar wij hebben binnen in ons de stem van den Heiligen Geest en het inwendig licht, en dat openbaart óns, geestelijke menschen, de hoogste waarheid. Alles wat Luther en Calvijn en anderen leeren is maar „maak-werk" van eigenwijze, ongeestelijke, menschen. Maar wat wij hebben en weten en spreken is werk des Geestes en is de hoogste waarheid ; het is de stem Gods in ons binnenste, en dat gaat boven alle particuliere, subjectieve, individualistische meeningen en opvattingen van de anderen uit!
Eigenlijk wil ds. van der Poel óók zoowat dien weg uit, van „de hoogste waarheid", die We in ons binnenste dragen, en die alle subjectieve meeningen van anderen overtreft. Anderen moeten dan wijken voor ónze ..hoogste waarheid". Alsof dat weer niet het summum van subjectivisme is.
Vandaar dat de Reformatie terug ging tot het Woord, dat de bron en de regel is voor leer en leven. Niet onze subjectieve aspiraties van „hoogste waarheid" ; niet ons zelf verheffen tot een autoriteit van geestelijke waarheid ; maar ons geloof zal een schriftuurlijk geloof moeten zijn, naar de Schriften. Waarom de Reformatie spreekt van het Evangelie van Jezus Christus „naar de Schriften". Zij kent geen anderen Heiland dan Jezus Christus „naar de Schriften". En zoo kent de Reformatie ook geen ander „kerkelijk gesprek" dan „naar de Schriften".
Toen dr. Eek een twistgesprek (dispuut), als „kerkelijk gesprek" bedoeld, met dr. Maarten Luther hield, kwam de Hervormer telkens aandragen met wat de Schrift zei en wat in de Schriften te lezen stond. Het was het Woord vóór en het Woord na. Wat dr. Eek telkens ontweek, voortdurend ontweek, om met allerlei andere dingen te komen aandragen in het debat, in het „kerkelijk gesprek".
En wat zei Luther toen op een gegeven oogenblik ?
Toen zei Luther tot dr. Eek : „je bent net zoo bang voor den Bijbel als de duivel voor het kruis van Golgotha".
Wil nu ds. van der Poel, als vrijzinnig predikant ook dien kant uit inzake het „Kerkelijk gesprek" ? Wil hij met de Hervormers naar het Woord — of wil hij komen met allerlei subjectieve getuigenissen van „de hoogste waarheid", zooals de Wederdoopers in de 16e eeuw deden ?
Hoezeer we eerbied zullen hebben voor „getuigenissen" als „zelf-getuigenissen", we wenschen toch geen „Kerkelijk gesprek" op die grondslag. Hier moet een andere autoriteit van hoogste waarheid komen, temidden van en tegenover allerlei subjectieve meeningen en opvattingen.
Dat ds. van der Poel daar eigenlijk toch geen zin in heeft blijkt uit heel de redeneering (wat ons volstrekt niet verbaast bij een vrijzinnig predikant). Want hij geeft wel sterk af op die subjectieve meeningen, die bovendien zoo zeer oppervlakkig zijn (hij zegt niet, dat dit bij de vrijzinnigen óok het geval is) maar komt dan tegelijk weer terug met de subjectieve opvatting van „de hoogste waarheid", die de eerlijke (vrijzinnige ? ) in zich zelf bezit. Dat moet dan de hoogste norm zijn, die boven alle subjectieve opvattingen staat. Maar — het is een „hoogste norm" van „hoogste waarheid", die, nuchter beschouwt, niets anders is dan de subjectieve opvatting van wat men zelf ervaart en voelt als waarheid !
De éene subjectieve opvatting die pretendeert veel beter te zijn dan alle andere subjectieve meeningen.
De eene „ik", die veel beter is dan alle andere „ikken" bij elkaar. En dan in een „Kerkelijk gesprek" — waar dus geen hoogste autoriteit, geen hoogste waarheid is !
Laten we dan maar niet aan zoo'n „Kerkelijk gesprek" beginnen. Want het is toch onvruchtbaar en doelloos.
We moeten eerst saam tot een gemeenschappelijk getuigenis komen : „Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad".
Want die van de Schriften niet weten willen, zijn oorzaak van de vele dwalingen — en daartegen moeten we dus van 't begin af aan positie in nemen.
„Onderzoekt de Schriften" — heeft de Heiland gezegd ; en Hij voegde in een gesprek met de Sadduceën hen toe, dat Hij eigenlijk niet verder met hen kon dóór spreken. Waarom niet ? „Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods" Matth. 22 : 29.
Neen — we kunnen geen Kerkelijk gesprek hebben dan op den grondslag van de Schriften. Zich niet houdende aan de Schriften, komt er niets van terecht — Schrift met Schrift vergelijkend.
EEN SPREKENDE KERK.
Ds. D. Bakker, vrijzinnig pred. te Drachten, hoofdredacteur van „Kerk en Wereld" zegt, dat het eigenlijk bij alles gaat om „een sprekende Kerk". Men moet het niet voorstellen — zegt hij — alsof de tegenstanders van deze reorganisatie „van onze Kerk een zwijgende Kerk willen maken : niets is minder waar dan dat. Wij, vrijzinnigen, willen juist dat de Kerk spreken zal op alle gebieden van het leven, maar wij willen haar niet laten spreken in een taal, die het grootste deel der tegenwoordige menschheid niet meer verstaat en ook niet hooren wil".
Nu valt er over dat eerste te praten. Want wie wil dat nu eigenlijk, dat de Kerk zal spreken in een taal, die niemand van het tegenwoordig geslacht verstaat.
De Gereformeerden willen het zeker niet. Die willen spreken in de taal van dezen tijd — hoewel ze geen revolutionaire bolsjewisten zijn, die alles wat de vorige tijden ons brachten maar ruw onderst boven willen halen, vernielen en verbranden.
Zoo iets doet geen verstandig mensch, die eerbied heeft voor de leidingen Gods in de geschiedenis en die de rijke schatten der eeuwen waardeert.
Wij doen niet meé om alles wat oud is, omdat het oud is, wèg te gooien. Het tegenwoordig geslacht moet leeren te waardeeren de schatten van de vorige eeuwen, die zooveel blijvende waarde bezitten.
Maar overigens — ja, we moeten spreken in de taal van onzen tegenwoordigen tijd. Vandaar ook de nieuwe Bijbelvertaling (wat volstrekt niet zeggen wil, dat de Staten-vertaling als een waardeloos stuk door ons moet verworpen worden — de moderne tijd is doorgaans veel te gemakkelijk in het bespotten en verachten van 't geen de vorige eeuwen gaven, terwijl men zelf niet in staat is er iets beters voor in de plaats te geven !), de nieuwe Psalmberijming enz.
Maar dan zegt ds. Bakker verder, dat de Kerk niet moet komen aandragen) met „wat de tegenwoordige niet hooren wil". Ja — als de Kerk daaraan gaat toegeven en als zij gaat verwerpen en wegdoen en verzwijgen wat de tegenwoordige wereld niet hooren wil, nu, dan is de Kerk toch wel heel ongelukkig er aan toe.
De Kerk zou dan aan „de tegenwoordige menschheid" moeten vragen „wat zij hooren wil" ? En wat de tegenwoordige menschheid dan belieft aan te geven als „de boodschap der Kerk" moet zij van „tegenwoordige menschheid" dan overnemen ? Het woord van de tegenwoordige menschheid — moet zij spreken ?
Wij dachten, dat de Kerk juist een boodschap heeft — en houden moet — die tegen de tegenwoordige menschheid ingaat, die de tegenwoordige menschheid niet hooren wil, maar die zij toch zal moeten aanhooren, en die zij — zal 't goed zijn — ook zal moeten leeren toestemmen, om er zich naar te voegen, naar te spreken en te handelen.
Moeten we soms een Kerk krijgen, die eerst de tegenwoordige menschheid gaat vragen : wat wilt gij dat ik spreken zal ?
De jonge Samuel zei : „Spreek, Heere, uw dienstknecht hoort". En wij hebben Gods Woord, dat zeer vast is ; de bron van leer en leven ; de lamp voor onzen voet en het licht op ons pad, dat moeten we bewaren zal onze voet niet uitglijden en zal er niet allerlei dwaalleer worden verkondigd. (Matth. 22 vs. 29).
HET ASYLRECHT
Onder asylrecht verstaan we : dat we hier in Nederland vrij toelaten, die in andere landen vervolgd worden en geen plaats ter woning kunnen vinden. Aan vele vervolgden en uitgewekenen heeft Nederland in den loop der eeuwen steeds een schuilplaats geboden. Omdat Nederland het land van de vrijheid is ! En dat wil Nederland blijven !
Als Paul Krüger niemand vindt, die hem een vriendelijk woord durft toevoegen en nog minder iemand, die hem in den nood wil helpen en bijstaan, dan is het de Landsvrouwe van Nederland, onze zeer beminde Koningin, die hem een telegram zendt en die hem een van onze mooiste schepen geeft, om hem in veilige haven hier te brengen. Gezegend is het huis van Oranje !
Uit Frankrijk hebben de Hugenoten hier een veilig plekje gevonden. En als Duitschlands Keizer geen raad meer weet te midden van het wereldgebeuren is Nederland bereid hem een veilige woonplaats Ie verzekeren.
Maar nu moet men de dingen niet hopeloos door elkaar gaan werken. Want als er allerlei beweging is in Europa van nationalisten en internationalisten, van bolsjewisten en anarchisten, van fascisten en zooveel soortig politiek beweeg, dan is Nederland natuurlijk niet bereid, om de onnoozele te spelen en te zeggen : komt allen maar bij ons ! Want we willen geen egoïsten zijn, die alléén maar aan ons zelf denken, maar we hebben ons Vaderland, met al de nationale voorrechten en zegeningen te lief — dewijl we ze van God ontvangen hebben — om ze door menschen van een ander Vaderland zoo maar te laten rooven.
Alle buitenlanders, die er de wonderlijkste relaties op na houden en alle teekenen vertoonen ons Vaderland en Vorstenhuis, onze Godsdienst, onze taal, onze kunst enz. enz. onderstboven te willen keeren, om hier totaal andere begrippen, zeden en gewoonten te brengen, zijn ons alles behalve welkom ! Daarvoor willen we liefst de grenzen sluiten ! Daarvoor is bij ons geen plaats !
En alle beroep op de historie en de traditie is hier misplaatst. Het is een slaan in de lucht. Gelukkig dat onze Regeering ons land en volk een te goed hart toedraagt, dan dat zij blindelings toelaat ons volk en vaderland onder den voet te laten loopen !
Naast het asylrecht staat ook nog het beschermrecht van eigen Vaderland.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's