Van domme menschen en dubbeltjes
Gedachten kunnen vaak een eigenaardige wending nemen en niet altijd is het verband even duidelijk. Maar wanneer men in een winkel van antiquiteiten staat, dan is het toch weer niet te verwonderen dat, met zooveel dingen uit het grijs verleden om zich heen, ook de gedachten zich onwillekeurig naar het verleden gaan uitstrekken.
Laten wij echter bij het begin beginnen.
U zult reeds begrepen hebben, dat wij bij ons huisbezoek aangeland waren bij een antiquaar. Nu moet het overgaan van de winkelbel, vooral in een zaak, waar slechts sporadisch klanten binnenkomen, den bewoner wel als muziek in de ooren klinken. Zeer waarschijnlijk zag hij ons voor koopers aan en daarom (wie kan het den man kwalijk nemen) dacht hij mogelijk reeds aan de dubbeltjes, die ons bezoek hem rijker zou maken.
Het moet dan ook wel een groote teleurstelling voor hem geweest zijn, dat wij ons niet als koopers, doch als huisbezoekers van de Ned. Hervormde Kerk aandienden.
Wèg dubbeltjes !
Die teleurstelling was hem blijkbaar te machtig. Hoe het zij, op onze vraag of hij ook tot de Hervormde Kerk behoorde, kregen wij dit vlijmscherpe antwoord te hooren : „Wat ? Tot de Hervormde Kerk ? Wil ik u eens wat zeggen : christenen zijn linke jongens. Het gaat bij hen alleen maar om de dubbeltjes". Nog eenige malen moesten wij nadien de woorden „linke jongens" en „dubbeltjes" van hem aanhooren. Misschien was het ook hier : zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten.
Op onze vraag of b.v. de martelaren (uit wier tijd wellicht nog een of ander voorwerp in zijn winkel aanwezig was) zich ook terwille van de dubbeltjes hebben laten verbranden en den marteldood ingegaan zijn, antwoordde hij, dat die martelaren domme menschen geweest zijn, waarmede men diep medelijden moest hebben.
Tot een behoorlijk gesprek kwam het helaas niet, zooals na deze inleiding wel te verwachten was. Ook dit was weer een bezoek „op den drempel".
Toch wel waard, om even met elkander wat nader bij stil te staan. Of is het niet merkwaardig, het oordeel dat in deze antiquiteiten-winkel uitgesproken werd over de christenen uit den reformatietijd en over die van thans ?
„Domme menschen, om medelijden mede te hebben" — zoo beschouwt hij de christenen uit den tijd der reformatie, welke goed en bloed voor hun geloof over hadden.
„Linke jongens, wien het om de dubbeltjes te doen is" — ziedaar zijn oordeel over de hedendaagsche christenen.
Nu kunnen wij, wat die „domme menschen" betreft, kort zijn. Calvijn (van „domme menschen" gesproken !) heeft het indertijd reeds voor hen opgenomen. Aan den Koning van Frankrijk schreef hij eens, ter gelegenheid van de aanbieding zijner Institutie : »Doorloop, machtige Koning, alle deelen onzer zaak en houdt ons voor slechter dan welke soort van misdadigers Gij wilt, indien Gij niet duidelijk bevindt, dat wij hierom verdrukking en smaadheid lijden, omdat wij onze hoop stellen op den levenden God (l Tim. 4 vers 10) ; omdat wij gelooven, dat dit het eeuwige leven is, den eenigen waarachtigen God te kennen en Jezus Christus, Dien Hij gezonden heeft (Joh. 17 vers 3). Wegens deze hoop worden sommigen van ons met ketenen geboeid, sommigen met roeden gegeeseld, sommigen ten spot rondgevoerd, sommigen verbannen, sommigen heftig gemarteld, sommigen ontkomen door de vlucht ; allen worden wij door benardheid gedrukt, door vreeselijke vervloekingen vervloekt, door lasteringen verscheurd, op de onwaardigste wijze behandeld«.
Terwijl Calvijn zijn schrijven aan den Koning besluit met deze woorden : »Maar indien de inblazingen der kwaadwilligen Uw ooren zoo in beslag nemen, dat er voor de beschuldigden geen plaats zal zijn om voor zich te spreken, maar daarentegen die onbeschaamde geesten der razernij, onder Uw oogluikende toelating, altijd door woeden met ketenen, geesels, pijnbanken, vuur en zwaard, dan zullen wij, als schapen, die bestemd zijn voor de slachtbank, tot het uiterste gedreven worden ; maar toch zoo, dat wij onze zielen in lijdzaamheid bezitten en de krachtige hand des Heeren verwachten, die ongetwijfeld te zijner tijd zal komen en gewapend zal verschijnen, zoowel om de armen te verlossen uit de verdrukking, alsook om de verachters, die in zoo groote onbekommerdheid nu opspringen, te straffen. De Heere, de Koning der koningen, bevestige Uw troon door rechtvaardigheid en Uw zetel door billijkheid, zeer doorluchtige Koning«.
Neen, de martelaren uit den bloeitijd onzer Kerk waren geen domme menschen. Integendeel, ze waren hoog begenadigd, met een verstand, door goddelijk licht bestraald.
Evenmin waren het menschen, met wien wij medelijden moeten hebben, in dien zin, zooals onze antiquaar dit bedoelde. Veeleer moet hun geloofsvertrouwen en hun geloofsmoed onze jaloerschheid opwekken.
Het uitgesproken oordeel over de martelaren kunnen wij daarom vrij rustig naast ons neerleggen. Of dit ook het geval is ten opzichte van de geuite aanklacht tegenover de hedendaagsche christenheid, is echter nog een vraag. Het is b.v. nog lang zoo zeker niet, of Calvijn met evenveel vuur en geestdrift een pleidooi zou kunnen houden, zooals hij dit deed in het boven aangehaald schrijven aan den Koning van Frankrijk, voor allen die thans den naam dragen van Calvinisten (om maar kort bij huis te blijven).
Heel eigenaardig en bijzonder sterk moge het dan al uitgedrukt zijn : „linke jongens, wien het om de dubbeltjes te doen is", toch geeft deze uitdrukking te denken. Zouden wij al niet heel dicht bij de waarheid zijn, wanneer wij zeggen, dat althans een groot gedeelte der christenen zooveel van de dubbeltjes (m.a.w. van de stoffelijke dingen) houdt, dat dit bij hen in den grond der zaak de hoofdzaak is ? En dat, de goeden niet te na gesproken, men liever vraagt met hoe weinig men toe kan, dan dat men een werkelijk christelijke handreiking doet, zoowel voor de armen, als voor de handhaving en verbreiding van de Gereformeerde Waarheid, hier en in de verte ?
Waar deze offervaardigheid ontbreekt, zal er nog minder sprake zijn van bereidheid tot een offer, dat bestaat in het verdragen van : ketenen, geesels, pijnbanken, vuur en zwaard.
Indien onder ons dezelfde toewijding en offervaardigheid gevonden werd, zooals onder onze vóórvaderen uit den tijd der reformatie, indien er bovenal aanwezig was hetzelfde geloofsvertrouwen en dezelfde geloofsgehoorzaamheid — dan zou er, ondanks de zware en moeilijke tijden, welke wij ook op stoffelijk gebied meemaken, een christelijke gemeente te aanschouwen zijn, vol innerlijke levenskracht en zouden zeker de benoodigde gaven en krachten, zonder welke nu eenmaal geen arbeid in de dingen van Gods Koninkrijk denkbaar is, ruimschoots toevloeien ;
dan zou onze antiquaar, of wie ook, er niet aan denken om te spreken van „linke jongens, wien het om de dubbeltjes te doen is". Mogelijk sprak hij dan nog wel van domme menschen. Maar er zouden er dan toch ook weer velen zijn die, hoe ze verder ook tegenover het christendom mochten staan, er respect voor hadden. Wat méér is, Gods Naam zou er in dat opzicht niet door gelasterd worden.
Of het dan niet waar is, dat het Koninkrijk Gods niet komt met uiterlijk gelaat ?
Of het niet, eveneens waar is, dat het niet door kracht, noch door geweld, maar door des Heeren Geest zal geschieden ?
Zeker ! Maar dit mag er immers nooit toe leiden om het woord van Christus minder nauw te nemen : Laat uw licht alzoo schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien en uwen Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken.
Tegenover God gaat het allereerst over het innerlijke.
Tegenover de menschen treedt meer het uiterlijke op den voorgrond, ofschoon dit vanzelfsprekend in harmonie met het innerlijke behoort te zijn.
En nu is het gevaar verre van denkbeeldig, dat men zich uitsluitend óf op het ééne óf op het andere toespitst. Al komt het helaas nog méér voor, dat men zich noch over het één nóch over 't andere bezorgd maakt. Het blijft waar : „Eén ding is noodig". Maar van eenzijdigheid mag geen sprake zijn.
Tenslotte : liefde vraagt wederliefde. Op het : „Alzoo lief heeft God de wereld gehad", zal, wanneer het wèl is, toch ook moeten volgen een geven van zich en het zijne in den dienst van Hem, Dee waard is gediend en geprezen te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's