WAT CALVIJN ONS LEERT
Van de kennis van den in Verlosser Christus.
Tot dusver hebben wij ons bezig gehouden met het eerste boek, waarin Calvijn handelt over de kennis van God den Schepper.
Sommigen zal het verwonderd hebben, dat Calvijn deze kennis tot zoo grooten omvang heeft uitgebreid.
Dit alles toch dient gerekend te worden tot de kennis, die algemeen behoorde te zijn en zou zijn, ware het niet. dat de religie vervalscht en het hart verdorven is door de zonde.
In de kennis van God den Schepper toekent Calvijn ons het beeld der religie, zooals hij dat bij het licht der openbaring ziet, en gelijk dat krachtens den eisch van onze schepping bij een iegelijken mensch behoorde te leven.
Indien wij het religieuse leven in het algemeen waarnemen bij de volkeren, die eeuwen lang onder de prediking des Woords hebben geleefd, wordt het wel duidelijk, hoever wij daarvan verwijderd zijn, zelfs in die kringen, die de kerk nog niet hebben losgelaten.
Welk een zegen zou het brengen in het leven der volkeren, indien het gericht werd door dezen regel des geloofs.
De erkenning van Gods souvereiniteit, gehoorzaamheid aan Zijn Woord, geloof in Zijn voorzienigheid, zouden aan de ontwrichte saamleving nieuwe krachten ingieten, die zij niet ontberen kan.
Niet genoeg kan de prediking daarop wijzen. Geen grooter behoefte kan worden waargenomen in onze dagen van verwarring dan de behoefte aan gezag.
Niet het uitwendig gezag, dat regeert, denkt, handelt en alles doet voor het volk, dat wordt als een kudde zonder verstand en initiatief, maar het innerlijk gezag van Gods Woord en Wet. dat den mensch zijn taak en roeping aanwijst, vrijheid schept en levenskracht, waardoor een natie kan opbloeien en vrucht dragen.
Vergeefs zoekt men heil in een tyranniek gezag, dat een volk in de ketenen van slavernij sluit. Het is de wrange vrucht van een valschen vrijheidszin, die geen God en geen meester wilde erkennen en in stede Van de gewenschte vrijheid te vinden de fundamenten der saamleving heeft losgewroet, zoodat alleen de banden van het geweld haar voor algeheele ineenstorting kunnen behoeden.
Ook dit alles gaat niet buiten de leiding Gods om. Wie God verlaat heeft smart op smart te vreezen.
Zonder twijfel openbaart zich Gods gerechtigheid ook daarin, dat de mensch in zijn goddeloozen vrijheidswaan zichzelf, ten spijt van al zijn kennis en macht, de ketenen smeedt van slavernij.
Noch haar wetenschap, noch haar vernuft, waarop de wereld in misplaatsten overmoed prat ging, heeft deze gevaren kunnen afwenden.
Als één ding klaar en duidelijk is gebleken in de laatste decenniën, dan is het wel dit, dat niet het menschelijk kennen en kunnen het algemeen welzijn vermogen te waarborgen.
Tot beschamens toe heeft de geschiedenis van dezen tijd aangetoond, dat het moderne cultuurleven versterft aan alle kwalen, die het gevolg zijn van het gemis aan waarachtige geestelijke én zedelijke kracht.
Zij stelt ons in levende werkelijkheid voor, wat er van den mensch en de wereld wordt, als zij de Bron van alle leven niet in erkentenis houdt en de religie der Schriften veracht.
Maar daarom ook zal geen nieuwe toekomst voor de volkeren aanlichten, zoo niet de wederbarende kracht der genade nieuw leven brengt in den dood.
In alle crisistijden en perioden, waarin de wereldnood zoo schrijnend aan den dag komt, valt over de wereld de schaduw van het gericht, dat over haar wordt voltrokken.
Nochtans is er verwachting. Eenmaal zal het einde zijn. Het gericht zal doortrekken, gelijk ons in de Heilige Schrift wordt geopenbaard. Doch wij weten niet, wanneer de tijd daar is. Eén ding weten wij wel. Zoolang de ordeningen des hemels nog in stand worden gehouden, zoolang zal de Heere gedenken aan Zijn genade. Dat heeft Hij aan Noach en zijn huisgezin beloofd. Er is nog verwachting, het bevel der prediking ligt er nog. Een roep tot bekeering gaat op uit den nood der tijden. Nog is er verlossing voor een wederhoorig kroost in den weg, dien de Vader heeft besteld in Christus Jezus.
Val en vloek.
Het eerste stuk door Calvijn aangeroerd, als hij over de verlossing gaat handelen, gaat over den val van Adam en den vloek, die over ons geslacht is gekomen.
Hij herinnert aan een oude spreuk van Sokrates, den wijsgeer : „Ken u zelf".
Zooals men kan weten, hebben de Grieken zich onderscheiden door een bijzonder vernuft en belangstelling voor de bespiegeling omtrent den oorsprong en het wezen der dingen.
Zij hebben niet alleen een open oog ge had voor de schoonheid der wereld, maar hebben de kracht van hun denken gericht op de groote levensvragen. Zij wilden het leven doorgronden.
Aangevangen bij de wereld, die zich aan ons voordoet, kwamen zij ook tot den mensch. Wie is de mensch, welke is de orde van zijn leven, hoe zal hij gelukkig zijn, waren de vragen die hun geest gingen bezig houden. Sokrates was de eerste, die richting gaf aan het denken van zijn tijd over den mensch en het groot belang van de zelfkennis inzag. Hij drukte dat uit in de genoemde spreuk : „Ken u zelf."
Calvijn acht dat een zeer nuttige vermaning en wie zal dat niet met hem eens zijn. Doch niet zonder voorbehoud.
Men moet deze n.l. niet toepassen, zooals sommige philosophen deze hebben bedoeld.
Niet, opdat men zou leeren kennen, hoe voortreffelijk de mensch wel zou zijn, zoodat hij in ijdel vertrouwen op zijn verbeelding zich opblaast en groot maakt.
De ware zelfkennis is vooreerst gelegen in de kennis van de gaven, die ons bij de schepping zijn medegedeeld, hoe God Zijn goedertierenheid jegens ons openbaart, hoe groot de voortreffelijkheid van onze natuur is, mits zij ongeschonden ware gebleven.
Dat wij bedenken niets eigens en van ons zelf te hebben, daar alles wat God ons heeft gegeven onverdiend en een verkregen erfdeel is, opdat wij altijd onze afhankelijkheid van Hem bewust zijn.
Ten andere : dat wij kennis dragen van den deernisvollen toestand, waarin wij door den val van Adam zijn gekomen, opdat wij geen roem in ons zelf hebben, maar ons met schaamte verootmoedigen.
God heeft ons geschapen naar Zijn beeld, opdat Hij ons gemoed zou wekken tot betrachting van deugd en dat wij bezig zouden zijn in de dingen des eeuwigen levens.
De mensch is door die gaven van het redeloos gedierte onderscheiden, niet opdat zij zouden worden verduisterd, maar opdat hij een heilig en eerbaar leven zou leiden en naar het eeuwige leven zou staan.
Zoodra de mensch inzicht verkrijgt in de heerlijkheid der gaven, waarmede hij werd bedeeld, moet hij bedroefd worden bij den aanblik van het beeld der mismaaktheid, hetwelk hij vertoont.
Welk 'n onderscheid met de eerste heerlijkheid, van welke wij in de persoon van Adam zijn vervallen
Aan deze kennis moet een mishagen van onszelf gepaard gaan, waardoor wij te meer worden uitgedreven om God te zoeken, opdat wij de goederen mogen wederkrijgen, waarvan wij beroofd werden.
Ziedaar hoe Calvijn de vermaning tot zelfkennis wil verstaan hebben.
En om te voorkomen, dat men dit niet voor een eigenwillige verklaring van hem zal aanzien, vervolgt hij zijn betoog door uit de 'Heilige Schrift aan te toonen, hoezeer zij met dien eisch overeenkomt.
Veel aangenamer is het voor ons onze voortreffelijkheid en rijkdom te overleggen dan ons te verdiepen in een kennis, die ons alle stof tot roemen ontneemt en nederig maakt.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat op dit stuk zooveel dwaling onder de menschen is.
Calvijn is een menschenkenner. Hij weet zeer wel, hoe licht men wordt gevleid, wanneer er iets goeds van ons wordt verteld en hoe lichtgeloovig wij op dit punt zijn. De mensch is een zoeker van zich zelf. Hij maakt zich gaarne wijs, dat er niets in hem is, dat dient te worden gehaat.
Het is dus geheel niet vreemd, dat de mensch zich aanmatigt deugdzaam en gelukzalig te kunnen leven.
Sommigen zijn wat minder onbescheiden en laten God ook een weinig, maar toch zoo, dat het meerendeel aan henzelf komt.
Hoe vriendelijker men jegens de menschelijke natuur oordeelt, hoe meer men kans maakt op den lof der menigte. Dat is door de eeuwen heen gebleken.
Dit alles blijkt echter telkens weer een vergissing. Het maakt de menschen hoovaardig en zorgeloos en het einde is verderf.
Hoewel de waarheid Gods met het algemeen gevoelen der menschen daarin overeenstemt, dat het tweede deel onzer wijsheid is gelegen in de zelfkennis, zoo is er dus groot onderscheid in opvatting. Want de mensch maakt zich gemakkelijk wijs, dat hij op zijn verstand kan vertrouwen, en naar het oordeel des vleesches is hij zoo stoutmoedig om de zonde den oorlog te verklaren en te betrachten wat eerzaam en schoon is. Indien hij zich echter naar Gods oordeel onderzoekt, vindt hij niets, waarop hij vertrouwen kan. Hoe meer hij zich zelf leert kennen, hoe meer hij wordt terneder geslagen, totdat er geen grond van vertrouwen overblijft om zijn leven wel te kunnen inrichten.
God wil echter niet, dat wij den adel onzer schepping vergeten.
Want wij kunnen over onzen oorsprong en onze bestemming niet denken zonder bij de onsterfelijkheid en het Koninkrijk Gods bepaald te worden. Het is er echter verre vandaan, dat deze kennis ons overmoedig zou maken. Veeleer beneemt zij ons allen moed.
Immers wij zijn van onzen oorsprong afgevallen en afgekeerd van onze bestemming. Er blijft slechts over, dat wij zuchten over onzen jammerlijken staat en zuchtende verlangen naar de verloren waardigheid.
De voortgezette behandeling wordt in twee deelen verdeeld : 1° : Tot wat einde is de mensch geschapen en met zulke voortreffelijke gaven bedeeld.
2° : De gebrekkelijkheid zijner krachten.
Het eerste deel voert tot de kennis van onzen schuldigen plicht, het tweede zal leeren, wat macht de mensch heeft om dien te volbrengen.
Calvijn gaat uit van de zonde van Adam, die door God zoo streng werd gestraft. Daaruit verstaat hij, dat het een afschuwelijke misdaad moet zijn geweest.
Als kinderachtig wijst hij de meening van de hand, alsof die in een onmatige begeerte zou hebben bestaan. Eveneens verwerpt hij de meening, als zou de voornaamste deugd van Adam daarin gelegen zijn geweest, dat hij van een eenige vrucht zich zou onthouden, terwijl hem van alle zijden, wat hij maar begeeren kon, toevloeide.
Hier wordt dus de veeltijds schamper verkondigde meening aangevallen, als zou Adams overtreding daarin bestaan, dat hij van de verboden vrucht at.
Dat is niet juist, maar daarom wil Calvijn het verbod aangaande den boom der kennis des goeds en des kwaads nader beschouwen.
Het verbod diende tot beproeving zijner gehoorzaamheid, opdat hij door zijn gehoorzamen zou toonen, dat hij zich gaarne aan de heerschappij Gods onderwierp, zoo verklaart Calvijn.
Het verbod zelf kan dat bewijzen.
Daaraan toch is de belofte van het eeuwige leven en de verkondiging van den dood verbonden.
Het verbod werd hem gegeven, opdat hij met zijn staat zou tevreden zijn en zich uit booze begeerlijkheid niet hooger zou verheffen.
De belofte, waardoor hij op het eeuwige leven mocht hopen, was hem bevolen, zoolang hij van den boom des levens zou eten, doch, indien hij van den boom der kennis des goeds en des kwaads zou eten, zou hij den dood sterven.
Het verbod diende dus tot beproeving en oefening van zijn geloof.
Wij vestigen de aandacht er op, dat Calvijn op die wijze van den boom des levens spreekt: Het onsterfelijke leven werd hem verzekerd, zoolang hij van den boom des levens zou eten. Naar deze verklaring genoot Adam dus de vrucht van den boom des levens. Alzoo was het onsterfelijke leven aan het genieten van die vrucht verbonden, en een gave Gods.
Verder is het goed er op te letten, dat Calvijn niet aarzelt om het leven van Adam in den staat der rechtheid als een leven des geloofs voor te stellen. Dat is gewis juist en geheel in overeenstemming met des menschen afhankelijkheid in alle dingen, maar dit wordt door sommigen niet aangenomen.
Ook het Paradijsleven was een oefenschool des geloofs voor Adam. Daaruit kan ook worden verstaan, hoe Adam den toorn Gods over zich heeft gehaald.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's