UIT DE HISTORIE
WESSEL GANSFORT
II.
Thans iets over de theologische gedachten van Gansfort.
Naar zijn meening is God de grond van alle zijn. Zonder Hem zou gansch de schepping haar 'bestaansgrond missen. Al wat geschapen is, is van Hem afhankelijk : voorwaar een goede grondgedachte !
De leer der Drieëenheid wordt door hem beleden.
In Christus waren, volgens Gansfort, drie gestalten : eerst de eeuwige gestalte Gods ; vervolgens de knechtsgestalte wegens de zonde ; en ten slotte de gestalte van, het hoogste schepsel.
Eigenaardige opvattingen huldigt Gansfort hier, die niettemin het kennisnemen en de overweging waard zijn.
De eerste gestalte, zoo zegt hij, is eeuwig ; de tweede tijdelijk ; de derde vanaf den duur der schepping. Deze laatste of derde gestalte zou, aldus Gansfort, door den Christus aangenomen zijn, ook wanneer de mensch niet in zonde gevallen was !
De oorspronkelijke toestand van den mensch in het paradijs, aldus Gansfort, was onvolkomen. In tegenstelling met God, was de mensch aardsch, zinnelijk en onvolkomen. Hij moest toenemen in liefde en zuiverheid. Van den beginne af had God den mensch bestemd, om met Hem eeuwig gemeenschap te oefenen. Slechts door God lief te hebben, zou hij hiertoe langzamerhand hebben kunnen komen. Alleen door een nauwgezette gehoorzaamheid aan het gebod Gods zou de mensch Gode gelijk kunnen worden.
Voor zoover Gansfort hier zeggen wil, dat Adam-in-rechtheid nog geenszins aan het uiteindelijk door God gedachte doel beantwoordde, achten wij zijn visie niet onjuist ; maar het woord „zinnelijk" bevalt ons hier niet, wijl dit o.i. te veel herinnert aan de zonde, die de mensch-in-rechtheid niet had. In I Corinthe 15 : 45—48 leert de Heilige Geest echter zeer duidelijk, dat ook de oorspronkelijke onzondige mensch aardsch was uit de aarde, en dat het zijn bestemming was, hemelsch te worden uit den hemel.
Nu kan een aardsch mensch uit zichzelf natuurlijk geen hemelsch mensch worden. En zoo aanvaardt Gansfort de consequentie, en leert, dat ook zonder den val Christus mensch zou zijn geworden, opdat Hij, als het Hoofd, Zich met Zijn Kerk vereenigen zou. Christus' menschwording-van-eeuwigheid staat voor Gansfort vast.
De idee der verlossing van de zonde ontbreekt bij Gansfort niet, maar zijn theologio is veel meer Christologisch, en heeft veel meer het oog op de idee der voltooiing.
Nu wij toch Gansfort's meening op dit punt weergeven, willen wij nog even opmerken, dat ook door Godet soortgelijke onderstellingen geopperd zijn, die door de gereformeerden over het algemeen niet zijn bewonderd.
Zonder te beweren, dat wij met dezen theoloog instemmen, geven wij hier het volgend citaat van hem :
„Vraagt men naar de rol, die aan 's menschen val in de vervulling van het Godsplan toekomt ? Voorzeker is die val nimmer oorzaak van het doel geweest. Uit een gezond christelijk standpunt zal men nimmer de zonde kunnen verheerlijken, door met Augustinus uit te roepen : „Welgelukzalige fout !" God heeft voor den gevallen mensch zeker niet meer gedaan, dan Hij voornemens was te doen voor den gehoorzamen. Hij heeft enkel anders gehandeld. Een uitstorting des Heiligen Geestes over de gehoorzame menschheid, een Pinkstergave ware wellicht voldoende geweest, om haar tot vollen bloei der volmaakte heiligheid, de voorwaarde der heerlijkheid, te doen ontluiken. Of, indien het deelgenootschap van den Zoon van God aangewezen middel tot onze opheffing tot den goddelijken staat was, dan zou het een menschwording, en niet een vleeschwording zijn geweest ; dan ware althans het smartelijk karakter eener verlossing geheel overbodig gemaakt. Christus' komst zou alsdan een onvergelijkelijk feest, een verbinding tusschen God en menschen geweest zijn". ¹)
Indertijd heeft ook prof. Severijn onderscheid gemaakt tusschen mensch-en vleeschwording. ) Ook is onze professor van oordeel, dat Christus' menschwording buiten de zonde vast staat. Al bestaat er dus een zekere overeenkomst van gedachten tusschen Gansfort, Godet en prof. Severijn, — toch komt het ons voor, dat de laatste voor bedoelde opvatting een eigen fundatie geeft. Overeenkomstig de opzet dezer rubriek willen wij slechts de historie laten spreken, en onthouden ons dus van een oordeel over deze zuiver theologische kwestie, ze overlatend aan onze theologen van professie.
Nog een merkwaardig citaat van prof. Severijn vindt hier een plaats. Het is dit :
„Slechts één ding is zeker, dat de menschwording niet zou genoopt zijn tot lijden en sterven, wijl er van verlossing geen sprake kon zijn geweest. De theologie zoude geen hoofdstuk der soteriologie hebben gekend, doch wel een Christologie, en daarin de voleindiging van de schepping tot haar hoogste doel." => )
Keeren wij thans terug tot Gansfort, en geven wij nog enkele merkwaardige passages over de interessante onderwerpen, die ons bezig hielden, uit het werk van Gansfort's levensbeschrijver.
„Het lag ook in het wezen van het Woord, mensch te worden, omdat op die wijze de hoogste wijsheid, het genieten der Godheid mogelijk zou worden gemaakt. De Logos behoort bij de menschheid als het hoofd bij het lichaam. Christus werd mensch, opdat het heilige en eerwaardige lichaam, de geheele gemeente der triumfeerende zaligen, niet verminkt zou zijn, maar zich in haar wettig hoofd zou verheugen ; opdat de bouw van den heiligen tempel een hoeksteen zou hebben, op welke beide muren, engelen en menschen zich zouden vereenigen en vast gegrond zouden zijn ; opdat alle schepselen tusschen God en zich een gemeenschappelijken middelaar zouden bezitten".
„Geheel het koninkrijk van Christus is er meer om der wille van Christus, dan Christus om der wille van het koninkrijk. Wanneer een van beiden moest verloren gaan, het koninkrijk of de koning, dan zou God, die Christus meer beminde dan de geheele overige creatuur, eerder de geheele overige creatuur vernietigen dan Christus".
Men kan Gansfort een zekere stoutheid van gedachtengang niet ontzeggen. Of alles, juist en in overeenstemming is met de Heilige Schrift staat onzen theologen ter beoordeeling.
D.
d. Z.
¹) F. Godet, Bijbelstudiën over het Nieuwe Testament, Amsterdam 1876, blz. 124.
²) Dr. J. Severijn, Het Profetisme, Kampen z.j., blz. '87 (noot).
³) t.a.p., blz. 87, S8.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's