STAAT EN MAATSCHAPPIJ
DE WERKLOOSHEID Verplichte arbeidsdienst
Ten aanzien van het vraagstuk der werkloosheid vraagt, na de serie artikelen, welke wij aan dit hoogst belangrijke onderwerp wijdden, ten slotte nog een punt de aandacht, n.l. de verplichte arbeidsdienst, in verband met de Jeugdwerkloosheid.
Er gaan stemmen op — en in de Tweede Kamer kon men bij het groote werkloosheidsdebat er enkele beluisteren — die om tot vermindering der werkloosheid te geraken, een maatregel op defensiegebied naast de uitbreiding, die het contingent dienstplichtigen reeds heeft ondergaan, zouden willen zien getroffen, waardoor dan de mogelijkheid werd geschapen om in het bijzonder de Jeugdwerkloozen aan den arbeid te krijgen.
Zulk een maatregel zou — zoo meent men — kunnen zijn de invoering van den arbeidsdienstplicht.. Naar sommiger oordeel zou de maatregel tevens kunnen dienen tot opvoeding der jeugd tot, wat men noemt, gemeenschapsmensch.
Het systeem van arbeidsdienstplicht is, zooals bekend, van Duitschen oorsprong. Het wordt daar te lande toegepast door evenals de opleiding, die de militairen in de kazernes krijgen, de geheele jeugd, voordat zij het leven ingaat, in kampen bijeen te brengen, ten einde als jeugd gedurende eenigen tijd onder hoede van den Staat zich de burgerdeugden eigen te maken.
Dit Duitsche systeem wil men nu voor de werklooze jeugd ten onzent toepasselijk maken. Dat tegen zulke verplichte arbeidsdienst ernstige principieele bezwaren bestaan, zal duidelijk zijn. Opvoeding is toch geen taak van de Overheid, maar in de eerste plaats van de ouders en van de andere zedelijke machten, die er in de maatschappij bestaan.
Doch er is nog een ander bezwaar tegen de verplichte arbeidsdienst, een bezwaar van prachtischen aard en wel dit, dat, wanneer arbeidsdienst verplichtend voor de jeugd wordt voorgeschreven, op bestaande werkgelegenheid beslag wordt gelegd en de werkloosheid dus wordt verplaatst.
Wat nu de principieele bezwaren tegen arbeidsdienstplicht betreft, staat de Regeering op hetzelfde standpunt.
Naar dr. Colijn in de Kamer verklaarde, ziet de Regeering in den verplichten arbeidsdienst een soort van Staatsopvoeding. Zij wijst om die reden, en ook omdat de gedachte on-Nederlandsch is, het denkbeeld van verplichten arbeidsdienst met de grootste beslistheid af. Bovendien, zoo zeide de Minister van Algemeene Zaken, zou het door een zeer groot deel van de bevolking niet worden aanvaard.
Wel is de Regeering gunstig gestemd ten opzichte van het denkbeeld van sterker aanmoedigen, van wat het particulier initiatief op 't gebied der jeugdwerkloozenzorg reeds doet.
De Regeering is bezig om gegevens over den omvang van de jeugdwerkloosheid te verzamelen, opdat een inzicht kan worden verkregen over wat noodig is en wat zou kunnen geschieden om het particulier initiatief te steunen.
Met deze mededeeling zal de Regeering ongetwijfeld velen aan zich verplichten, want ook het Jeugdwerkloozenvraagstuk is evenzeer van groote beteekenis.
De moeiten en de vele zorgen, die tal van organisaties zich geven om door het inrichten van kampen, waar de jeugd tijdelijk wordt ondergebracht, in den nood te voorzien, geven daarvan het bewijs.
Het zal daarom zaak zijn, dat op dit terrein krachtig wordt voortgearbeid, opdat 't prachtige werk, dat op dit oogenblik verricht wordt, de werklooze jeugd in alle opzichten ten goede komt.
DE JEUGDWERKLOOSHEID
Zooals wij hierboven schreven, is de Regeering doende om gegevens te verzamelen over den omvang van de jeugdwerkloosheid. Toch zijn wel eenige algemeene cijfers over dit onderdeel van het werkloozenvraagstuk bekend. Zoo stonden op 1 April 1938 ingeschreven bij de organen der openbare arbeidsbemiddeling in den leeftijd van 14—17 jaar 11483 mannen en 5189 vrouwen en in den leeftijd van 18—24 jaar 44033 mannen en 5327 vrouwen. Alzoo jongens en meisjes tezamen G6.032, d.i. 63% van het aantal ingeschreven werkzoekenden van 14—24 jaar op 1 Januari 1936, dat toen 104798 bedroeg, het hoogste aantal, dat tijdens de crisis is geregistreerd geworden.
Dat het cijfer der jeugdwerkloosheid op 1 April 1938 vrij gunstig was, wordt duidelijk, wanneer men het vergelijkt met dat op 1 Januari 1938, toen 84.626 personen van 14— 24 jaar stonden ingeschreven, waaronder 72.136 mannen.
Nu is het aantal ingeschreven jeugdige werkloozen, naar met de beschikbare gegevens berekend wordt, ongeveer 50% van het werkelijke aantal, zoodat er op 1 April 1938 ± IIO.OOO werklooze jongens waren, terwijl dit aantal op 1 Januari 1938 ongeveer 140.000 bedroeg.
Het is inderdaad een hoogst bedroevend cijfer, meer dan 100.000 jonge mannelijke werkloozen, die nog nimmer aan den slag zijn geweest.
De nood is hier groot. Ook ten aanzien van het jeugdwerkloozenvraagstuk dient met kracht te worden ingegrepen,
De vaststelling van den preciesen omvang kan hier een eerste stap zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's