UIT DE HISTORIE
III.
De tweenaturenleer, waarover in de Kerk steeds veel strijd was, en nóg is, wordt door Gansfort geleerd, wijl in Christus al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Vanaf het eerste oogenblik der ontvangenis, --zoo meent hij — wist Christus al zijn lijden, wat niet in overeenstemming is te brengen met de gegevens der Heilige Schrift, die in Lukas 2 vers 52 leert, dat Hij toenam, in wijsheid, en in grootte, en in genade bij God en de menschen". Wel moet ook Gansfort een zekere ontwikkeling bij den Heere Jezus aannemen, maar hij doet dat, in zooverre Hij het groote offer, dat Hij had voorgenomen, ook werkelijk volbrengt.
In de openbaring neemt Gansfort drie trappen aan : het Woord, dal van eeuwigheid bij den Vader was ; het vleesch-geworden Woord, dat slechts een afschaduwing is van het eeuwige Woord ; en het Woord als voleindiger aller creatuur. De opmerkzame lezer verstaat, dat in de akte van dit ontwikkelingsproces een aanknoopingspunt ligt voor Gansfort's leer, dat Christus ook zou gekomen zijn, wanneer de mensch niet in zonde gevallen was, en daarvan niet verlost had behoeven te worden.
Ook in Gansfort's opvatting van de leer der verzoening schemeren zijn denkbeelden, waarop wij reeds herhaaldelijk wezen, door. Door Zijn volkomen gehoorzaamheid deed Christus niet alleen, wat de menschen verschuldigd waren, maar Hij deed méér : Hij vulde aan, wat in eeuwigheid niemand zou hebben kunnen verrichten, ook niet, al ware hij nimmer in zonde gevallen. In de eerste plaats is Christus priester ; daarna pas koning. Christus moest zonder eenig voorbehoud aan de Goddelijke gerechtigheid voldoen en des Vaders toorn over de zonde stillen, wilde er sprake kunnen zijn van een verlossing dergenen, die niet verloren gaan.
Men ziet, dat Gansfort ten eenenmale afwijkt van de thans algemeen geldende zienswijze. Wij meenen niet, dat zijn theologische visie in alles den toets des Woords kan doorstaan ; maar het komt ons voor, dat verschillende zijner ideeën de overweging alleszins waard zijn. Mogelijk zijn ze, na omwerking, voor ons niet geheel onbruikbaar. Want we denken toch niet, dat er op dit terrein geen vragen meer zijn overgebleven ? En dat onze kennis hier volkomen en voor geen wijziging vatbaar is ?
Al is er bij Gansfort wel een en ander, dat door zijn betrekkelijke oorspronkelijkheid aantrekt, — wij weten zeer wèl, dat hij veel gefantaseerd heeft. Wij mogen dan ook daarvoor de oogen niet sluiten. Enkele eigenaardigheden vinden in de volgende alinea een plaats.
Toen de mensch nog niet geschapen was, moet de satan een menschenmoorder tegen Christus zijn geweest. In den inwendigen engel is het heeld en de gelijkenis Gods hetzelfde als in den inwendigen mensch. Vóór de vleeschwording des Woords aten de engelen het lichaam van Christus als het brood des levens.
Stuk voor stuk zijn deze opvattingen natuurlijk in de Heilige Schrift niet te vinden ! Het zijn voortbrengsels der menschelijke fantasie, en daarom ontoelaatbaar.
Wat de rechtvaardiging betreft, — hier laat Gansfort het accent geheel vallen op de liefde. Deze eenzijdigheid wordt in den Bijbel niet gevonden. Gods liefde komt slechts tot Zijn kind door den trechter van het recht. Op dit cardinale punt ziet men, dat Gansfort's beschouwingen niet met die der Reformatoren overeenstemmen. Er is van hem slechts iets over te nemen, wanneer men een anderen sleutel mag gebruiken, of duidelijker gezegd, wanneer men aan zekere gedachten een anderen inhoud en een Schriftuurlijker fundatie mag geven. Vooral bij Gansfort geldt het : als twee hetzelfde zeggen, dan is het nog niet hetzelfde ! Dit houde men steeds goed in 't oog. De rechtvaardiging des zondaars is uitsluitend en alleen een daad van Gods verkiezende genade. Wie het geloof het begin der rechtvaardiging noemt, raakt verzeild in Remonstrantsche wateren. In dit opzicht is Gansfort de voorlooper dezer Contra-Gereformeerden.
Tegen de Roomsche Kerk ging Gansfort in, voor zoover hij twijfelt aan de onfeilbaarheid van Kerk en paus. Kerk en paus kunnen, volgens hem, zeker dwalen ! Onfeilbaar zijn alleen de Heilige Schrift en de apostolische traditie. Zeer waardevolle en principieele opmerkingen geeft Gansfort hier ten beste. Zoo schrijft hij o.m. :
„Mij schijnen waarlijk de gronden van hen van geen geringe beteekenis, die om de ontwijfelbare autoriteit der Schrift, die men noodzakelijk moet erkennen, van een alleen waarschijnlijke meening per pausen afwijken. Duidelijker gezegd : zoolang het mij toeschijnt, dat de paus of de school of de een of andere gemeenschap iets tegen de waarheid der Schrift in beweren, moet ik steeds eerst de Schrift met de grootste zorgvuldigheid) vasthouden ; dan echter moet ik, omdat het niet waarschijnlijk is dat zulke mannen dwalen, vlijtig de waarheid aan beide zijden onderzoeken, maar steeds met grooteren eerbied ten opzichte van de Heilige Schrift, dan tegenover de menschelijke beweringen, van wie zij ook mogen afkomstig zijn".
Dit zijn woorden, die, vooral in Gansfort's tijd, van groote beteekenis waren. Zij weken af van een eeuwenlange verderfelijke traditie.
Gansfort gaat zelfs zóó ver, te erkennen, dat men zich tegen de kerkelijke overheid verzetten moet ! Dat is taal, die in zijn dagen niet allerwegen gehoord werd. Wanneer het leven van kerkelijke leidslieden aanleiding gaf lot ernstige critiek, dan moesten ze, zoo zei Gansfort, maar liever worden afgezet. „Het volk is volkomen gerechtigd, zich tegen een verdorven clerus te verzetten, want niets doet de Kerk meer schade, dan een clerus, die verdorven is". Ergernissen mogen maar niet zonder meer worden geduld en bestendigd !
De sacramenten ziet Gansfort als werkzame middelen, die de genade mededeelen. Hier is hij dus weer het Roomsche standpunt blijven huldigen. Behalve doop en avondmaal, waardeert hij boete, huwelijk en priesterwijding evenzeer als sacramenten. Door den doop kunnen alle zonden, die te voren bedreven zijn, weggenomen worden. Bij het avondmaal is Christus zelf lichamelijk tegenwoordig. De mis is een herhaling van Christus' offer aan het kruis. Al is het waar, dat Gansfort in onderdeelen hier en daar van de Roomsche Kerk afwijkt, — over het algemeen kan gezegd worden, dat deze opvattingen allerminst prolestantsch zijn. Zoo achtte hij ook de biecht in den Bijbel gegrond, door Christus ingesteld, en door de apostelen overgeleverd. Aan de priesterlijke absolutie kent hij echter weer geen groote waarde toe. „Doordat de priesters het sacrament toedienen, waaraan God de vergeving der zonden heeft vastgeknoopt, vergeven ook de priesters in zekeren zin de zonde" — zoo zegt hij. Men lette op dit : „in zekeren zin".
In velerlei opzicht is er bij Gansfort iets, dat afwijkt van de traditie zijner dagen ; maar ook is er bij hem niet weinig, waarin hij kind zijns tijds is geweest.
D.
d. Z.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's