De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

11 minuten leestijd

„Zoo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere! wie zal bestaan ? Maar bij U is vergeving" Psalm 130 vers 3 en 4a.

„Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!" zoo vangt de dichter van dezen 130sten Psalm zijn lied aan. Welk een heerlijk getuigenis. Als hem alle uitweg ter linker-of ter rechterzijde is afgesneden ; als van eigen kracht of menschenmacht geen hulp meer te verwachten valt, dan vindt nochtans de dichter vrijmoedigheid om zijn blik opwaarts te richten en zijn roepstem naar den hemel te zenden, vanwaar hij weet dat alleen nog redding, en uitkomst komen kan.
Welk een onschatbaar voorrecht, om ook die woorden van den Psalmdichter op de lippen te kunnen nemen, om ook vrijmoedigheid te ontvangen uit de diepten van zondennood en Godverlatenheid, in geloof tot den , Heere zijn toevlucht te nemen ? Is dit immers niet juist dat ééne, wat wij allen van noode hebben ? Moeten wij niet allen uitgedreven worden tot God, Die in Christus de wereld met Zichzelven verzoende ? Moeten wij niet allen dien weg tot Hem leeren kennen, welken Hij in Zijn Zoon heeft gebaand ? Welk een genadegave van Godswege is het dan, om het ook te kunnen uitspreken: „Uit de diepten roep ik tot U, o Heere!"
Maar dat die weg des geloofs niet altijd licht en gemakkelijk is, ook daarvan spreekt des dichters lied. Het zijn niet altijd effen paden, welke de geloovigen mogen bewandelen. Niet steeds leidt de weg over rozen, doch ook vindt men doornen en distelen. Niet altijd gaat het over de hoogten van Gods nabijheid en hooggestemd vertrouwen, doch ook voert het pad door de dalen van de duisternis des doods en de diepten van twijfel en verschrikking. Want zij, die geleerd hebben om uit de diepten tot den Heere te vluchten, om bij Hem vertroosting te zoeken, zullen het ervaren dat niet dadelijk de zekerheid des geloofs, de volle rust en vrede hun wordt geschonken. Vaak voert de Heere hen door bange worsteling en vertwijfelde strijd heen! Dan kunnen de golven van wankeling en weifel hen schudden en slingeren. Dan kan Satan aanval op aanval beramen om de hem ontrukte prooi, wederom gebonden aan zijn voeten te leggen.
Neen, nog niet alle roepen zal dadelijk de verhooring deelachtig worden. Als de Heere een zondaar brengt tot kennis van zijn schuld en zonde voor Hem, als Hij den schuldenaar op de knieën heeft gebracht en zijn roepen ojjklinkt tot Hem — dan is het nog niet aanstonds zóó, dat de rust en de vrede in het harte daalt en weer ongestoord des Heeren gemeenschap mag worden genoten ! Daartoe moet vaak veel gebeds gebeden zijn en veel strijds gestreden zijn. Gelijk de jonge boom onder den druk van de stormen zijn wortels steeds dieper vasthecht en steeds verder uitslaat, zoo moet ook het aanvankelijk toevlucht nemen tot den Heere, het pas ontluikend geloof, juist door de druk van twijfel en strijd worden versterkt en bevestigd !
En daarom is de dichter ook verder ten voorbeeld voor hem, die heeft leeren roepen uit diepten van ellende. Ziende op zich zelf en op zijn zonden, moet hij den Heere, de eer geven en het belijden: „Zoo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat : Heere, wie zal bestaan ? "
Ja, zóó de Heere rekening hield met onze zonden — als de Heere deze allen eens gadesloeg en ze allen in gedachtenis hield hoe zouden wij dan in Zijn oog nog kunnen bestaan ? Dan kan in ons roepen menigmaal plotseling onze gansche onwaardigheid ons voor oogen komen te staan. Dan zien wij die gansche rij onzer zonden, die menigten van schulden, die wij tegen den Heilige en Rechtvaardige hebben bedreven ! Dan is er niets meer aan ons, waardoor wij waardig zijn om den Heere te ontmoeten. Dan hebben wij ons gansche leven in ongerechtigheid doorgebracht, dan hebben wij alles verbeurd en verzondigd en zijn wij niet waardig, dat de Heere nog een oogenblik Zijn barmhartigheid aan ons betoont.
Welnu, zoo de Heere deze nu eens allen onthield en ons ging toerekenen ? Ja, Hij weet welke zonden wij hebben gedaan. Hij heeft ze allen in Zijn boek geschreven. Van onze jonkheid af aan heeft Hij ons gevolgd op onze paden. Hem is alles bekend wat wij hebben uitgericht, tot zelfs de diepste roerselen onzer ziel liggen voor Hém open, want Hij doorzoekt het hart en proeft de nieren.
En zoo de Heere deze nu eens allen bewaarde en gadesloeg, zoo Hij nu eens ons de gerechte straf ging toemeten, zou dan niet elk onzer zonden op zich zelf reeds voldoende zijn om het eeuwig oordeel over ons af te roepen ? Dan zou reeds de minste gedachte, of de geringste overtreding van Zijn heilige wet ons onwaardig maken om het Koninkrijk der hemelen in te gaan, ja, zelfs de kleinste zonde zou genoegzaam wezen om ons onaannemelijk te maken bij den Heere en ons voor eeuwig te verdoemen. Ja, zoo de Heere onze ongerechtigheden gadesloeg wie zal dan bestaan ? Dan kan zelfs de rechtvaardige nauwelijks voor des Heeren aangezicht komen, en waar zal dan de goddelooze en zondaar verschijnen ?
Als de Heere ons zoo leert zien op onze zonden en op Zijn gerechtigheid, dan grijpt twijfel en verslagenheid ons aan, dan worden wij klein en moedeloos — zoo de Heere onze ongerechtigheden gadeslaat, mogen wij Hem dan wel aanroepen in onzen zondennood; zal dan ooit onze roepstem Hem kunnen bewegen ? — zoo Hij onze zonden in gedachtenis houdt, zal Hij dan ooit naar ons willen hooren — en zoo Hij niet naar ons hooren wil, hoe zal er dan ooit kunnen zijn een ontvlieden van den toekomenden toorn, een redding uit de diepte, een verlossing uit den nood ?
Deze bange vragen kunnen den geloovige zoo menigmaal benauwen, gelijk zij ook den dichter hebben benauwd. Het is die twijfelende onzekerheid, welke Satan in hun hart zoekt te strooien en te voeden, opdat zij afgehouden zullen worden van de vrijmoedigheid onvoorwaardelijk op Gods genade te betrouwen.
Doch zie, wat is nu het opmerkelijke bij den dichter en ook bij diegenen die, als hij, zulk een twijfel en onzekerheid kennen ? Die twijfel aan Gods toegenegenheid leidt niet tot verslapping en vertraging in het bidden en roepen ! Zoo zou het in aardsche zaken gaan. Maar daaruit blijkt juist, dat het geen menschenwerk is. doch een werk Gods, dat zelfs in alle vertwijfeling en moedeloosheid het gebed er blijft. Ja, hoe kleiner wij worden, des te meerder wordt het roepen Hoe onwaardiger de zondaar wordt in eigen oog, des te meer zal hij tot den Heere vluchten, zich aan Hem vast grijpen en zich op Hem werpen.
Want hoort, hoe de dichter het hier zingt: Op het zoo der vertwijfeling volgt het maar des geloofs, dat als een heerlijke bevestiging van Gods beloften wordt verkregen. „Maar bij den Heere is vergeving". Zoo de Heere de ongerechtigheden gadesloeg : wie zou bestaan ? maar de Heere zal om Christus' wil den geloovige zijn ongerechtigheden niet aanzien, noch gedenken ! Zóó de Heere alle zonden wilde toerekenen, waar zou dan nog uitkomst wezen , maar de Heere zal genadig en barmhartig zijn en de Zijnen aanzien in het bloed van Christus, dat reinigt van alle zonden !
Welk een rijke troost voor de twijfelenden en verslagenen, voor hen, die steeds maar op hun eigen zonden zien, en deze zich denken als een onoverkomelijke hindernis, waarover de Heere niet tot hen kan komen!
„Maar bij den Heere is vergeving!" Vergeving : verstaat gij dat wel ? Vergeving, d. w. z. dat de Heere al die ongerechtigheden, al die zonden, die gij van uwe jonkheid af aan hebt bedreven — dat Hij deze alle wil vergeven, wil wegnemen, wil uitdelgen, niet wil aanzien, noch gedenken. Bij Hem is vergeving, d. w.z. dat Hij het gansche pak uwer zonden losbindt en het van uw schouders afneemt, zoodat gij er niet aan behoeft te denken en er niets van behoeft te gevoelen. Hij zal vergeven, d. w. z. dat de Heere radicaal een streep zet door alles wat gij hebt misdaan, dat Hij het handschrift dat tegen u is, aan het kruis Zijns Zoons nagelt en u aanziet als hadt gij nooit zonde gekend of gedaan.
Maar vergeving is nog meer. Het is niet alleen een niet toerekenen van zonden, zoodat geen ongerechtigheid meer scheiding maakt; doch het is tevens een wèl toerekenen van de gerechtigheid, welke Christus voor de Zijnen verworven heeft. Niet alleen mogen wij door de vergeving bevrijd Worden van schuld, doch wij mogen ook deelachtig worden de goederen des heils, Welke de Heere voor ons heeft toebereid. Niet alleen mogen wij gereinigd wezen van zonden, maar ook mogen wij overkleed Worden met het kleed der gerechtigheid, hetwelk de Zone Gods door Zijn zoenwerk des kruises heeft geweven. Daardoor kan en mag niet alleen de gescheidenheid met onzen hemelschen Vader wederom worden opgeheven, maar ook mogen wij weer in Zijn lieflijke gemeenschap verkeeren en mag de eens verbroken verhouding wederom worden hersteld.
Zoo mag de zondaar, die eerst niet waardig was zijn oogen op te heffen naar boven, thans ongehinderd tot den Heere naderen en met opgerichten hoofde voor het aangezicht van zijn Rechter verschijnen, opgetrokken uit de diepte, gereinigd van zonden, vrijgesproken in 't oordeel, aangenomen tot een kind des hemelschen Vaders.
Dat is vergeving: kwijtschelding van schuld en herstel der gerechtigheid voor God! En dat alles uit vrije genade ! Want vergeving is een gave, die wij onverdiend mogen ontvangen. Vergeving kunnen wij ons niet verwerven of verdienen : het is loutere barmhartigheid van Godswege, welke Hij aan de geloovigen wil toepassen — niet om daarmede Zijn recht te breken — maar om de verdienste van Christus Jezus' wil. Die deze vergeving voor zondaren heeft verworven door Zijn lijden en strijden aan het kruis van Golgotha.
Zoo de Heere mijne ongerechtigheden zou gadeslaan : zoo spreekt de weifelmoedige — maar de Heere wil mijn zonden mij niet toerekenen om Christus' wil : zoo spreekt de geloovige ! Zoo de Heere mij wilde oordeelen naar mijne zonden : zoo spreekt de verslagene — maar de Heere zal mij wasschen in het bloed van Christus : zoo spreekt de geloovige!
En dat juist is het rijkste bezit dat gekend kan worden : het geloof in de goddelijke vergeving; het vertrouwen op het onwrikbaar vaste maar der goddelijke belofte, dat al onze menschelijke begrippen doorsnijdt en te boven gaat!
Gelijk de verloren zoon zijn zonden beleed, maar zie, voor den vader had hij geen zonden meer — zoo mag het ook zijn voor een ieder, die alzoo tot den Heere heeft leeren vluchten; hij denkt van zichzelven zondig en schuldig te zijn, maar de Heere bewijst hem dat voor Zijn aangezicht geen zonden meer gelden om Christus' wil; hij meent gansch onwaardig te zijn dat de Heere nog naar hem wil hooren, maar zie, de Heere toont hem dat Hij reeds naar hem uitzag, aleer hij gebeden had!
Dat is de geloofservaring van hem, voor wien Gods Woord wordt een lamp voor zijn voet en een licht op zijn pad ! Hij mag het goddelijk maar aanvaarden in het geloof :
een zondaar, maar toch een rechtvaardige, een schuldige, maar toch een begenadigde, een afgedoolde, maar toch een kind des Heeren.
Dat is de jubelzang van het geloof in het goddelijk wonder in Christus Jezus !
En dan zal het nog niet steeds ongestoord voorwaarts gaan — telkens weer zal Satan ons het zoo der vertwijfeling voorhouden — steeds weer opnieuw zal de strijd gestreden en de worsteling voortgezet moeten worden — doch de Heere zal Zijn werk voleindigen en zal met steeds vaster stem de Zijnen doen zingen :
„Maar bij U is vergeving!"
Wonderlijk en onbegrijpelijk is de heerlijke gave van Gods goedertierenheid in Christus Jezus, en zalig is hij, die daarin, en daarin alleen zijn vreugde en vrede heeft leeren vinden ! Dat is het zalig einde voor alle biddende harten en worstelende zielen ! Door Zijn Geest zal Hij dit ook aan u bevestigen ! Daarom vertwijfelt niet, gij die zoekt en klopt, maar strijdt voort den goeden strijd des geloofs ; blijft smeeken en worstelen, opdat de Heere ook u steeds meer zal oprichten uit de diepten der twijfel, om u te stellen op de hoogten des geloofs, dat op Zijn Woord alleen de zekerheid Zijner vergevende liefde in Christus heeft leeren verstaan. Dan zult ook gij blijmoedig kunnen instemmen met het loflied des geloofs:
Zoo hoog Zijn troon moog' boven d' aarde wezen, Zoo groot is ook voor allen, die Hem vreezen, De gunst, waarmee Hij hen wil gadeslaan. Zoover het West verwijderd is van 't Oosten, Zoover heeft Hij, om onze ziel te troosten, Van ons de schuld en zonde weggedaan.
Waspik.

LANS Jr.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's