De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

WAT IS NATIONAAL EN WAT IS ANTI-NATIONAAL
Mr. Groen van Prinsterer is tusschen 1825 en 1875, rond een halve eeuw, de man, die als geleerde en als journalist, midden in den strijd heeft gestaan, om te komen tot de juiste gedachte van wat Nationaal is in ons goede Vaderland en te midden van ons Nederlandsche volk.
Hij is de man, die nooit den adel van zijn karakter heeft verloochend, die met groote vrijmoedigheid altijd zijn meening heeft gezegd, maar die in 1861 in groote bescheidenheid zei : „Dagelijks word ik behoedzamer in het beoordeelen van mijn land " Hij meest veel meer onze raadsman zijn in deze dagen.
En zou 't waar, zijn, wat gefluisterd wordt, dat ook de vrienden van Groen zijn hoofdwerken niet bestudeeren ? Zou dat b.v. waar zijn van verreweg het grootste deel van de onderwijzers, die aan onze Christelijke Scholen werkzaam zijn ? Wat is Nationaal ? en wat is Anti-Nationaal ?
Het woord Nationaal staat natuurlijk in verband met natie, volk. En de theorieën aangaande de natie zijn van volk tot volk verschillend. Maar wij, Nederlanders, zullen goed doen vast te houden, dat we niet op de formeele, maar op de materieele factoren hebben 'e letten, als beslissend zijnde voor de vaststelling van het karakter eener natie.
Hebben wij, als Nederlandsche natie, als volk van Nederland, een eigen „geestesmerk”?
Hieraan twijfelen weinigen. Maar toch loopen dan de meeningen nogal uiteen als het over dat „geestesmerk" van ons Nederlandsche volksbestaan gaat. Doch mr. Groen van Prinsterer, die als jong-historicus zei dat „bedaardheid, onpartijdigheid en nederigheid de hoofdtrekken van het Hollandsche volkskarakter waren", schreef in 1872, dus al wat oud geworden, dat „de reformatie het levensbeginsel onzer nationaliteit, levensbeginsel van den oorsprong, de ontwikkeling en de grootheid der natie was" (Ned. Gedachten, IV, 13). Hiernaast noemen we even, als terloops. Da Costa, ^die van ons volk schreef : „de boom, geplant in martelaarsbloed aan d' Evangeliestroom”.
Groen is niet pas in 1872 tot bovenstaande gedachte gekomen, want reeds in 1848 schreef hij : „Het Nationaal geloof is het Christelijk geloof ; het Nationaal onderwijs is het Christelijk onderwijs .; de Nationale wetgeving is de Christelijke wetgeving". (Bijdrage tot herziening der Grondwet, 71—72). En in 1864 schreef hij (in ; „La Hollande et l' influence de Calvin", waarin de bekende woorden voorkomen : „Nous sommes issus de la Geneve de Calvin", d.i. wij zijn ontsproten aan het Geneve van Calvijn) : dat de Reformatie een alles beheerschende beteekenis heeft gehad voor de Nederlandsche natie. Onze nationaliteit — zoo zei hij — had een exceptioneel karakter, en wel zij was : „Ie résultat de Ia foi", d.i. resultaat of vrucht van het geloof.
De eigenschappen van 't Calvinistisch volksdeel zijn overeenkomstig den echten Nederlandschen volksaard ; en de herleving van den Calvinistischen volksgeest is tot bevordering van de volkszaak onmisbaar ; het Calvinisme is het eigenlijk volkskarakter, is hier eigendom van het volk. En de „nieuwe nationaliteit, die zich sedert de Fransche revolutie in ons land tracht te vormen", is anti-nationaal en zal dat blijven, zoolang het echte nationaal karakter van het Nederlandsche volk nog niet geheel is uitgesleten.
Nederland hoort historisch en reëel tot op den huidigen dag onder de christelijk-protestantsche natiën en noch onder de ultramontaansche volken, die van „over-de-bergen", uit Rome, hun beginselen ontleenen, noch onder de humanistische volkeren, die uit den mensch hun kracht putten.
Dit eigenaardig type van nationaliteit van het Nederlandsche volk mag in den loop der laatste 150 jaar wat uitgesleten zijn, misschien sterk uitgesleten, maar deze karaktertrek zal weer moeten worden ingescherpt en met nieuwe kracht en lust moeten worden overgebracht in onzen tegenwoordigen tijd. Want het type, dat tusschen 1572 en 1789 aan het woord kwam, heeft den diepsten indruk op het volkskarakter achtergelaten en heeft aan ons volkskarakter den grondtoon gegeven, en deze „historische Nederlandsche gedachte uit het glorietijdperk van onze vorming tot een eigen volk", zal weer moeten opleven onder jongeren en ouderen.
Bij het woord Nationaal moeten we bedenken, dat we met een in de historie ontstaan iets te doen hebben. En daarom noemde Groen een man als Thorbecke in zijn streven ook anti-nationaal ; want het liberalisme, geesteskind van de Revolutie, loochende den oorspronkelijken nationalen geest uit de dagen onzer glorie. „Thorbecke was geen zoon van onze martelaarskerk". Nationaal is niet hetzelfde als het zoetelijke „verdraagzaam zijn en zwijgen over meeningsverschillen". Onze natie heeft uit een heel anderen geest geleefd, een geest, die dan wel onverdraagzaam genoemd wordt, maar die heel wat minder tyrannie, verdrukking, vervolging in zich bergt, dan de geest die zoo graag voor liberaal en verdraagzaam poseert. Zoo werd en wordt b. v. het openbaar onderwijs door velen wel „nationaal" onderwijs genoemd, omdat het „zwijgt over meeningsverschillen" en de „volkséénheid" op het oog heeft ! Dat noemde Groen een „nieuwerwetsche nationaliteit", om onderstboven te werken „alle verscheidenheden", ook van die „waarin het nationaal karakter zich ten onzent openbaart". (Het regt der Herv. Gezindheid, blz. 27). De „Nuts-beweging" (van de humanistische „Maatschappij tot Nut van 't Algemeen") is anti-nationaal, omdat zij het nationale van ons volksleven hinderlijk vindt en een nationale eenheid wil bevorderen tegenover den christelijkhistorischen volksgeest. Dat alles is een „gewaande nationaliteit", om wèg te werken hetgeen in Nederland nationaal is.
Niet de bloedsgemeenschap, maar de geestesgemeenschap is 't eerste en het voornaamste, en alleen een volk, een natie, sterk en gezond door bloedsgemeenschap — niet verslapt, uitgeput en uitstervend, maar gezond en krachtig ! — dat gedragen wordt door een gezonde geestesgemeenschap — niet verslapt, uitgeput en uitstervend, maar gezond en krachtig ! — kan de eeuwen verduren en mag een gezegend volk genaamd werden.
Nationaal is : wat verband houdt met en gericht is op de wezenlijke behoefte van de natie, zooals die zich in de historie ontwikkelde, in overeenstemming met de ontwikkelingsgeschiedenis der natie; de ontwikkelingsgeschiedenis van onze protestantsch-christelijke natie in het land, dat door strijd voor de vrijheid van geweten tot zelfstandigheid kwam.
„Het bloed der martelaren" — zegt Groen in „Ter nagedachtenis van Stahl", bladz. 25 — „was hier niet alleen het zaad der Kerk, maar ook het cement van den Nederlandschen Staat”.

REORGANISATIE-VOORSTEL 1938 IN TWEEDE LEZING VERWORPEN.
De Algemeene Synode der Ned. Hervormde Kerk heeft in, haar. Woensdag te 's-Gravenhage voortgezette zitting, 10 Aug. j.l., zich met 14 tegen 5 stemmen vereenigd met de conclusie van de commissie, benoemd in verband met het reorganisatie-ontwerp, welke conclusie als volgt luidt :
„De commissie adviseert uw vergadering eenparig, gehoord de consideratiën der Kerk, die wèl — zij het op verschillende gronden — er op wijzen, dat een meerderheid een niet nader bepaalde reorganisatie wenscht, maar tevens, dat de meerderheid het in het onderhavige vervatte niet wil, het ontwerp Januari-1938 niet vast te stellen, maar te besluiten de zaak der reorganisatie over te brengen bij' de Algemeene Synodale Commissie, teneinde deze in overleg met de gezamenlijke hoogleeraren beraadslage wat te doen zij, om de in de consideratiën der Kerk over het ontwerp 1938 tot uiting gebrachte inzichten en wenschen het beste tot haar recht te doen komen".
De commissie, die dit advies uitbracht, bestond uit ds. J. W. J. Addink, Heeze, vicepresident der Synode ; ds. L. Boer, Scheveningen ; ds. H. H. Brucherus Cleveringa, Middelstum, en den heer M. ter Stal, oud-ouderling te Veenendaal.
Het reorganisatie-ontwerp 1938, dat door de Algemeene Synode in haar buitengewone zitting in Januari j.l. met 10 tegen 9 stemmen voorloopig was aangenomen, is nu in tweede lezing verworpen.
Het reorganisatie-voorstel, geboren uit de samen sprekingen tusschen „Kerkherstel" en „Kerkopbouw", is hiermede van de baan. Eigenlijk waren alle 19 leden van de Synode vóór het voorstel van de Commissie-Addink CS. om dit Reorganisatie-plan af te wijzen — zij 't ook, dat de een er weer anders tegenover stond dan de ander — maar dat toch 5 leden tegen de conclusie gestemd hebben, vindt z'n oorzaak in het volgende :
Prof. Haitjema had gepraeadviseerd de nu aangenomen conclusie in dien geest te wijzigen, dat de meerderheid een reorganisatie wenscht die het karakter der Kerk ook in haar Kerkorde doet uitkomen, en in de opdracht aan de Synodale Commissie toe te voegen de woorden : onder versterking van het begrip der Kerk.
Die wijziging wilden echter de anderen weer niet, omdat in dit verband woorden als „begrip Kerk" en „karakter der Kerk" zoo'n verschillende beteekenis kunnen hebben en dan tenslotte toch weer nietszeggend zijn.
En omdat die wijziging van prof. Haitjema niet werd overgenomen, voelden 5 leden der Synode zich geroepen om tegen te stemmen, hoewel ze er overigens vóór waren, om de wille van de zakelijke inhoud der conclusie tot afwijzing.
De vijf tegenstemmers tegen de aangenomen conclusie verzochten dan ook aanteekening, dat zij alléén hebben tegengestemd, omdat de door prof. Haitjema aangegeven wijzigingen daarin niet opgenomen waren.
Wat er nu gebeuren zal ? Het is wel gebleken, dat eigenlijk allen in de Hervormde Kerk meer en meer voor reorganisatie gaan voelen, wat een groot verschil is bij vroeger. Maar het is óók gebleken, dat men een reorganisatie, naar het plan van het verworpen Voorstel, niet wil.
Wij hopen nu maar, dat men leering trekken zal uit hetgeen gebeurd is. En waar de reorganisatie aan de orde is en aan de orde blijft, daar hopen we, dat de Synodale Commissie in samenwerking met de gezamenlijke kerkelijke hoogleeraren-prof. Korff en prof. Sevenster van Leiden, prof. Berkelbach v. d. Sprenkel en prof. De Vrijer van Utrecht, en prof. Haitjema en Semmelink van Groningen, tot een sober, eenvoudig, practisch Voorstel straks mogen komen, waarover te praten valt.
Dat Gods Geest ons leiden mag in alle waarheid en onze Hervormde Kerk genadig moge zijn naar den rijkdom van Zijn trouw en goedheid, mee tot zegen voor Volk en Vaderland !

DE NED. HERVORMDE KERK EN HET HUWELIJKSVRAAGSTUK
Bij de Synode was een schrijven ingekomen van de Nederl. Vereeniging voor Geestelijke Volksgezondheid, rakende het huwelijksvraagstuk, bijzonder rakende de vraag van de kerkelijke bevestiging van een huwelijk, als één van beide partijen gescheiden is, terwijl de andere gescheiden echtgenoot nog leeft.
Over dit schrijven is een rapport aan de Synode voorgelegd, rapporteur prof. Sevenster, kerkelijk hoogleeraar te Leiden.
In dit rapport wordt gezegd, dat de kwestie zéér ingewikkeld is en dat de tijd heeft ontbroken om een grondige behandeling te kunnen geven. Daarom heeft het rapport zich beperkt tot een schetsmatige behandeling en wil iets aangeven omtrent een voorloopig oordeel. Op grond van verschillende Nieuw Testamentische gegevens en de exegese door Calvijn hierop geleverd, oordeelt het Rapport het huwelijk onontbindbaar. Een nieuw huwelijk beteekent overspel. Er is echter ééne restrictie : de ontucht. Vele nieuwere exegeten oordeelen dat Matth. 5 vers 32 : „Maar Ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal anders dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet ; en zoo wie de verlatene zal trouwen, die doet overspel" ; en Matth. 19 vs. 9 : „Maar Ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat anders dan om hoererij en eene andere trouwt, die doet overspel, en die de verlatene trouwt, doet óók overspel" — een latere invoeging zijn. Andere ouderen huldigen echter eene tegenovergestelde opvatting, gelijk b. v. Calvijn, Luther en ook nieuwere exegeten. Het Rapport is het met de laatste interpretatie eens. De vraag rijst dan echter : „Mag men dan weer opnieuw trouwen ? " Sommigen zeggen : ja ; anderen, dat verzoening mogelijk blijven moet. Ook 1 Tim. 3 vers 2 en 12 wijst stellig op de principieele onontbindbaarheid van het huwelijk.
De commissie is van oordeel, dat :
I. Het Nieuwe Testament het huwelijk onontbindbaar acht, waarmede in overeenstemming de Gereformeerde traditie is.
II. Voor grondige behandeling is gewenscht het raadplegen van nieuwere auteurs. Zie o.a.: „Das Gebot und die Ordnungen" van Emil Brunner.
III. Het huwelijk is geen sacrament, maar wel de kerkelijke huwelijksinzegening als een handeling van zoo grooten ernst dient beschouwd te worden, dat de Ned. Hervormde Kerk niet al te gemakkelijk aan de wenschen der aanvragers voldoe.
IV. In geval van scheiding moet kerkelijke huwelijksbevestiging zeker niet altijd worden toegestaan. De Kerk ga niet tegen de Schrift in. Alleen in geval van overspel mag het huwelijk van de(n) niet-overspelige worden bevestigd. Evenwel blijven bij zulk eene opvatting voor de Kerk nog groote moeilijkheden over, daar zij eene rechterlijke uitspraak op grond van overspel zoo maar niet aanvaarden kan. De commissie acht het echter uitermate moeilijk voor den betrokken kerkeraad, die over eene eventueele aanvrage moet beslissen, de vraag te beantwoorden, of werkelijk van overspel of eene verwante zonde sprake is geweest ; met name, indien de kerkeraad dient te oordeelen over hem overigens vrijwel geheel onbekende personen.
De president merkt op, dat in dit geheel theologisch gehouden rapport zeer vele moeilijkheden niet zijn opgelost.
Prof. Haitjema geeft als gedachte, dat aan de drie kerkelijke hoogleeraren, die de Christelijke Ethiek doceeren, zoude kunnen worden verzocht, deze aangelegenheid op de basis van dit Rapport in studie te nemen, ten einde hun rapport aan de Algem. Synodale Commissie in te dienen. De secretaris stelt voor, dit onmiddellijk, en niet langs den weg der Algem. Synodale Commissie, te doen. De conclusie wordt, in dezen zin gewijzigd, aangenomen.
Wij hebben dus in den loop van het jaar 1938—'39 een rapport te verwachten van de drie kerkelijke hoogleeraren, die te Leiden, Utrecht en Groningen „de Christelijke Ethiek" doceeren. We hopen intusschen, dat ook anderen, der zake kundig, zich op dit gewichtige onderwerp zullen prepareeren, opdat we straks een veelzijdige bespreking krijgen van een zaak, die nationaal en internationaal (we denken ook aan Engeland) aan de orde is op kerkelijk gebied.

NA ZESTIG JAAR.
Ook in deze rubriek past een woord ter herinnering aan Kappeyne's Schoolwet, waarbij wij aanstonds denken aan het bekende spreekwoord: „de drukking der melk brengt de boter voort".
In de Geldersche Post, de nieuwsbode voor christelijk Arnhem, lazen we een artikel dat we daartoe mooi gebruiken kunnen Hier is het ; zij 't tegelijk een hartelijke aanbeveling voor de te houden Unie-collecte :
De 17de Augustus van het jaar 1878 staat in de geschiedenis van den schoolstrijd hier te lande met een zwarte kool geteekend.
Het was toch op dien dag, dat Koning Willem III zijn handteekening zette onder Kappeyne's Schoolwet, de befaamde „Scherpe Resolutie", welke ten doel had de opkomst van het Christelijk onderwijs in de kiem te smoren, zoo 't kon ; op z'n minst deo strijd voor de vrije Christelijke school zóó zwaar en bang te maken, dat slechts bovenmenschelijke kracht in staat was om aan de suprematie van de liberale Staatsschool te ontkomen.
De telken jare terugkeerende Uniecollecte voor de Scholen met den Bijbel — geboren uit protest tegen Kappeyne's dwingelandij — verlevendigt aan ons Christenvolk telkens weer de heugenis aan een der moeilijkste perioden uit den schoolstrijd, toen „Egyptisch diensthuis" het treffend symbool mocht heeten van de liberale tiranny der zeventiger jaren uit de vorige eeuw, wijl ons Christenvolk verdrukt en geknecht werd op een wijze, als men nimmer gedacht had, dat geschieden kon in een land, door het bloed der belijders van den Christus gedrenkt en door het Evangelie ééns tot een „Kanaan van het Westen" gesteld.
Al zou de Unie-collecte alleen maar hiertoe, dienen, dat het thans levend geslacht der Christusbelijders de heugenis behield aan de dagen van druk, die voorbijgingen, dan hadde zij reeds daarom alleen recht van blijvend bestaan. Ook zal het Heden méér worden gewaardeerd, naarmate het Verleden beter gekend wordt !
Waar thans voor de 60ste maal de aankondiging uitging van de jaar-collecte voor de Scholen met den Bijbel, kan 't niet anders, of de heugenis aan hetgeen in 1878 plaats greep, krijgt een verhoogde exponent, en sterker dan ooit spreekt de historie tot het Christenhart ; de historie, die gewaagt van strijd èn zegen !
„De Koning heeft de Wet geteekend !" Zelden, zoo ooit, zal een tijding — betrekking hebbend op de lotgevallen van een wetsontwerp — grooter ontroering teweeg gebracht hebben onder ons volk als het nieuwsbericht, hierboven genoemd, dat op 17 Augustus 1878 ons land doorging.
„De Koning heeft de Wet geteekend !" Tóch ! In weerwil van den storm van protesten, die uit het kamp der Christenouders oprees tegen Kappeyne's onderdrukking !
In weerwil van het VolkspetitionnemenL, dat uitdrukking gaf aan het georganiseerde verzet tegen de aanranding van het Christelijk onderwijs, en een rechstreeksch beroep wilde zijn op den Koning als Oranjevorst, „telg van een edel voorgeslacht" — namens meer dan 304.000 mannen en vrouwen, die Christelijk onderwijs begeerden voor 115.000 schoolkinderen !
In weerwil van de ontroerende bede, welke de vrome edelman jhr. mr. Elout van Soeterwoude — als hoofd der delegatie, die op 3 Aug. den Koning het smeekschrift der Christenouders aanbood — tot den Vorst richtte : „Is het dan wonder, Sire ! dat duizenden — voor wie die (nationale) traditiën dierbaar zijn, voor wie en wier kinderen, gelijk Hij het in de meest bewogen tijden is bevonden voor Uwe en onze Vaderen, Christus is de eenige kracht ten goede, de eenige troost in leven en in sterven — door dat vooruitzicht in het diepst der ziele geschokt, eerbiedig Uwe Majesteit vragen : „Zal dat goed voor Uw Land en Volk, zal dat goed voor de nationale toekomst, zal dat goed voor God wezen ? " Is het wonder, dat zij Uwe Majesteit smeeken : „Plaats, Sire ! onder zulke voordracht Uwe Koninklijke handteekening nooit !" " En tóch !
„De Koning heeft de Wet geteekend !" Aldus de teleurstellende nieuwstijding op 17 Augustus 1878 ! De „Scherpe Resolutie" zou dus tóch worden uitgevoerd !
Het kwaad was over ons Christenvolk en zijn Christelijke School ten volle besloten ! Zoo had dan Kappeyne tóch overwonnen, — de man van het beruchte Pharao'sche woord: „Dan moet die minderheid maar worden onderdrukt, want dan is zij de vlieg, die de gansche zalf bederft, en heeft zij in onze maatschappij geen recht van bestaan !”
Heeft Kappeyne overwonnen ? Men spreekt wel van een Pyrrhus-overwinning, wanneer de zege gekocht wordt ten koste van zelfvernietiging.
Kappeyne's „overwinning" geeft er blijk van ! Al dadelijk treft 't, dat Kappeyne's wet niet spoedig werd ingevoerd ; eerst onder het Ministerie-Van Lijnden werd er een begin mede gemaakt (1 Nov. 1880).
Vervolgens blijkt, hoe, naar het woord van den Spreukendichter, „de drukking der melk boter voortbrengt" ; wat als inluiding van een lijdensperiode bedoeld was, werd de ontsluiting van een; nieuw verschiet, dat hoopvolle perspectieven bood ! Tien jaren na 1878 trad het eerste Christelijke Kabinet op !
’t Was minister Mackay, die aan het Christelijk onderwijs de eerste verruiming bracht door in zijn Schoolwet de subsidieering van het bizonder onderwijs op te nemen. Met de wet-Mackay (van 8 Dec. 1889) brak een nieuw tijdperk aan in den schoolstrijd : God gaf een begin van verlossing, waar het goede recht van het Christelijk onderwijs werd erkend en de eerste stap gezet werd op den weg, die uiteindelijk moest leiden tot de rechtsgelijkheid van bizonder en openbaar onderwijs.
Zeker, lang en zwaar zou de strijd. zijn, die alsnog gestreden moest worden, tot 't zoover kwam, maar God heeft gezegend en gesterkt, zoodat in het heden slechts dankensstof kan zijn bij ons Christenvolk, als 't ziet op wat thans is bereikt, terwijl de zweep van den drijver is verbroken en het Liberalisme der verdwijning nabij is.
1878—1938 ! Toen : ruim 2700 openbare scholen, tegen een 1000-tal bizondere (waaronder 3O0 Prot.-Christelijke).
Thans : 2500 openbare scholen, tegen 4500 bizondere (w.o. 1900 Prot. Christelijke). Toen : 400.WO leerlingen op de openbare lagere scholen, tegen lOO.OOO op de bizondere (w.o. 53.000 op de Prot. Chr. Scholen). Thans : 3i64.W0 leerlingen op de openbare scholen, tegen 780.00i0 op de bizondere (w.o-2'96.0O0 op de Prot. Chr. Scholen). 't Kan verkeeren ! — zooals Breêroo zei.
Rehobóth ! God heeft ons ruimte gemaakt ! En zoo heeft tenslotte Hooger hand door de koninklijke handteekening van 17 Augustus 1878 een streep getrokken !
Om de wonderen des Heeren te gedenken, om het werk Gods voor onze kinderen en daarin voor Kerk en Volk te eeren en te onderhouden, zij ook onze dankbare gave voor de Unie-collecte. Bij gedenken hoort immers danken !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's