De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Jean de Labadie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Jean de Labadie

13 minuten leestijd

III.
Zoo nadert de maand April van het jaar 1668, waarin de Waalsche Synode te Vlissingen in de zaakde Labadie een uitspraak zal doen. Hard wordt er ten gunste van de Labadie gewerkt. Hooggeplaatste personen (de vrouw van den Frieschen stadhouder, de fam. Van Sommelsdijk e.a.) verzoeken de Staten van Zeeland voor den geschorsten leeraar op te komen. En er komt een verzoening tot stand. 'Besloten wordt : i. de Labadie erkent het gezag der meerdere vergaderingen ; 2. Hij neemt zijn geschriften met betuiging van leedwezen terug ; 3. De Synode schrapt alle beslissingen over hem genomen ; 4. Bij een eventueel geschil zal de weg van rustig overleg bewandeld worden. Dus geen publicaties en polemiek.
Wie rustig alles overdacht heeft en de Labadie's beginselen heeft zien groeien, wie zijn karakter leerde kennen, voelt : dit compromis kon niet lang duren. Goeters heeft bij de bespreking van dit geschil de vraag opgeworpen (pag. 199): „Hoe kon een geloovig man zoo optreden ? ”
Het is de vraag, waarmee wij nog in onze dagen worstelen bij de beoordeeling van menschen als de Labadie, die we houden voor kinderen Gods, en in wier leven we een onoprechtheid en een zelfzucht zien, die ons verbaasd en bedroefd doet zijn. Oppervlakkigen zeggen : „'n huichelaar". De geschiedschrijver zegt : „In zoo'n wonderlijk leven mogen we geen huichelarij zien”.
De sleutel ligt hier in de Labadie's subjectivisme. Wat hij voor Bijbelsch houdt, is waar. Wat zijn roeping hem voorhoudt is normatief, omdat het de meening des Geestes is. Wie hem durft critiseeren, randt Gods Profeet aan (we kennen allemaal een soortgelijke houding van vromen in onze Gemeenten). Groot is de Labadie's vroomheid. Zijn vurigheid trekt de scharen. Echter : alles bekijkt hij van zich zelf uit. Daarbij komt zijn overmatig zelfgevoel'; hij wil heerschen. Zoo voert hij zijn aanhangers op een weg, die ze niet toetsen mogen aan andere meeningen en historische verhoudingen. Dit alles wil geenszins zeggen, dat de Synode vrij uitging. Vooral niet in de zaak van den onwaardigen Du Moulin, die door haar steeds werd beschermd. Echter : de Labadie's schuld blijft. Hoe kon een Gereformeerd man sinds jaren aangehangen beginselen zoo maar loslaten, zooals de Labadie deed in punt I en 2 van het compromis met de Synode ? In hem zien we het ontzettende gevaar van het subjectivisme : de vrome mensch onttrekt zich met zijn daden aan de tucht van Gods Woord.

IV. Het beslissende conflict.
De vrede duurde, zooals te verwachten was, slechts kort. Een geweldige pennestrijd ontbrandde rondom het boek van dr. Wolzogen, de Waalsche, Cartesiaansche leeraar van Utrecht : „Over de uitlegging van de Heilige Schrift”.
„We hebben hier in de Labadie's kamp tegen dit boek een voorpostengevecht van de komende strijd tusschen rationalisme en piëtisme", meent Goeters. En wie hel conflict breeder beziet, bemerkt dezelfde vragen en strijdpunten als b.v. ± 50 jaar later rondom het „Innige Christendom" van Schortinghuis.
In 1666 was de theologische wereld in rep en roer gebracht door een bruut-duidelijke aanval van Meijer op hèt bolwerk der Reformatie : de Heilige Schrift : Deze had beweerd : de Heilige Schrift is onduidelijk. De rede (de wijsbegeerte) moet als uitlegster optreden. Hier begint op duidelijke wijze het Humanisme al het bovennatuurlijke uit de theologie te verdringen, een proces, dat uit zal loopen op het Modernisme. Velen maakten zich op, den hooghartigen filosoof te bestrijden. Ook dr. Wolzogen gaf onder dien schijn zijn bovengenoemd werk uit tegen „den paradoxen vechter". In principe is hij echter het met Meijer eens. „Er kunnen in de Schrift wel bóven-verstandelijke zaken voorkomen ; nóóit echter dingen, die tégen het verstand ingaan". „De verlichting, waardoor een mensch die waarheden leert verstaan, wordt hem door het Woord meegedeeld". Dus geen bizonder orgaan, door den Heiligen Geest gegeven als een Licht om tot die waarheden te komen. En hoe komt hij aan de zekerheid, dat de Schrift Gods Woord is : door de Cartesiaansche wijsbegeerte. (Dus geen testimonium Spiritus Sancti, zie artikel 5 Ned. Gel. Belijdenis).
„De schrijver mist totaal inzicht in de geestelijk-zedelijke verhouding tusschen God en mensch". „Hij is rationalist en niet religieus in zijn leer". Wolzogen werd van alle kanten fel bestreden (o.a. door Koelman).
Nu bleek echter de zwakheid der Voetianen in deze. Hun verzet kwam voort uit het besef : hier wordt de wortel der Gereformeerde religie aangetast. Maar door hun vasthouden aan de „oude wijsbegeerte" ^8) waren ze in de banen der scholastiek geraakt en konden een principieele scheiding van' wijsbegeerte en theologie niet meer verdedigen. 20)
Zuiver en fel reageert echter de Labadie. „Wolzogen volgend, komen we bij Spinoza terecht. De geloofswaarheden zijn irrationeel. Wolzogen ontkent de levende waking des Geestes. Bij de Schriftuitlegging mag men geloof en wedergeboorte niet buiten beschouwing laten. Geheiligde persoonlijkheid, zedelijk oordeel, levende betrekking tot den levenden God is noodig”.
In de Labadie's aanval op Wolzogen hebben we een spontaan protest van het religieuze gevoel tegenover het ongeestelijke beweren van zijn Utrechtschen ambtgenoot. De Labadie kwetst hierbij echter diens persoon, bouwt zelf geen systeem op, maar bepaalt zich tot protesten en verontwaardiging. In zijn geringschatting van het verstand en zijn hoog verheffen van het religieuze gevoel, veroordeelt hij met Wolzogen ook de Voetianen.
De felle aanval van de Labadie lokt een actie uit van de Utrechtsche regeering, die het opneemt voor Wolzogen, die aan de Universiteit was verbonden. Het adres aan de Zeeuwsche Staten baat niet, maar er wordt druk uitgeoefend op de Waalsche Synode, die Sept. 1668 te Naarden zal vergaderen. Middelburg heeft daar een aanklacht ingediend tegen Wolzogen's boek. Op dezelfde Synode zal beslist worden over de kerkelijke goedkeuring (approbatie) van een van de Labadie's werken : „De heraut van den grooten Koning Jezus", dat een chiliastische inslag had. De Middelburgsche kerkeraad heeft intusschen Yvon als leeraar aangesteld en Du Moulin aangezegd, dat hij na drie jaar heen zal moeten gaan. Du Moulin beroept zich op de Synode van Naarden.
Zoo komt de Synode S Sept. 1668 bijeen. Op verzoek der Utrechtsche regeering komt het boek van Wolzogen het eerst aan de orde. Er rezen verschillende bezwaren tegen diens leer. Toch meenden de bezwaarden, dat het boek in zijn geheel niet onrechtzinnig kon worden genoemd. Na urenlange debatten werd besloten : Wolzogen's boek is rechtzinnig. De Middelburger Gemeente (de Labadie) moet haar beschuldiging onder betuiging van spijt terugnemen.
Dit meerderheidsbesluit was een overwinning der jongere, vooruitstrevende groep. Een deputatie ging den zieken de Labadie melden : „hij had eigenlijk om de aanklacht afzetting verdiend, maar men wilde den weg des vredes". De Labadie antwoordde, dat zijn Gemeente de aanklacht had ingediend en dat hij eerst moest spreken met den Kerkeraad. Intusschen werd de approbatie van de Labadie's boek geweigerd, maar toen men het hem wilde gaan vertellen, vond men hem gereed af te reizen. Ondanks dringende verzoeken der Synode, vertrok de Labadie. Diep beleedigd besloot nu de Synode streng op te treden, „'t Tegendeel zou verraad zijn aan de eere Gods, de rust der Kerken, de waardigheid van het predikambt en het gezag der kerkelijke vergaderingen”.
Schuldig aan : 1. beleediging van een broeder (Wolzogen) ; 2. ongehoorzaamheid aan kerkelijke tucht en afspraken (hij had weer boeken uitgegeven over de strijdvragen) ; 3. het verspreiden van een gevaarlijke leer (chiliasme) ; 4. openbare opstand tegen de Synode, werd de Labadie van het Avondmaal uitgesloten en ontheven van alle ambtelijke waardigheden.
Dit meerderheidsbesluit was weer een overwinning der jongeren, meerendeels Cartesianen. Du Moulin wordt door de Synode in eere hersteld, al worden zijn fouten niet ontkend.
Het oordeel over de Synode van Naarden kan niet gunstig luiden. In de zaak-Wolzogen had de Labadie principieel gelijk : hij was de eenige, die voelde, dat de gansche idee van diens boek tegen de Gereformeerde beginselen indruischte. Het is bedroevend, dat de meerderheid wèl waakte tegen chiliastische beginselen van de Labadie, maar niet tegen een leer, die de grondslagen der Kerk totaal ondermijnde.
In de zaak-Du Moulin ging de Synode eveneens verkeerd. De Labadie's houding is, zooals we die van een man van zijn geestesgesteldheid kunnen verwachten. „Schielyck in zijn resolutiën". Subjectivist in alles. Daarom, al had hij in hoofdzaak gelijk, hij is niet onschuldig aan de droevige gang van zaken.
Nadat de Naarder Synode Menuret had geschorst wegens aanmatigend optreden en het houden van conventikels in andere gemeenten, droeg ze de regeling der Middelburgsche zaken op aan de Classicale Vergadering, die 10 Oct. 1668 bijeenkwam te Middelburg. Een groote verwarring ontstaat nu, vooral door het feit, dat de magistraten de beslissing gaan beïnvloeden. 21)
De Staten van Utrecht verzochten de Middelburgsche stadsregeering de classicale besluiten mee te helpen uitvoeren. Toen echter de Classis, de heelc Middelburgsche Kerkeraad, die haar niet wilde erkennen, schorste, en een nieuwe bevestigde, die Du Moulin als haar leeraar erkende, weigerde de Stad hulp bij de uitvoering en bracht de zaak voor de Provinciale Staten van Zeeland. Deze was half vóór de Synode, half vóór de Labadie en de oude Kerkeraad.
Tenslotte steunen de Staten-Generaal de Synodale besluiten. Echter wordt bepaald, dat ook de nieuwe Kerkeraad zich zal onthouden van ambtelijk optreden. De Classis zorgt voor de predikdienst, tot de Voorjaarssynode van Dordt (1669) de eindbeslissing zal nemen. Verboden wordt aan de Ned. Gereformeerden zich met deze zaken te bemoeien of ze in bespreking te brengen op meerdere vergaderingen.
Geheel verloren was de Labadie's zaak niet. Vele vrienden van Voetius protesteerden tegen zijn afzetting en zien in hem den martelaar, wien men hoogstens heftigheid kan verwijten. De Waalsche Gemeente te Rotterdam is bereid, het op de Synode opnieuw voor hem op te nemen.
De Labadie gaat echter voort met conventikels houden, ook onder kerktijd, die 't karakter van kerk gaan dragen. De Overheid verbiedt de openbare samenkomsten, maar staat de huisgodsdienstoefeningen toe. Velen kwamen bij de Labadie en de zijnen inwonen. Dat hij zelf geheel los was van de Gereformeerde Kerken en zich vrij en verlicht voelde in eigen omgeving — de ware Gemeente — blijkt uit een brief, dien hij 1 Jan. 1669 naar een Independent schrijft (Goeters, p. 237).
„Onze vergadering telt 300 waarachtig uitverkoren menschen". Wij dulden geen opschik of weelde. We willen ware Gemeenten stichten, geen naamkerken". 22)
Hier ligt in beginsel de breuk met de Voetianen. Voor de Labadie is het conventikel geen middel meer tot opbouwing der gevallen Kerk, het is einddoel geworden.
In zijn „Christelijke verklaring" (Declaration Chrétienne) snijdt hij eigenlijk ook publiek de band met de Waalsche Synode door.
Op de Synode te Dordt (Maart 1669) wordt de zaak ten laatste beslist. De Labadie en de zijnen willen vóór alles de zaak-Wolzogen behandeld zien, omdat ze in die kwestie vele medestanders hadden. De Synode besloot, na een vierdaagschq bespreking, éérst de Middelburgers over de andere punten te ondervragen.
Nu de Labadie in de positie van een beschuldigde is gedrongen, vertrekt hij. Bij de beschuldigingen der vorige Synode ^^), komt nu nog : a. separatisme (afscheidingsbeginselen in zijn brief van 1 Jan. en zijn „Verklaring") ; b. pogingen om elders, bijv. in Utrecht, 'n partij te stichten. De eindbeslissing valt : „De Labadie wordt op grond hiervan afgezet en afgehouden van het Avondmaal”.
Evenzoo zijn vrienden Yvon, du Lignon en Menuret. Du Moulin en de nieuwe Kerkeraad zijn de wettige ambtsdragers. Scherp waarschuwt de Synode tegen de Labadistische scheuring en verzoekt de Overheid het conventikels houden en verspreiden van geschriften tegen te gaan.
De Middelburgsche regeering echter is heelemaal niet tevreden en laat toe, dat de Labadie Zondag 6 April weer in de kerk preekt. Yvon reist naar Den Haag om de Staten-Generaal om tusschenkomst te verzoeken. Een commissie wordt daartoe benoemd, maar de hoop wordt verijdeld door het optreden van Johan de Witt.
Zondag 13 April 1669, een Avondmaalszondag, zal de Labadie's vonnis plechtig in de Waalsche Kerk worden afgekondigd. Dat wil de Labadie verhinderen en om 6 uur dringt hij met zijn vrienden het kerkgebouw binnen en houdt daar een Avondmaalspreek over i Cor. 10 vers 13—17. Breed ging hij in op de vijandschap, die de Gemeente ondervindt. Ondertusschen kwamen onder rumoer de kerkgangers voor de morgendienst binnen. Kalm las de Labadie vervolgens het Avondmaalsformulier. Hij excommuniceerde allen, die „zich afscheidden van de eenheid des geloofs en der genade Christi" en „die anderen verdoemen, die aan deze genade, die de eenheid van Geest en Woord vasthouden”.
„Wij blijven aan de ware Gereformeerde Kerk" — verklaarde hij.
In feite scheidt hij zich dus af van de Waalsche Kerken, niet alleen-van hen, die de leer van Wolzogen aanhangen, maar ook van die dat laten begaan en hem veroordeelen. 24)
Dat hij hiermee eigen lot heeft beslist, blijkt uit het onmiddellijk ingrijpen der Overheid. De kansel werd hem verboden, evenals alle conventikel houden, terwijl streng tegen overtreding werd gewaakt. Voor de Labadie was het verder arbeiden in Middelburg nu onmogelijk. De Oranjestad, Veere, bolwerk der Voetianen, noodigt hem over te komen als leeraar voor een te stichten Waalsche Gemeente. De Labadie en Yvon werden predikanten der nieuwe, Waalsche Gemeente, die los stond van de Synode. Veere beleefde een tijdelijke bloei, omdat vele aanzienlijken de Labadie volgden. Moeilijkheden tusschen Veere en Middelburg hierover, leidden er toe, dat de Staten van Zeeland de Labadie verbanden. Veere weigert hem te laten gaan en wil zelfs met geweld zich verzetten tegen de Staten (tot ongenoegen van den Markgraaf van Veere, de jonge Willem III). Dan treedt de Labadie zelf op. Hij wil geen geweld voor Gods zaak. „Hij ziet, dat de Heere hem wegroept" ^^) Hier zien we de Labadie van een heel anderen kant : man des vredes, ondanks alles geen behagen scheppend in strijd. Met de zijnen vertrekt hij naar Amsterdam, begunstigd door de dochter van den machtigen burgemeester Koenraad van Beuningen.
Hier begint de geschiedenis der Huisgemeente, waarover later.
Nu gaat de Labadie, geholpen en beïnvloed door Yvon, zijn beginselen uitwerken en onomwonden uitspreken. „Voortaan worden slechts opgenomen, diegenen, die bij nauwkeurige beproeving zekere kenmerken van hun ware godzaligheid vertoonen. Menschen, die volkomen zichzelf en der wereld zijn afgestorven". Reformatie der Kerk is niet meer mogelijk. Te veel onkruid is daar. Het is Christenplicht, zich uit de verwereldlijkte Gereformeerde Kerken terug te trekken. Men moet zich aansluiten bij de Huisgemeente of haar dochtergemeenten : dat is de ware „Gereformeerde Kerk, afgezonderd van de wereld".


19) Men zie bij in A. C. Duker : Gijsb. Voetius II eens, wat een groote waarde Voetius hecht aan de „oude wijsbegeerte" van Aristoteles als een fundament voor de theologie en de Kerk.
20) Heel duidelijk betoogt prof. Severijn dit op pag. 48 e.v. van zijn proefschrift „Spinoza”.
21) Er wordt wel eens gemeend dat de verhouding Kerk—Staat in de 17e eeuw vrij goed was. Men wil dan dit vraagstuk als simpel voorstellen. Wie deze en andere kerkelijke conflicten beziet, gaat wel anders denken. Denk bijv. aan a Brakel, Koelman, enz.
22) Uit deze belangrijke brief blijkt voorts : a. Dat de Labadie voor zijn Gemeente betrekkingen zoekt met independentengroepen ; b. dat de leer van de „kenbaarheid der wedergeborenen" grondslag is voor zijn, „ware .Kerk". .Deze leer, die tegen Schrift en Belijdenis indruischt, en ook bijv. door Koelman (Der Labadisten dwalingen, pag. 56, 135 enz.) wordt verworpen, wordt door Schortinghuis weer verdedigd in zijn „Innig Christendom”.
23) De Synode rept niet meer bij het vonnis over het boek van Wolzogen.
24) Scherp steekt hiertegen af de houding van Koelman, die, zelf afgezet, toch de Kerk trouw bleef. (Zie dr. A. F. Krull's boek). Men vergelijke met de L.'s woorden, de Afscheidingsacte van Doeveren, (1834).
25) Men leze de aangrijpende beschrijving van dit alles in van Berkum, deel I.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Jean de Labadie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's