RONDOM DE LEESTAFEL
Antirevolutionaire Staatkunde, uitgave van de dr. Kuyper-Stichting, te Den Haag. J. H. Kok te Kampen.
Antirevolutionaire Staatkunde is een voornaam tijdschrift. Daarvoor zorgt de drukkerij van den heer Kok en daarvoor zorgt de uitgebreide redactie. Voor ons ligt op 't oogenblik de driemaandelijksche aflevering, derde kwartaal 1938. Een lijvig boekwerk. Het eerste artikel (2de stuk en slot) handelt over : Echtscheiding, en is geschreven door mr. J. van Andel Gzn. (blz. 243—283). Dan volgt een heel belangrijke studie van de hand van dr. Gezina H. J. van der Molen, de pas gepromoveerde docteres, dochter van het oud-lid der Tweede Kamer, den heer J. van der Molen te Den Haag. Mej. Van der Molen schrijft over het hedendaagsche volkenrecht, en dan wel over den Calvinist Albericus Gentilis, die als grondlegger van het hedendaagsche volkenrecht beschouwd moet worden. „Eeuwen lang heeft men Hugo de Groot beschouwd als de grondlegger van het moderne volkenrecht, dat door zijn meesterhand als 't ware uit het niet zou zijn te voorschijn getooverd. Hij werd verheerlijkt als de vader van de universaliteitsgedachte, die de onderlinge verbondenheid der volkeren vooronderstelt. Hij gold als de profeet, wiens zienersoog een nieuwe wereldgemeenschap aanschouwde, waarin het geweld slechts in dienst zou staan van het recht. De onderscheiding in rechtvaardige en onrechtvaardige oorlogen werd langen tijd als zijn bijzondere verdienste aangemerkt. Eerst bij De Groot zou van een volkenrecht in de huidige beteekenis spake zijn, eerst bij hem zou de overgang van het oude „jus gentium" der Romeinen naar het nieuwe „jus inter gentes" op markante wijze tot uiting zijn gekomen. In het bijzonder werd een scherpe tegenstelling gezien tusschen De Groot en de Middeleeuwsche schrijvers over oorlogsrecht. De eerste zou zijn theorie opgebouwd hebben op een altruïstisch-universeelen grondslag, terwijl zijn voorgangers zich meer in individualistisch en nationaal-egoïstisch standpunt gesteld zouden hebben". „Zonder aan de eminente verdiensten van De Groot's werk tekort te doen, mag aan hem de eeretitel van „grondlegger van het moderne volkenrecht" toch slechts onder voorbehoud worden toegekend". „Wie de oorsprong" van het huidige volkenrecht zoekt in de verschijning van Hugo de Groot's „De jure Belli ac Pacis", maakt zich schuldig aan kortzichtigheid en verwaarloozing van het historisch perspectief". „Niet mag worden vergeten, dat een heele reeks van voorgangers hem den weg hebben bereid. Zij hebben niet alleen de grondstoffen verzameld, waaruit het nieuwe gebouw moest worden opgetrokken, doch legden daarvan reeds de stevig gefundeerde grondslagen. Het stelsel, door De Groot in zijn magistraal werk ontwikkeld, is niet de schepping van zijn gemalen geest, doch een ordenen van de door practijk en theorie aangegeven richtlijnen tot een min of meer systematisch geheel". De Groot heeft dan ook volstrekt niet „het monopolie van uitvinder van het volkenrecht" te zijn. En waar er nu vooral in den laatsten tijd zich een sterke neiging openbaart „om de Roomsch-Katholieke voorgangers van onzen landgenoot tot de ware ontdekkers van het volkenrecht te proclameeren" — met name de Dominicaan Vitoria en de Jezuïet Suarez — daar acht dr. Gezina van der Molen zich gelukkig, te kunnen aantoonen, dat hier vooral in aanmerking komt een Italiaansch Calvinist, en wel Albericus Gentilis. „Met alle waardeering voor het werk van Vitoria, Suarez, en wie verder tot de Spaansche rechtsschool mogen behooren, zoo valt toch niet te ontkennen, dat het Gentilis is geweest, die De Groot voornamelijk het materiaal heeft geleverd, waaruit hij zijn stelsel kon opbouwen". „Een nadere beschouwing van beider werk toont duidelijk de nauwe verwantschap tusschen hen aan". „Trouwens De Groot erkent zelf veel aan Gentilis te danken te hebben" en de oplettende lezer bemerkt, dat hij dan nog méér aan hem te danken heeft, dan De Groot zegt en erkent ! En „het loont de moeite, na te gaan welke waarde het werk van den eersten Protestantschen rechtsgeleerde voor de ontwikkeling van de volkenrechtswetenschap bezit”.
Dr. van der Molen geeft dan eerst een buitengewoon interessante levensschets van den Italiaanschen Calvinist (let "eens op die combinatie !). Zij volgt den gang van het Protestantisme in Italië. „In Rome zelf was het aantal ketters groot". „Er was voor den jongen Alberico alle gelegenheid om met de nieuwe leer in aanraking te komen ; niet het minst aan de Universiteit van Perugia, waar Duitsche studenten de nieuwe leer verbreid hadden". „In het jaar 1579 viel de aandacht der Heilige Inquisitie op de familie Gentili, en er was slechts één middel om aan een wissen ondergang te ontkomen : de vlucht over de grenzen". Alberico komt dan in Engeland, daarna in Wittenberg, wordt tot hoogleeraar benoemd te Oxford, waar voor hem een nieuwe periode van vruchtbaren, wetenschappelijken arbeid begint. Behalve het jus civile heeft dan ook het jus gentium zijn aandacht. In 1589 publiceert hij zijn drie commentaren op het recht van oorlog en legt daarmee den grondslag voor het werk, dat zijn roem bij het nageslacht zou vestigen. Negen jaar later, verscheen „De jure Belli” enz.
Over zijn „publicaties op het gebied van het volkenrecht" handelt dr. Van der Molen dan verder (a. het gezantschapsrecht ; b. het recht van oorlog en vrede, met de conclusie van Gentilis „een oorlog kan niet rechtvaardig zijn, tenzij hij noodzakelijk is" en „hij die tracht een rechterlijke uitspraak te vermijden, heeft geen vertrouwen in zijn eigen zaak", (bladz. 303).
„Een der mooiste passages uit het werk van Gentilis is gewijd aan de bestrijding van den godsdienstoorlog. Met overtuigingskracht toont hij aan, dat verschil in godsdienst nooit een rechtvaardigingsgrond voor oorlog kan zijn". „Indien de godsdienst zoodanig van aard is, dat hij aan niemand tegen zijn wil behoort te worden opgedrongen, en indien een propaganda, die het geloof door slagen afdwingt, iets vreemds en ongehoords genoemd wordt, dan volgt daaruit, dat geweld in verband met den godsdienst onrechtvaardig is. Onze geest en alles wat tot onzen geest behoort, wordt niet beïnvloed door eenige uitwendige macht of machthebber, en de ziel heeft geen anderen heer dan God, die alleen de ziel kan verderven. Godsdienst is een zaak van den geest en van den wil, die altijd samengaat met vrijheid. De godsdienst is een soort van huwelijk van God met den mensch" (blz. 305).
Dr. van der Molen geeft onder c. enkele kwesties van zeerecht en neutraliteit (blz. 317—319) en onder d. samenvatting (blz. 319—324).
Al was 't alléén maar om de studie van dr. Gezina van der Molen, is deze aflevering van Antirevolutionaire Staatkunde hartelijk ter lezing aan te bevelen. Maar er staat véél méér in deze aflevering. Want we noemden reeds het artikel van mr. Van Andel ; maar er volgt ook nog een artikel van dr. J. R. Stellinga over: „Het gezag van het gewijsde enz.", en verder nog een artikel van J. M. Zwart over : „Openbaar en Bizonder inheemsch lager onderwijs op Java in de eerste helft der vorige eeuw”.
Wij bevelen dit belangrijke tijdschrift, uitgave van de dr. Kuyper-Stichting, hartelijk aan. We hebben hier uitnemend studiemateriaal voor jongeren en ouderen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's