De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT CALVIJN ONS LEERT

10 minuten leestijd

Vrijheid en dienstbaarheid van de wet.
Geen vrije wil ten goede dan door de genade geholpen Ook deze uitdrukking kan nog een misverstand inhouden, waartegen Calvijn waarschuwen wil. Het is toch mogelijk, dat men nog een zwakke kracht aan den mensch toeschrijft, dip hoewel onvoldoende op zichzelf het goede te doen met ondersteuning der genade daartoe bekwaam zou zijn.
Neen, zegt Calvijn ook zelfs die zulk een zwakke kracht aan den mensch toekennen, schrijven hem nog te veel toe, want dan zou hij toch nog een deel in het werk hebben. Hij wijst daarbij op de verklaring van Lombardus, een van de voorname theologen der middeleeuwsche Kerk, over de tweeërlei genade, welke noodig is om tot goede werken bekwaam gemaakt te worden, t.w. de werkende en dé medewerkende genade.
De werkende genade zou teweeg brengen, dat wij krachtig willen, terwijl dan de medewerkende genade de goede wil zou volgen om dien te helpen. Calvijn stoot zich vooreerst aan 't woord krachtig daarin genoemd. Immers als de genade uitwerkt, dat men krachtig wil, dan is het zwakke willen ten goede toch bij den mensch, zoodat er in zijn natuur nog wat goeds overgebleven zou zijn.
Op gelijke wijze wordt ook door anderen geleerd, dat er nog eenige goede begeerte bij den mensch zou aanwezig zijn. Dientengevolge keurt Calvijn ook het tweede lid van de medewerkende genade af. Immers als de genade alleen als een medewerkende kraeht wordt erkend, blijft over, dat de mensch de eerste genade zou kunnen verwerpen of aannemen. Indien dat zoo ware, zou er nog een verdienste van den mensch zijn, n. l. daarin, dat hij de genade niet verwerpt, maar volgt. Deze gehoorzaamheid zou een menschelijke weldaad zijn, hoewel zij een werk van den Heiligen Geest is.
Calvijn wil door deze voorbeelden laten zien, dat hij het met deze schrijvers en leeraren niet eens is. Ondertusschen zijn de latere leeraren der kerk nog veel verder gegaan, zoodat hij daarover maar niet eens spreken wil. Wat is eigenlijk de bedoeling van Lombardus?
Hij zegt: wij hebben een vriien wil, doch wèl verstaan, niet in den zin, dat wij naar ons goeddunken goed en kwaad vermogen te doen. Met de vrijheid bedoelt Lombardus vrijheid van dwang, d.w.z. : een mensch doet het werktuigelijk, wat hij doet, en staat niet onder een wet van noodzakelijkheid.
Hij geeft wel toe, dat wij boos en dienstknechten der zonde zijn, en dat wij niet anders kunnen dan zondigen, maar desondanks wordt de mensch niet gedwongen om kwaad te doen. Hij doet het kwade willens en wetens.
Dit laatste is zeker juist, en Calvijn geeft dat ook grif toe. Maar waartoe kan dat nu nuttig zijn, zoo vraagt hij, om zulk een kleine zaak zoo hoog op te vijzelen en hier nog te spreken van een vrijen wil ? Dan wordt hij zelfs ironisch. Een mooie vrijheid ! Een mensch wordt niet gedwongen om de zonde te dienen, maar intusschen is hij een gewillig dienstknecht der zonde, zoodat zijn wil in haar boeien gesloten is.
Een vrije wil in boeien gesloten ! Het lijkt er op, of men een man in de gevangenis roemt als een vrijen. Dat is toch een ongerijmdheid. Wat spreekt men dan nog van een vrijen wil ? Het is bovendien misleidend. Want de menschen, die zulke redeneeringen hooren, verstaan daaruit lichtelijk, dat de mensch zijn verstand en wil in zijn macht heeft, zoodat hij naar eigen goeddunken goed en kwaad kan kiezen.
De menschen trekken uit één woordje meer dwaling, dan waarheid uit lange verklaringen. Daarom moet men zoo niet spreken.
Augustinus zegt ronduit, dat de wil van den mensch slaafsch is. Wanneer hij over den vrijen wil spreekt, doet hij dat om de menschen de onschuld te ontnemen.
Daarnaast wijst hij er op, dat de wil van den mensch niet vrij is zonder den Heiligen Geest. De mensch heeft zijn vrijen wil verloren, sedert de zonde aanving hem te overheerschen. Hij heeft zijn vrijheid verkeerd gebruikt en met haar zijn heerlijkheid ingeboet. De vrije wil is gevangen geleid en heeft geen vermogen tot gerechtigheid.
Verder: dat Gods gerechtigheid volbracht wordt, niet wanneer de Wet gebiedt en de mensch als door zijn eigen krachten werkt, maar, wanneer de Heilige Geest hem bijstand geeft en des menschen niet vrije, maar door God vrij gemaakte, wil gehoorzaamheid brengt.
Met deze en andere woorden van Augustinus toont Calvijn aan, dat hij in dit stuk een zuivere leer verkondigd heeft. Het is trouwens bekend, dat Augustinus juist over dit belangrijke stuk een heftigen strijd heeft gevoerd met degenen, die den mensch een vrijen wil toeschreven en die onder aanvoering van Pelagius beroering in de kerk van zijn dagen teweeg brachten. Ook Augustinus spot over de vrijheid, welke zijn tegenstanders roemen, daar de wil wel vrij is, n.l. van de gerechtigheid en een dienstknecht der zonde. Elders zegt hij : de mensch is vrij van de gerechtigheid door het goeddunken van zijn wil en vrij van de zonde door de genade van den Zaligmaker.
Daarom zegt Calvijn, indien iemand over de vrijheid van den mensch wil spreken, laat hij dan spreken over zijn vrijheid van gerechtigheid, d.w.z. dat hij is ontbonden van zijn oorspronkelijke gerechtigheid. Het is echter beter, om maar niet van de vrijheid te spreken.
Calvijn wil niet den schijn op zich laden, alsof er met uitzondering dan van Augustinus door de oude leeraren niets goeds zou. gezegd zijn, al zijn zij op het stuk van den vrijen wil onzeker.
Daarom noemt hij ook andere uitingen, waarbij de gansche lof van alle goed aan den Heiligen Geest .vordt opgedragen. Het is niet noodig, deze te herhalen. Calvijn stond zooveel dichter bij deze schrijvers, die gezag hadden, althans in hoog aanzien stonden of gestaan hadden in de kerk, waarin hij met al degenen, die evenals hij gezind waren, geboren was. Groot waren de gebreken en de breuk met het Pausdom was geslagen, maar daarom verachtte Calvijn niet het licht, dat God door de eeuwen heen aan haar leeraren geschonken had.
Hij wijst op de gebreken, omdat hij geen ander oogmerk heeft dan het belang van de godvruchtige zielen te dienen. En waarom hij zoo oordeelt, verklaart hij een eindweegs verder in ander verband. Calvijn weet zeer wel, dat er geen kennis der waarheid, noch licht onder de menschen is, dan alleen van den Heiligen Geest. Wie dat licht veracht, veracht niet de menschen, wien dat gegeven werd, maar Hem, die het gaf.
Omdat hij zelfs den schijn daaraan niet wil wekken wijst hij ook op een reeks van uitspraken, die het getuigenis der waarheid beter vertolken.
Wanneer de leeraren der oude kerk zich bewegen op het gebied der vraagstukken als de menschelijke vrijheid, zijn zij veelal aan het disputeeren met den geest van de eeuw, waarin zij leefden. Zij bewogen zich op het gebied van de wijsbegeerte. Daarbij slopen dus gemakkelijk wijsgeerige gedachten ook in hun dogmatische en ethische beschouwingen in. Geheel anders echter, wanneer zij vanuit het religieuse leven spreken en Schriftverklaring geven.
Uit den aard der zaak bleven zij dan dichter bij de Bron.
Zoo is het begrijpelijk, dat Calvijn ook op zuiverder klanken kan wijzen. Dit neemt echter niet weg, dat de theologie van de oude en middeleeuwsche kerk een tweeslachtig karakter draagt.
Het blijkt ook na de reformatie, dat de zuivere leer voortdurend bedreigd wordt door valsche inkruipsels van buiten.
Verder komt Calvijn op de zelfkennis. Daarmede is hij in den aanvang begonnen : Godskennis en zelfkennis. Hoe meer iemand door het gevoelen van zijn ellende, armoede, naaktheid en schande verootmoedigd is, zooveel te meer is hij gevorderd in zelfkennis.
Vrees, dat iemand zich te veel zal ontnemen, is er niet. De mensch moet echter leeren, dat de vervulling van al zijn gebrek in God kan gevonden worden Boven hetgeen hem toekomt, kan hij zich niet toeëigenen, of hij verderft zich door ijdele hoovaardij en maakt zich schuldig aan gruwelijke goddeloosheid.
Het verlangen om iets als ons eigen goed te hebben, dat meer in ons dan in God zou gelegen zijn, is een booze begeerte, welke ons door dienzelfden verleider wordt ingeblazen, die Adam en Eva er toe gebracht heeft als God te willen zijn. Laat ons daarom aan zulke duivelsche inblazingen geen plaats geven.
Het is wel aangenaam voor den mensch zich zooveel macht toe te schrijven, dat wij op ons zelf kunnen staan, doch men late zich weerhouden door zoo vele duidelijke uitspraken der Heilige Schrift: Vervloekt is een iegelijk die op een mensch vertrouwt en vleesch tot zijn arm stelt en wiens hart van den Heere afwijkt. (Jer. 17 vs. 5). De Heere heeft geen welgevallen aan de sterkte des paards en aan de beenen eens mans. (Ps. 147 vs. 10).
Maar de Heere heeft een welgevallen aan degenen, die Hem vreezen, die op Zijn goedertierenheid hopen. Hij geeft den moeden kracht en Hij vermenigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft. De jongen zullen moede en mat worden en. de jongelingen zullen gewisselijk vallen. Maar die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen. (Jesaja 40 vers 29—31). Daaruit kan men leeren, dat men niet moet steunen op eigen kracht, zoo men God tot een vriend wil hebben, want God wederstaat de hoovaardigen. (Jac. 4 vs. 6). Voorts noemt Calvijn verschillende beloften, als : Ik zal water gieten op den dorstige (Jesaja 44 vers 3). Komt tot de wateren, alle gij dorstigen. (Jesaja 55 vs. 1). Daaruit blijkt, dat er voor den arme verwachting is en niet voor degenen, die rijk in zich zelf zijn.
Merkwaardig is hetgeen Calvijn zegt naar aanleiding van Jesaja 60 vers 19 : De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags en tot een glans zal u de maan niet lichten, maar de Heere zal u wezen tot een eeuwig Licht en uw God tot een Sierlijkheid.
De Heere neemt de glans van de zon en maan niet weg; maar wil niet, dat wij ook daarop vertrouwen, doch alleen op Zijn heerlijkheid. Wat is het voornaamste in de Christelijke religie ? Calvijn, in navolging van Augustinus, antwoordt: ootmoed. En dan het tweede ? Ootmoed. En het derde ? Ootmoed. Ootmoed is het eerste en het laatste. En welk een ootmoed? Niet is bedoeld de eenvoudigheid, waarmede men het goede draagt, hetwelk men bij zich zelf meent te kunnen ontdekken.. Bedoeld wordt, dat iemand geen andere toevlucht heeft dan de ootmoed, omdat een mensch niets van zich zelf heeft dan zonde. De zonde behoort ons, de gerechtigheid Gode. Wat zal men hoog opgeven van de menschelijke natuur ?
Zij is geschonden, gewond en verdorven. Wanneer iemand dat toegeeft, zijn de wapenen der goddeloosheid verbroken. En dat is noodig. Nog vele woorden meer haalt Calvijn aan uit Augustinus, om aan te toonen, dat wij alleen door de barmhartigheid Gods kunnen staan.
Onze nederigheid is Zijn hoogheid en de i belijdenis van onze geringheid vindt Zijn mededoogen tot hulp bereid. Calvijn voegt daaraan echter een waarschuwing toe, die wij wel ter harte mogen nemen.
Wanneer iemand van zijn nietigheid niet overtuigd is, moet hij niet wijken. Wanneer hij meent iets te hebben, moet hij zijn gemoed niet afwenden van zijn vermogen, om tot ware nederigheid te komen. Dit is duidelijk, want waar geen overtuiging is, is geen waarachtigheid. Maar wat dan ?
Dat hij de ziekte van zelfzucht en twistgierigheid aflegge, is eisch, en zich in den waren spiegel der Heilige Schrift waarneme en onderzoeke.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT CALVIJN ONS LEERT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's