KERKELIJKE RONDSCHOUW
CHRISTENDOM EN CULTUUR
Velen kunnen zoo minachtend spreken over het Christendom — terwijl dan de cultuur hemelhoog wordt geprezen. Maar zijn het niet veelal „woorden" zonder „daden" bij die lofprijzers der cultuur, terwijl bij het Christendom niet zelden de daden worden gevonden ?
Waar wist b.v. de revolutie-geest zich in den loop der jaren een eigen cultuurleven op te bouwen ? En heeft het Christendom door de eeuwen z'n sporen niet nagelaten, velen tot zegen en tot omkeering van heel het leven der wereld ?
Wij nemen hier over een artikel, dat we vonden in de Arnhemsche Post, handelend over deze belangrijke aangelegenheid : Het getal dergenen, die als „redders" der menschheid poseeren is vooral in dezen tijd van veelsoortige verwarring, gansch zeer groot.
Onze tijd is een tijd van geestelijke kwakzalverij !
En geen wonder. In troebel water is 't nu eenmaal goed visschen.
De neergaande conjunctuur ontneemt schier alle uitzicht op een betere toekomst. Op allerlei gebied worden teleurgestelde verwachtingen geboekt.
En als de vraag aller tijden weerklinkt : „wie zal ons het goede doen zien ? " staan er tal van geesten op, die noodend en wenkend uitroepen : hier is uw heil ; wij wijzen u den weg naar een „betere" toekomst !
Menigeen raakt onder de bekoring van het „nieuwe", vooral de jeugd, die spoedig spreekt van „oude en afgetreden paden". Vandaar dat in dezen tijd gezien wordt een speculeeren op iets „nieuws", iets „anders dan anders", onder de leus : het oude heeft afgedaan.
Er is een wijze van optreden, welke haar kracht zoekt in de suggestie der menigte, dat men het monopolie heeft van het maatschappelijk remedie, dat uit de duisternis van het heden voert naar het licht der toekomst. Het is te begrijpen, dat bij dergelijk optreden het Christendom altoos het loodje moet leggen.
Er zijn geen predikers van iets „nieuws", of het Christelijk beginsel heeft bij hen afgedaan. Het heet dan, dat de oude Bijbel toch ook niet den sleutel der wijsheid bracht, en dat „twintig eeuwen van Christendom" de menschheid nóg niet het paradijs binnenleidden.
Bekend is, hoe met name de revolutionair zijn propaganda-lied steeds op deze snaar placht te tokkelen.
De oppervlakkigheid dezer bewering springt echter te zeer in het oog, dan dat men er onzerzijds ernstig op behoeft in te gaan. Immers staat 't zoo, dat heel het Westersch cultuurleven opgebouwd is op de geestelijke en zedelijke grondslagen, door het Christendom gelegd.
Dit historische feit valt niet te loochenen. De zedelijke en cultureele waarde van het Christendom is zelfs door apostelen des ongeloof s — denk b.v. aan den groeten wijsgeer Kant — openlijk erkend.
Zoo min echter de grondslag beslissend is voor de architectuur van het opgetrokken gebouw — men kan op een goed fundament wel een slecht-ingericht huis bouwen ! — zóó min is het Christendom verantwoordelijk voor een cultuur, die de resultante is van allerlei heterogene krachten, welke de geestelijke en zedelijke mentaliteit van ons volksleven beïnvloeden.
Het is wel een merkwaardige zèlfwegcijfering en ontkenning van eigen invloedssfeer, wanneer men van de zijde des ongeloofs gereed staat, om bij de teleurstellende resultaten van het hedendaagsche cultuurleven uit te roepen-: ziedaar nu de vrucht van het Christendom !
Hier moeten we het ongeloof tegen zichzelf in bescherming nemen !
We kunnen dergelijke zelfnegatie niet aanvaarden en zeggen daarom : uw invloed, o ongeloof, is toch niet zoo gering en onbeduidend als ge zélf wilt doen voorkomen. Ge hebt in den loop der jaren heusch wel wat bereikt! Ge hebt niet alleen het uitwendige van ons gemeenschapshuis gewijzigd, zoodat de architectuur een kakelbonten indruk maakt, maar ge hebt ook aan de grondslagen van ons volksleven gewrikt en steen na steen losgeslagen, dien vervangende door baksel van eigen makelij !
Waar dit revolutionaire werk sinds het einde der 18ste eeuw systematisch plaats greep en niet zonder resultaat bleef, kan, niet zonder meer geroemd worden in een „Christelijke" samenleving. Slechts in betrekkelijken zin is dit juist !
Bekend is, hoe met name de revolutionair weet te smalen op de „Christelijke" samenleving, waarvan hij allerlei gebrek en jammer weet te verhalen, om dan alle ellende te brengen ten laste van „het Christendom" en zichzelf den volke voor te stellen als gansch onschuldig aan het wereldbeeld.
Van ootmoed en beminnelijke naïeviteit zoude zulks getuigen, ware 't niet, dat anderzijds de revolutionair gereed staat om al het „goede", dat tot stand komt, op zijn creditzijde te boeken, waarmede hij eerstens erkent, dat hij dan toch invloed uitoefent op sociaal en cultureel gebied, en tweedens tevens bewijst, dat hij in zelf inbeelding zich boven allen verheft !
Op z'n minst kon men van de overzijde een open oog hebben voor den zegen, die in het Christendom ons volksleven toekwam, waar men toch, dank zij de Christelijke cultuur, zijn ongeloofstheorieën kan propageeren ! Onder de ongecultiveerde Kaffers en Hottentotten is voor de werfagenten der roode vaan geen plaats !
Eerst als het Christendom zijn intrede heeft gedaan en de Christelijke cultuur ingang heeft gevonden, poogt men de — dank zij de Christelijke cultuur ! — „ontwaakte" volkeren in revolutionairen zin te beïnvloeden en zelfs tegen het Christendom op te zetten.
Hier blijkt duidelijk de armoede van het ongeloof en de negatie van den revolutiegeest, die slechts kunnen afbreken in plaats van constructief een eigen cultuurleven op te bouwen !
Zie naar hetgeen de Christelijke Zending tot stand bracht in de gekerstende Minahassa op Celebes !
Wat heeft de revolutionair gedaan voor het heil van den Javaan, om alleen maar bij ons eigen Indië te blijven ?
Wie heeft in het heidenland scholen gesticht en hospitalen gebouwd, met opoffering van tonnen gouds, moeizaam bijeengegaard en gespaard door de eenvoudigen en „armen naar de wereld” ?
En wie hebben met volle toewijding ; met opoffering van comfort en vermaken ; met soms jarenlange isoleering van de „bewoonde wereld" ; menigmaal zelfs ten koste van hun leven ; zich aan den „bruinen broeder" gegeven, — belangeloos ?
Dat zijn de mannen en vrouwen, wier namen zelfs de wereld niet kent ; die voor geen Nobelprijs ooit in aanmerking kwamen ; maar, uit het Christelijk geloof levende, alleen gedreven werden door de liefde tot den Christus en den naaste.
Waar zijn de scholen, de ziekenhuizen, de gestichten voor ouden van dagen en invaliden, de tehuizen voor het verlorene en verwaarloosde, door het ongeloof gebouwd en in stand gehouden ?
Wat de naamloozen, die zich gegeven hebben aan de Christelijke cultuur — in den breedsten zin des woords — met opoffering van eigen genot en gewin gedaan hebben, blijft een moment van toewijding, getuigend van liefde en itrouw voor de heilige zaak van Christus, onzen Koning ; allen hoon van het ongeloof ten spijt !
DE BIJBEL OP DE OPENBARE MULO-SCHOLEN?
Heel vroeger, bijna anderhalve eeuw geleden, heette het, dat gegeven moest worden „algemeen christelijk onderwijs van overheidswege, en verzorging van het catechetische door de afzonderlijke Kerkgenootschappen". Maar — zoo lezen we in „Kerk en Wereld" het orgaan van de Vrijz. Protestanten — in die anderhalve eeuw na de Fransche revolutie is het „algemeen christelijk" karakter van ons openbaar lager onderwijs in vele milieu's ten onzent verloochend en ontkend, niet 't minst door de openbare onderwijzers zelf. De catechetische verzorging door de afzonderlijke Kerkgenootschappen is onze jeugd door al die jaren wel blijven aangeboden geworden, maar de qualificatie van ons openbaar onderwijs met „algemeen christelijk" heeft het moeten afleggen tegen zekere opvatting van het begrip , , neutraliteit". Hiermee hangt samen de kwestie : „de Bijbel en de openbare school”.
Deze kwestie is nu weer op den voorgrond gekomen in den kring van de onderwijzers aan de openbare U.L.O.-scholen. Daar is in '37 een Commissie benoemd om het onderwerp : „Bijbelkennis op de U.L.O.-school" in studie te nemen ; en die Commissie heeft nu een Rapport uitgebracht, dat gepubliceerd is.
De Voorzitter zei in de installatie-rede indertijd „dat ons geheele openbaar onderwijs het beginsel der godsdienstige neutraliteit al te consequent heeft doorgevoerd". En in de opdracht aan de Commissie werd genoemd : a. bijbelonderwijs als leervak, b. occasioneel bijbelonderwijs ; het aanbrengen van parate kennis, enz.
In het Rapport, dat nu verschenen is, komt men tot de volgende conclusies :
1. Het is gewenscht, dat op del openbare school bijbelkennis wordt aangebracht met het doel, iets te leeren verstaan van de beteekenis van den Bijbel.
2. Het is gewenscht dat de leerstof en de tijd voor lezen ten deele door dit doel bestemd wordt en bij' geschiedenis, Nederlandsch en aardijkskunde met het in 1 genoemde doel wordt rekening gehouden.
3. Bovenbedoeld onderwijs is — behoudens het bij 2 (lezen) genoemde, occasioneel, maar niet facultatief.
4. Het is noodzakelijk, dat bij de opleiding der openbare onderwijzers grondige kennis van den Bijbel wordt bijgebracht.
5. Het is gewenscht dat de Vereeniging voor Mulo door haar orgaan geregeld wordt ingelicht over voor onze scholen bestemde stof op dit gebied en over wat collega's van hun werk kunnen meededen.
6. De Vereeniging verklare zich bereid, in gevallen, waarin dit zonder schade voor den gang van het onderwijs kan geschieden, mede te werken aan het verkrijgen van de toestemming tot het geven' van godsdienstonderwijs op grond van art. 26 door een daartoe bevoegde en bereide leerkracht, in het daarvoor uitgetrokken lesuur, zooals dit op de rooster is aangegeven.
Als supplementen geeft het Rapport een aantal boekbesprekingen van werkjes ovei den Bijbel en een vijftal artikelen over de wenschelijkheid van Bijbelonderricht van de hand der hoogleeraren Bakhuizen van den Brink, Berkelbach van den Sprenkel, de Hartog, Obbink en Sevenster.
In het Rapport is opvallend, dat gezegd wordt : van het oude neutraliteitsprincipe moeten we niets hebben ; dit leidde tot een schoolopvoeding, die zich afsloot van de bron, waaruit de godsdienstig-zedelijke en cultureele krachten eeuwenlang werden gedrenkt.
„In deze zinsnede", aldus Kerk en Wereld, „valt u ongetwijfeld op, dat bijbelkennis voor deze Commissie niet slechts cultureele waarde heeft, hulpmiddel is voor het verstaan der Nederlandsche taal, letterkunde, geschiedenis en volksaard — maar ook zedelijk en godsdienstig wordt gewaardeerd." „Hoor, hoe de rapporteur — zijn verslag werd in de Commissie met algemeene stemmen goedgekeurd ! — over den Bijbel spreekt : „de verhouding van God tot den mensch is de roode draad, die door het Boek der boeken loopt en het tot een éénheid maakt". En lees over; den aard van het gewenschte onderwijs dit : „de eerbied, die zich in eenvoud en ernst bewust is mee te werken aan de openbaring van het Licht, dat door het woord uit God mag schijnen in de wereld, vormt de toon en schept de vereischte sfeer”.
De heer K. Hoog, in „Kerk en Wereld" (zelf onderwijzer bij het M.U.L.O. zijnde) zegt verder : „Het zal van belang zijn, de geschiedenis van dit Rapport te volgen : zal een algemeene vergadering een er vrij talrijke groep van openbare onderwijzers het ongewijzigd durven aanvaarden ? De stap van de „negatieve" naar de „positieve" neutraliteit zou den wel heel groot zijn”.
Dat die „positieve" neutraliteit (wat is dat, vragen wij ? ) niet in strijd zou wezen met onze onderwijswet, speciaal met art. 42 daarvan, wordt — aldus de heer K. Hoog — op zeer knappe wijze uit de wordingsgeschiedenis van art. 42 aangetoond, door het commissielid, den heer D. Rooker, die uit het Kamerdebat over de wet van 1857 een positieve opdracht aan den onderwijzer leest om algemeen christelijk onderwijs te geven”.
Hier schijnt dus „positieve" neutraliteit te zijn : geen positief christelijk, maar algemeen christelijk onderwijs op de openbare school ? En is dat „algemeen christelijk onderwijs" dan, wat men vroeger noemde : de openbare school een secteschool van het modernisme ? Men schijnt zich bewust te worden, dat het met de openbare school niet goed gaat, maar men schijnt den weg van de School met den Bijbel niet op te willen. En nu wringt men wat en waar men kan — maar de rechte weg wil men niet zien en begeert men niet.
Omdat de mensch zich door Gods Woord niet wil laten gezeggen. Dat is de diepste grond.
DE MINISTER EN DEN BIJBEL OP DE OVERHEIDSSCHOLEN.
Verschenen is de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer inzake het Wetsontwerp tot wijziging van de L.O. Wet 1920 en de Kweekschool opleiding. En aangezien men van verschillende kanten de kwestie van Bijbelkennis op de Rijkskweekschool ter sprake gebracht heeft, gaat de Minister nu op deze zaak in en schrijft in zijn Antwoord aan de Kamer :
„Dat ook de leerling van de Rijkskweekschool met Godsdienst en Bijbel moet worden in aanraking gebracht, staat voor den Minister vast. Als hij uit het Voorloopig Verslag de onderscheiding tusschen kennis van den inhoud des Bijbels, Godsdienstkennis en Godsdienstonderwijs overneemt, formuleert hij zijn standpunt aldus : Kennis van den inhoud des Bijbels is — voorshands nog afgezien van religieuse waarden — voor eiken beschaafde, ook voor den onderwijzer der jeugd, onmisbaar. Onze taal, onze letterkunde, onze kunst, onze geschiedenis, onze volksziel blijft een ge sloten boek voor wie den Bijbel niet kent. Zoo vaak de omstandigheden het mogelijk maken — elke kweekschool kan een eigen sfeer' hebben, uitkomende mede in de omschrijving van de leerstof — zullen geschiedenis, aardrijkskunde, letterkunde, taal, op ongezochte wijze gelegenheid bieden, kennis van den inhoud des Bijbels aan te kweeken.”
„Ook waar dit mogelijk is" - aldus de Minister - „wordt daarmede intusschen geenszins het noodige bereikt. Naast het geschiedkundige, het letterkundige en het cultureele vergt het godsdienstige een eigen plaats, waartoe de vakken godsdienstkennis en godsdienstonderwijs allereerst zijn aangewezen". En dan vervolgt Z.Exc. prof. Slotemaker de Bruine :
„Naar de overtuiging van den Minister doet echter de Overheid het best, door deze materie aan de Kerken over te laten, mits zij organisatorisch en financieel haar hulp biedt. Daartoe strekt eenerzijds het derde lid van art. 146, anderzijds de sinds jaren bestaande regeling der geldelijke vergoeding”.
„De vraag, hoeveel uren krachtens lid 3 moeten worden beschikbaar gesteld en voor hoeveel uren dus de belooning moet worden betaald, zal naar het oordeel van den Minister moeten worden beslist naar de gebleken 'behoefte, los van de vraag, hoeveel uren voor godsdienstonderwijs op de bijzondere kweekscholen worden gesubsidieerd. Het staat zeker niet a priori vast, dat de tot nog toe bestaande regeling — een uur per week — moet behouden blijven”.
„Echter betwijfelt de Minister", zoo lezen we verder, „of op de Rijkskweekscholen dikwijls behoefte zal blijken aan drie uren per week, gelijk blijkens het Voorloopig Verslag wel op bijzondere kweekscholen is gebleken. Na het vastleggen van het beginsel in lid 3 van art. 146 blijft de nadere uitwerking het best overgelaten aan den in art. 150 bedoelden algemeenen maatregel van bestuur.”
De Minister eindigt dan op deze wijze :
„Voor den aandrang van sommige leden om het ontvangen van godsdienstonderwijs als verplichting voor te schrijven bestaan geen voldoende gronden. Reeds nu is de toestand zóó, dat gevallen, waarin een leerling niet aan dat onderwijs deelneemt, slechts sporadisch voorkomt. Dat de vrijwillige deelneming zoo algemeen geworden is, mag een gelukkig verschijnsel worden genoemd, maar het is zeer de vraag of het een verbetering zou zijn daarvoor dwang in de plaats te stellen”.
Bedenkelijke Schriftbeschouwing en het Huwelijksvraagstuk.
De N. Rott. Ct. heeft telkens een „medewerker", die aanstonds bereid is de vraagstukken, die zich bijzonderlijk in de Hervormde Kerk voordoen, te belichten. Wie die „medewerker" dan is ? Wij weten het niet. Waarschijnlijk heeft de N. R. Ct. wel meer dan één van die „medewerkers". Maar het is altijd anoniem geschrijf. Daarom staat er ook wel eens : „men" schrijft ons.
„Kerk en Volk" neemt met die anonieme medewerkers en allen die zich „men" noemen een loopje. En dat verdient de N. Rott. Ct. Want het is voor ons onbegrijpelijk hoe zoo'n groote, deftige courant van sommige „medewerkers" wil gediend zijn. Kan het dat groote dagblad nu werkelijk niets schelen, wat er theologisch en ethisch opgedischt wordt, dan eens door een obscure „medewerker", en dan weer door een onbekende „men”?
„Kerk en Volk" (vrijz.) zegt er dit van : „De N. Rt. Ct. heeft zich voor haar rubriek Kerknieuws de hulp verzekerd van iemand met een vruchtbare vulpen. De onbekende helper schrijft onder het pseudoniem „een medewerker" of „men". Vraagt men naar zijn naam, dan zou hij moeten antwoorden als wijlen de booze geest, die uit de bezetene in het land der Gadarenen gedreven werd : „mijn naam is Legio ; want wij zijn velen.”
Natuurlijk wil „Kerk en Volk" niet zeggen, dat „booze geesten de bekende rubriek van het meest achtenswaardige vaderlandsche dagblad vullen". Maar „toch, soms spreekt uit de rubriek een geest, die alevel wat raar is”.
Als „Kerk en Volk", het weekblad van Vrijzinnige Protestanten (het is dus niet „Volk en Vaderland", maar „Kerk en Volk) zóó over die „men"s en die „medewerkers" van de N. Rott. Ct. spreekt, behoeft men waarlijk niet te vragen hoe ons oordeel in deze is. Wij zouden bijna zeggen : „het is dikwijls beneden critiek"
Wij denken nu bijzonder aan wat een „medewerker" schrijft in Ochtendblad B. van Zaterdag 20 Augustus j.l. over „Schriftuurlijke echtscheiding". Het gaat dan over 't geen in de vergadering van de laatste Synode is besproken, over de vraag „in hoever kerkelijke inzegening van een huwelijk tusschen gescheidenen geoorloofd is". Het wordt dan genoemd „het allermerkwaardigste moment uit de lange reeks zittingen".. En er wordt op gewezen o.a. dat „prof. Haitjema, óók in dezen, gelijk in de reorganisatiekwestie en andere belangrijke aangelegenheden het Synodale orakel" is geweest (wat vriendelijk zijn dit soort dingen bij een medewerker „van het meest achtenswaardige Vaderlandsche dagblad" !) ; en dat de conclusies uitsluitend berusten op de uitspraken van de Schrift enz.
De Schrift. En dan komt het. „Er is dus één schriftuurlijke toelaatbare echtscheiding mogelijk (n.l. om oorzake van hoererij)". „Maar als die ééne schriftuurplaats nu eens „invoeging" en dus onecht is ? ".... „De belangen van de tot hertrouw geneigde gescheiden Hervormden hangen dus af van den een of anderen papyrus, voor duizend jaren verloren geraakt ; van een stukje perkament, waarop kloosterlingen handschriften hebben uitgewischt of weer overgeschreven ; van de tendentieuze vervalschingen der elkaar met apostolische oorkonden bestrijdende bisschoppen en archimandrieten uit het tijdperk der kruistochten. Op den uitslag van het betreffende onderzoek wacht de heer Hendrik Meyer, die, na van mevrouw Meyer gescheiden te zijn, zijn tweede huwelijk met mejuffrouw Maria Mulder gaarne in de Nieuwe Kerk te Amsterdam of in den Utrechtschen Dom ingezegend zou zien”
In dien geest van laatdunkendheid en spotternij, spottend met heel de aangelegenheid van huwelijk en echtscheiding, maar méér nog spottend met de aangelegenheid van de Heilige Schrift, gaat de bewuste „medewerker" (natuurlijk anoniem) nog eenigen tijd voort ; spottend ook met een „christelijk land" en met „christelijke ethiek”.
„Kerk en Volk" heeft wel gelijk door te denken aan de booze geesten uit het land der Gadareenen. En al zijn de legio medewerkers geen booze geesten, toch spreekt uit die rubriek Kerknieuws van de N. Rott. Ct. een geest, die alevel wat raar is.
Als dan de „medewerker" zich niet schaamt, dan moest de N. Rott. Ct. zich schamen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's