Jean de Labadie
IV.
V. Slotbeschouwing.
Veel had men in Voetiaansche kringen van Jean de Labadie verwacht. Groot was het vertrouwen, dat men in hem had gesteld. Alles wilde men verdragen van hem : zijn chiliasme, zijn formulierenvijandschap, etc.
Kerkelijk en theologisch zag men door dit te groote vertrouwen de consequenties niet van de Labadie's beginselen, mede omdat hij aan zijn beschouwing verwante principes uit Voetiaansche kringen ontwikkelde en vervormde.
Theologisch : We zagen tijdens het conflict Wolzogen, dat de Gereformeerde theologie gevaar liep op de lijn van de scholastiek te komen. ^*) Een tegenwicht daartegen boden aanvankelijk de mannen van de „practijk der godzaligheid". In Voetius zelf zijn die beide elementen nog één. „De groote beteekenis van Voetius ligt o.a. hierin, dat hij de scholastieke denkmethode voor de theologie combineerde met de praxis piëtatis (de practijk der godzaligheid"), aldus prof. Van Leeuwen.
Na hem worden die twee gescheiden en komen de oude tegenstellingen der Middeleeuwen (scholastiek en mystiek) op. Opmerkenswaardig is de groote voorliefde voor Middeleeuwsche mystieken, waarvan Calvijn en de oude Gereformeerden niets hebben moesten. (Men herinnere zich Marnix en de „Theologia deutsch"). Bij den vromen Lodenstein vinden we bijv. een merkwaardige sympathie voor Middeleeuwsche ascese en mystiek. Al leeft men er nog niet uit, men voelt verwantschap meer dan de bezwaren. Vandaar ook de houding tegenover de Labadie. Zijn Roomsch-getinte stichtelijke werkjes vonden vóór 1670 geen critiek, wel bewondering en instemming. En zoo zijn de Labadie's beginselen hier door veel vromen aanvaard en kan men ze in latere „oude schrijvers" terugvinden. 25)
Later protesteert Koelman tegen deze „onzuivere practijk der godzaligheid", die in het „handboeksken" al vóór het conflict was neergelegd. „Alle deze dingen zijn zeer onzuiver en met verscheidene dwalingen en gefantaseerde kloosterlijke ervarentheden vervuld." 26)
Kerkelijk : zag men evenmin hoe de Labadie's beginselen hem drijven zouden tot separatisme. Nog na zijn afzetting dacht men ^T) ; „dat hij het alleen geladen had op de gebreken der Waalsche Synode en dat hij de Nederlandsche Kerken als zoodanig niet oordeelde, dat men daar geen gemeenschap mee kon hebben". „Ds. Lodenstein dacht, dat hij nu nog meer voor deze onze Kerke zou dienst doen”.
Bitter werd men teleurgesteld, 't Ging de Labadie om een „Kerk van enkel wedergeborenen". Was het wonder, dat na al de nederlagen de"r Voetianen, velen, die reeds geneigd waren zich terug te trekken, voor de vraag kwamen : „Zullen wij ook niet heengaan ? ”28)
We kunnen dan ook spreken van de Labadistische crisis. De Gereformeerde belijdenis eischte zuiverhouding van leer en leven der Kerk door de tucht. Daarvoor hebben de Voetianen gestreden met al hun krachten. Mede door het optreden der Overheid (caïsaropapie) is de Gereformeerde Kerk volkskerk geworden. ^^) Vroeg of laat moest er een botsing ontstaan : „het Gereformeerd Kerkbegrip en de volkskerk sluiten elkaar uit". De Labadie heeft die crisis verhaast. Maar de liefde tot de historische Kerk was bij de Voetianen te sterk. Brakel, Lodenstein, Koelman en vele anderen, besluiten na bidden en vasten, niet heen te gaan. Yvon reist naar Utrecht, om Voetius mee in de scheiding (zij spraken van reformatie) te betrekken. Doet hem het voorstel : „allen uitsluiten van het Avondmaal, daarna alleen „echt bekeerden" toe te laten. Lodenstein voelde daar wel voor. Een man als Voetius niet.
Van nu aan beginnen de Voetianen den strijd tegen de Labadistische scheuring, die overal ingang vindt en leidt tot conventikelvorming.
Op het stuk der Kerk zijn dus de Labadie en de Voetianen uiteengegaan. De laatsten hebben zich echter bij de Volkskerk neergelegd. Men geeft den strijd op om de Kerk als geheel te reformeeren. Men legt zich geheel toe op de zielszorg. Verzamelt de geloovigen in een conventikel ; dat wordt op den duur de „ware Kerk" in de Volkskerk.
Dat met deze verschuiving ook een veranderde houding tegenover Doop en Avondmaal gepaard gaat, dat de „practische theologie" een gansch andere wordt dan die der Reformatie, leert ons de historie”30)
De Labadie's beginselen — zijn en Yvon's werken zijn véél herdrukt — werden in breede kringen aanvaard : alleen trok men geen kerkrechterlijke consequenties uit zijn houding.
Zoo is het nog bij velen onder ons. De „grootfr Kerk" is een Zendingsgebied, waar zieleherders arbeiden 8m zielen te bekeeren. „Dat de plaatselijke Kerk de openbaring is van het Lichaam onzes Heeren Jezus Christus", is voor velen een ketterij". ^^) Vanzelf is dan de waardeering voor het ambt gering en staat of valt vaak met den „al of niet bekeerden" drager er van.
Vaak voelt men niet eens meer, dat men in strijd is met de reformatorische beginselpractijk, zooals . die spreekt in onze Bevestigingsformulieren.
Dr. Oorthuys heeft in een artikel over „De Labadie en het Labadisme" („Kruispunten op den weg der Kerk"), gewezen op de groote beteekenis van diens optreden en leer. Op de accentverlegging tegenover de Sacramenten van Doop en Avondmaal, die sedert het Labadisme sterk naar voren komt (Sacramenten worden verzegeling van de (wedergeboren) staat der geloovigen, inplaats van verzegelingen van Gods beloften). 32)
In een slotbeschouwing heeft dr. Oorthuys gewezen op de Labadistische onderstrooming in het Gereformeerde leven, o.a. in den Gereformeerden Bond. We kunnen, als we de historie bestudeeren, niet eenvoudig daarop antwoorden met een „het is niet waar". Vele van onze lezers zullen zich kringen en groepen, levend aan den zelfkant der Gereformeerde richting, herinneren, waarin zich een herhaling van de Labadie's geschiedenis afspeelde. Zelfs in onze Gemeenten zien we wel eens gebeurtenissen, die sterk aan zijn optreden doen denken. Maar onder onze menschen op de dorpen leeft ook nog het Labadistische beginsel, al is het vaak onbewust. Het werd en wordt gepopulariseerd door „oude schrijvers" uit de 18de eeuw. We spreken in onze kringen gaarne over „onze vaderen" en oud-Gereformeerden. Het is echter nogal eens het geval, dat men levend uit de „oud-Gereformeerde vaderen" der i8de eeuw, zich tegelijk laat voorstaan op onze Gouden Eeuw, op het oude Calvinisme en zijn zegenrijke vruchten voor Kerk en volk.
De historie leert ons, dat de geest van Calvijn en de oude Gereformeerde theologen tot op Voetius een andere is geweest dan die der i8e eeuwsche „practicijns" (Comrie en enkele anderen uitgezonderd). Eenigen tijd geleden werden in „De Geref. Kerk" (het orgaan der Confessioneele Vereeniging) de jongeren aangespoord de theologie na Dordt en haar verwording te bestudeeren. Dit is ook voor ons noodig. 33)
Kerkelijk en theologisch moeten we aansluiten bij de Reformatie en van daaruit de geschiedenis der Gereformeerde Kerken bezien. Dan zullen we ook zien (zie boven) dat het Gereformeerd Kerkideaal tegenover de Labadie, maar óok tegenover de fictie der „Gereformeerde Volkskerk" staat. ^*). In dien weg alleen komen we nader tot herstel der Kerk.
S.
K.
24) Prof. Van Leeuwen betoogt, dat t.o.v. het geloof in zijn artikel „Het geloof". Theologische Studiën 1908. „Kennis en vertrouwen bij Calvijn onderscheiden, worden dan gescheiden bij het geloof (Cat. vr. 21)" Verstand en hart, scholastiek en mystiek, orthodoxisme en piëtisme, voorwerpelijk en onderwerpelijk ; dit alles komt zoo tegenover elkaar te staan", aldus Van Leeuwen.
25) Men zie : Koelman : „Der Labadisten dwalingen", vooral pag. 401.
26) Idem pag. 295-304. L. spreekt daar van „gctransformeert zijn in God", „goddelijke dronkenschappen", „een goddelijke vereeniging", „geestelijk familiaire onderhandelingen" enz.
27) Koelman : „Historisch verhael", uitg. Janssonius, 1770, pag. 15.
28) Zie „Separatisme en Wereldgelijkvormigheid" van ds. Woelderink, pag. 18-19.
29) Severijn : Kerk en Staat, pag. 79-94.
30) „Separatisme en Wereldgelijkvormigheid", pag, 20 e.v.
31) Wie hoorde nooit bezwaren, als de prediker zegt : „Gemeente van onzen Heere Jezus Christus" of een soortgelijke aanspraak ? Heeft men nog niet vaak, als in de i8e eeuw, bezwaren van dien aard tegen de Formuliergebeden. Tegen het „Onze Vader" bidden ?
32) Men leze Koelman's critiek op deze beschouwingen van de Labadie en vooral Yvon in zijn „Labadisten dwalingen". Men zal bemerken, dat wat Koelman bestrijdt, nóg onder ons leeft.
33) We mogen nog wel eens verwijzen naar de artikelen van wijlen prof. Van Leeuwen in , , Theologische Studiën" 1902, 1905, 1908, resp. over „De rechtvaardiging", „De Wedergeboorte", „Het Geloof", waarin deze opnieuw wil aansluiten bij de Reformatie.
34) Zie Severijn's „Kerk en Staat”.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's