MEDITATIE
Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God om te hooren, al hetgeen u van God bevolen is. Handelingen 10 : 33b.
ONZE KERKGANG
Wat zijn wij in ons dierbaar vaderland nog hoog bevoorrecht. Eiken Zondag immers mag de Gemeente zonder vrees van gehinderd te worden naar het bedehuis opgaan en de dienstknechten des Heeren mogen het Woord Gods verkondigen naar de meening van 's Heeren Geest zonder dat zij gevaar loopen om naar een concentratiekamp te worden gezonden. Ook al neemt helaas hun aantal af, toch gaan er Gode zij dank nog velen eiken Zondag naar Gods huis om 's Heeren Woord te hooren. Is dit in onze dagen van afval nog een groot voorrecht, wij hebben anderzijds toch te bedenken, dat er zulk een machtig onderscheid is tusschen kerkgang en kerkgang. Dat heeft de Heere Jezus ons reeds geleerd in de gelijkenis van den Parizeer en den Tollenaar. Wie zichzelf heeft leeren kennen, zal zich niet beroemen op zijn kerkgang, maar zal benijden, dat zonder de genade des Heeren zijn opgaan naar het bedehuis niets dan zonde is en dat hij ook daarvoor verzoening noodig heeft door het bloed van Hem, die altijd in Gods huis naar 's Heeren wil verkeerd heeft en aan 't kruis gestorven is.
Hoe moeten wij dan naar Gods huis opgaan ? Dat leert ons het gedeelte der Schrift, waaruit de tekst voor deze meditatie gekozen is, duidelijk. Daar wordt over Cornelius, een Romeinsch hoofdman gesproken. Wonderlijk was hij door den Heere geleid. Er is een oogenblik gekomen, dat hij de heidensche afgoden vaarwel heeft gezegd en den Heere heeft leeren zoeken.
Door Gods Geest aan zichzelf ontdekt, leerde hij zien, dat hij zonder God in de wereld leefde. Zijn rust was geweken en in zijn ziel kwam de dorst naar den levenden God. Evenals de tollenaar smeekte hij telkens om genade en hij kon niet rusten, voordat hij mocht weten, dat de Heere Zijn deel was.
Welk een troost dat de Heere nooit laat varen de werken Zijner handen. Ook.uit Cornelius' geschiedenis blijkt dat zoo duidelijk. Immers op. een zekeren dag zag hij klaarlijk omtrent de negende ure een Engel Gods tot hem komen, die tot hem zeide: „Cornelius uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. En nu, zend mannen naar Joppe en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze zal u zeggen wat gij doen moet.”
Hoe zullen de gedachten zich in hem vermenigvuldigd hebben. Welk een ontroering en verwondering zal zich van hem hebben meester gemaakt! Nu werd hem de weg getoond om te komen tot de vrede voor zijn ziel. Geen oogenblik aarzelde hij. Hij was niet als Lot, die niet terstond deed, wat de engel tot hem sprak.
Neen hij zond terstond mannen naar Joppe om Simon Petrus te verzoeken om over te komen en hem te helpen. De Heere werkte door Zijn Geest in het hart van Petrus en maakte hem gewillig om aan 't verzoek van Cornelius te voldoen. Vergezeld van de dienstknechten van Cornelius en van sommigen der broederen te Joppe ging hij naar Caesarea.
Cornelius gaat hem tegemoet en geleidt hem naar de plaats waar zijn gezin en zijn bijzonderste vrienden, te saam vergaderd waren en sprak: „Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God om te hooren al hetgeen u van God bevolen is.”
Gelukkig wanneer dat ook van ons kan worden gezegd, wanneer wij in het bedehuis zijn. Hoe weinig wordt dit echter gevonden.
Indien aan ons in het bedehuis eens de vraag gedaan werd : waartoe zijt gij hier ? Zouden wij dan ook kunnen zeggen : wij zijn hier tegenwoordig voor God om te hooren ? Zouden velen niet moeten zeggen : wij zijn hier uit gewoonte of voor de menschen of omdat onze ouders 't willen, maar geen hemelsche machten hebben ons hier gebracht ? O, geliefden, wat is onze kerkgang ! Hoe rechtvaardig kan de Heere van ons eischen, dat wij in Gods huis verkeeren als in Zijne tegenwoordigheid. Hoe gemakkelijk gaat men op naar het bedehuis zonder te beseffen, dat men er moet zijn in de tegenwoordigheid Gods. Gelukkig dat er door genade nog Corneliusharten gevonden worden, — God-zoekers —, die hun diep verdorven hart voor den Heere neerleggen met de bede om genezing, en wier begeerte 't is om te hooren ai hetgeen den dienaren van God bevolen is te spreken. Er is tegenwoordig zooveel kritiek op de preeken en elke leeraar heeft zich af te vragen, wat dit tot hem te zeggen heeft, maar zou er niet veel van die kritiek verdwijnen, als er eens een opgaan mocht zijn als bij Cornelius en de zijnen ? Als men ook met zulk een begeerig hart en zulk een dorstende ziel in het bedehuis zat ?
Eenmaal vroegen de discipelen den Heere Jezus: Heere, leer ons bidden. Dat wordt nog door elke ontdekkende ziel telkens weer gevraagd. Hoe noodig is het ook bij het opgaan naar het bedehuis te vragen : Heere, leer ons op de rechte wijze in Uw huis verkeeren. En welk een genade, dat de Heere ons een Cornelius-hart kan en wil geven.
Maar de hoofdman en de zijnen zaten daar niet alleen in de tegenwoordigheid Gods. 't Was ook hunne begeerte om te hooren al hetgeen Petrus van God bevolen was. Zij wilden dat hij niets achter hield. Zij begeerden, dat de volle waarheid hun verkondigd werd. Zij waren niet met een halve waarheid tevreden, neen al wat van God bevolen was, wilden zij hooren. Zij waren anders dan de Joden in Stefanus' dagen. Die stopten hunne ooren en vielen eendrachtelijk op hem aan en steenigden hem.
Er was ook een groot verschil tusschen Cornelius en de zijnen en de schare bij de zee van Tiberias na de wonderbare vischvangst. Wanneer Christus spreekt over Zijn vleesch eten en Zijn bloed drinken, zeggen zij : „deze rede is hard, wie kan haar hooren”.
Hoevelen in onze dagen willen ook niet alles hooren, wat God bevolen heeft. Zij willen wel hooren van Golgotha, maar niet van Sinaï. Wel van verlossing, maar niet van ellende. En ook omgekeerd is het zoo.
Wie echter met een Cornelius-hart in het bedehuis mag zitten, zal begeeren, dat hem gezegd wordt al hetgeen van God bevolen is. Hij zal ook de leeraars opdragen aan den troon der genade en voor hen vragen, dat de bazuin geen onzeker geluid moge geven, maar dat de Heere genade wil schenken om den rechtvaardigen aan te zeggen, dat 't hun wel zal gaan, maar wee den goddeloozen, dat 't hun kwalijk zal gaan. Welk een zware taak is dat! Wat is 't voor een leeraar noodig om voortdurend de knieën te buigen en Gods Woord te onderzoeken, opdat hij niet eenzijdig zij, maar Gods Woord recht verkondige.
Stond zelfs Petrus niet verkeerd in de verhouding tot de heidenen en zal dat geen invloed op zijn prediking gehad hebben, totdat de Heere 't hem bij Cornelius liet zien ? Daarom zal, als 't goed is, 't de bede van Gemeente en leeraar moeten wezen, dat de Heere zijne tong aanrake met een kolen vuur van Zijn altaar en de woorden legge in de opening zijns monds opdat hij spreke naar de meening van 's Heeren Geest.
Indien Gemeente en leeraar ook in onze dagen zoo in 't bedehuis mochten verkeeren, zooals dat bij Cornelius 't geval was, dan zou 't zeker ook worden ervaren, dat Gods Woord niet ledig wederkeert, maar doet hetgeen Hem behaagt. Ook in Caesarea werd dat ervaren.
Wanneer Petrus predikt, wat hem van God bevolen is, daalt de Heilige Geest tot verbazing der aanschouwers op Cornelius en de zinnen neder, 't Werd weder Pinksterfeest. Nu ging hem 't licht on in de ziel. Woorden der zaligheid hoorden zij, maar werden ook toegepast aan hun hart zoodat zij mochten weten, da+ er ook voor hen genade was in Jezus Christus.
Diep gevoelde nu Petrus, dat de Heilige Doop niet van hen mocht worden geweerd en ontvingen zij den Doop ais teeken en zegel van hunne reiniging.
Welk een gezegende kerkgang was dat. Deze was niet te danken aan Cornelius, noch aan een der zijnen, evenmin aan Simon Petrus ; neen zij was het werk van den Heere. Hij gaf den wasdom.
O, dat ook wij allen getrouw naar Gods huis mochten opgaan om Gods Woord te hooren en God de Heere werke in de harten van Gemeenten en leeraren door Zijn Geest, opdat er nog eens veel kerkgang zij met een Corneliushart en veel prediking van alles wat God bevolen heeft, dan zullen niet alleen ook woorden der zaligheid worden gehoord, maar zal 't ook met hart en mond worden gezongen :
Die God is onze zaligheid ; Wie zou die hoogste majesteit Dan niet met eerbied prijzen ? Die God is ons een God van heil ; Hij schenkt uit goedheid zonder peil, Ons 't eeuwig zalig leven ; Hij kan, en wil, en zal in nood. Zelfs bij het naad'ren van den dood. Volkomen uitkomst geven.
Hattem
G. J. Koldewijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's