De leer der Praedestinatie in het geheel der Calvijnsche Theologie.
Dr. G. Oorthuys heeft indertijd op het „Congres voor Calvinistische Theologie", bij gelegenheid van het 400-jarig gedenken der Reformatie in Gcnèvc gesproken over :
»De leer der Praedestinatie in het geheel der Calvijnsche Theologie«.
Wijd verbreid is de meening, dat Calvijn en de Praedestinatie één en hetzelfde zijn, zoodat men wel eens den indruk krijgt, alsof Calvijn eigenlijk alléén de Praedestinatie gepredikt heeft, tot in zijn uiterste verstandelijke consequenties. Op grond van deze voorstelling aangaande den Reformator bleef men wel respect hebben voor zijn groot verstand en voor zijn geweldigen invloed. Doch een bijna algemeene vèroordeeling werd zijn deel, omdat men oordeelde dat in Calvijn's Theologie God werd gemaakt tot een God van willekeur, tot een harden tyran, die den een verdoemde, den ander zaligde naar het Hem goeddacht ; en dat zijn leer der Praedestinatie eenc werkelijke „Theologia crusis", eene theologie, waarin het kruis van Christus het middelpunt vormt, buitensloot.
Juist om die verkeerde meening die er bestaat, had men goedgevonden op het Calvinistisch Congres te Geneve bijzonderlijk over de leer der Praedestinatie. in het geheel der Calvijnsche Theologie" te spreken, waarvoor tal van referenten hun bijdragen geleverd hebben. En nu kon blijken, dat de harde oordeelen ten opzichte van Calvijn geheel onrechtvaardig en ongegrond zijn.
Want wel is het ontegenzeggelijk waar, dat de leer der Praedestinatie, der Verkiezing en der Verwerping, een wezenlijk deel van Calvijn's Theologie uitmaakt. En, juist door het optreden van de bestrijders en smaders, is deze leer door Calvijn al scherper en scherper geformuleerd.
Zoowel in de Institutie, die héél den Christelijken godsdienst wil beschrijven, als ook in een afzonderlijk werk, dat alléén het vraagstuk der Prasdestinatie behandelt, een strijdschrift tegen den Nederlander Pighius, van Kampen — doch óók in de Commentaren van Calvijn, voor Schrift-uitlegging geschreven, overal en telkens weer leest men van dat vaste fundament der heele menschheidsgeschiedenis en van de Kerk in 't bijzonder : Gods Souvereine Raad.
En de alles beheerschende grondgedachte, dat „uit en door en tot God alle dingen zijn", zoodat Zyn eere en verheerlijking het einddoel van alles is — ongetwijfeld kan deze grondgedachte genoemd worden : het kenmerkende van Calvijn's Theologie in vergelijking met de andere Reformatorische stroomingen.
Weliswaar hebben al de andere Reformatoren: Luther, Melanchton, Zwingli, Bullinger en hunne mede-strijders, evenzeer als Calvijn, de leer der Predestinatie, der verkiezing en der verwerping, beleden en gepredikt.
En ieder deed 't op zijne wijze. Luther wierp zich meer op het vraagstuk van den wil, toen hij zijn machtig werk „van den knechtelijken wil" schreef 'tegen den Koning van Engeland (en diens verdediger Erasmus). Zwingli ging in de verdediging van deze leer zóó verstandelijk te werk, dat Zwinglis werk : „Van de Voorzienigheid" Calvijn's goedkeuring niet kon wegdragen. BuUinger was zóó mild van aard, dat hij liever op den geopenbaarden goeden wil Gods jegens ons allen nadruk legde en op Gods Verbond, dan zich te verdiepen in Gods verborgen Raad, dien hij nochtans beleed. Melanchton begon later meerderen nadruk te leggen op des menschen medewerking, opdat de leer der Predestinatie niet déze vrucht zou hebben, dat de mensch zich zou gaan beschouwen als een stok of een blok in Gods hand.
Doch — bij al deze verscheidenheid — beleed héél de Reformatie, beleden alle Hervormers Praedestinatie en Verkiezing als diepste oorzaak des behouds! God alleen zou van ons behoud de volle eer hebben, niet wij. Zelfs dat wij gelooven, is het werk niet van ons, maar van den Heiligen Geest ; het is Gods gave.
Zóó spreken ook alle Geloofs-belijdenissen van de Kerken der Reformatie. En wat nu betreft de „Theologia crusis", de theologie, het Evangelie des Kruises, dat bij Luther zoo zéér in het middelpunt staat (denk ook aan onzen Catechismus, Zondag i enz. enz.) — er is geen sprake van, dat deze theologie des kruisch, dit Evangelie van Jezus Christus en Zijne gerechtigheid, bij Calvijn op den achtergrond zou gedrongen zijn, door de leer der Praedestinatie. Integendeel Dr. Oorthuys heeft nu over dit laatste vooral te Geneve gesproken en wel als volgt :
»Het gaat om de beteekenis der Predestinatieleer, en wel allereerst : a. ten opzichte van de leer aangaande God, de theologie dus in engeren zin. De filosofen zijn van oordeel, dat de leer der Praedestinatie, zooals de Gereformeerde Kerk die voorstaat, God tot een tyran maakt ; die niet naar gerechtigheid, doch naar onredelijke willekeur met Zijne menschenkinderen handelt. Hoe oordeelt Calvijn nu over God in deze ?
Calvijn, en héél de Gereformeerde Theologie belijdt als eenige eerste oorzaak van ons behouden worden of verloren gaan, van den val zoowel als van de verlossing, Gods souvereine wil. Maar tegelijk spreken de Gereformeerden het altijd en overal uit, dat Gods wil geen willekeur is, omdat God, die alle dingen werkt naar den raad Zijns willens (Efeze I vers II) aan Zijn eigen Wezen, dat heilig is, gebonden is. God doet alles naar Zijn Goddelijken wil, die heilig en wijs is. Nooit kan God, die aan Zijn eigen Wezen gebonden is, iets willen of doen, wat niet rechtvaardig of heilig zou zijn. Wel kan het voor óns ondoorgrondelijk zijn, maar het kan nooit voor God willekeurig zijn, want al Zijn doen is majesteit en aanbiddelijke heerlijkheid ; de Heere is recht in al Zijn weg en werk. Het ondoorgrondelijke zit hierin : „De mensch valt en gaat verloren, omdat God het zoo verordend heeft ; en toch valt hij en gaat hij verloren door eigen schuld". Men noemt dit vaak „een vlucht in het ongerijmde". Maar dat is het toch niet, ons geweten geeft ons mede getuigenis ! Voor Calvijn — en voor elk geloovige — is het geen „vlucht in het ongerijmde", maar hei is „de vlucht des geloofs in God en Zijn Wezen en Woord. Zóó is God, en niet anders ! Gods Woord heeft het ons geopenbaard. b. Welke is dan, in de tweede plaats, de beteekenis der Prsedestinatie-leer ten opzichte van Christus en Zijn verlossingswerk.
De eerste vraag was dus : de beteekenis van de leer der Praedestinatie ten opzichte van God en Zijn wil en Zijn wezen. De tweede vraag raakt de Predestinatieleer en het verlossingswerk.
De filosofen weer, zijn van oordeel, dat de leer der Predestinatie het verlossingswerk van Christus overbodig maakt. Als God nu eenmaal van eeuwigheid bepaald, wie zalig zouden worden, waarom zou Christus dan nog die zaligheid moeten verdienen en verwerven ? Wijsgeeren van onzen tijd beweren zelfs, dat Calvijn dan ook een Christus predikt, die niet wezenlijk de verdiener en bewerker der verzoening met God is, maar slechts openbaring en spiegel van de eeuwige verkiezing tot zaligheid. Maar Calvijn heeft deze aanklacht reeds tevoren ten stelligste afgewezen, en met Calvijn handhaaft en predikt heel de waarlijk Gereformeerde Theologie : Christus als het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, en alzoo als den eenigen weg des behouds. Christus heeft wezenlijk den toorn Gods over ons weggenomen, en den vrede Gods voor ons verdiend en verworven door Zijn verlossingswerk, door Zijn voldoening, zonder welke Gods heilig Wezen niet anders kan dan toornen tegen den zondaar. Gelijk Hij alleen vrede en barmhartigheid schenkt aan al de Zijnen in Christus Jezus, den Heere onze gerechtigheid. Wiens bloed reinigt van alle zonden. c. En dan krijgen we in de derde plaats : de verhouding van de Predestinatie tot het geloof. Het eerste ging om God, het tweede om Christus, mi dus om het geloof.
Nooit verwijst Calvijn — en hierin is de Gereformeerde Theologie van alle tijden het met hem eens — den zondaar naar den verborgen Raad Gods, naar Gods verborgen verkiezings-besluit. Nooit en nergens. Nooit leert hij, dat de zondaar moet gelooven in dat verkiezings-besluit tot zaligheid. Maar het is altoos en alleen, dat de verloren zondaar, die verdoemelijk ligt voor God, gewezen wordt naar Christus, naar Zijn komst op aarde om zondaren zalig te maken en te zoeken het verlorene, naar Zijn gerechtigheid, naar Zijn bloed, dat reinigt van alle zonden. Het is steeds : „Geloof in den Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden" ; wie Hem aanroept in den nood, vindt Gods gunst oneindig groot. Het Piëtisme, de bevindings-theologie, heeft den uitverkorene, den wedergeborene in het middelpunt der belangstelling gezet. Men wilde eerst weten of men een „verkorene" was, of men een „bekeerde" is, om dan pas in Christus te gelooven ; Afrant anders gaat het niet, om bij Christus te komen en door Hem te worden aangenomen. Maar de Schrift zet den zondaar in 't midden en wijst den zondaar op Christus, om te spreken van „geloof alleenlijk" ; sola fide. De Schrift spreekt van goddeloozen, die zonder de werken der wet gerechtvaardigd worden om niet, enkel en alleen door het geloof in Christus. En „van achteren" wordt dan bekend, en verstaan: „Wij steken 't hoofd omhoog en zullen d' eerkroon dragen, door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen". Maar ook dan is het oog op Christus, den Koning van Israels God gegeven, van Wien het volk zijn sterkte heeft !
Calvijn leerde, gelijk Gods Woord het leert, dat het geloof niet de verborgen verkiezing aangrijpt tot zekerheid des behouds, maar Gods geopenbaarde beloften in Woord en Sacrament, de beloften des Evangelies, waarvan het offer van Jezus Christus het één en het al is. Deze genadebelofte, dat Hij om Christus' wille ons de zonden vergeeft en ons de gerechtigheid van Christus toerekent.
De verkiezing gaat dan aan het geloof vooraf — maar de verkiezing wordt alleen door het geloof gekend. Het geloof in Christus, het geloof van een arm zondaar in Sions Borg en Middelaar, met de rechtvaardiging door Zijn verzoenend lijden en sterven, dat geloof doet inzien in die groote verborgenheid een uitverkorene van Gods liefde te mogen zijn. Gods gezanten hebben zondaren dan ook te roepen en te bewegen tot het geloof in Jezus Christus ; opdat zij daar zullen bekennen tot eere van den God der zaligheid : „uit en door en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid. Amen”.
Dan krijgt in het gelooven niet de geloovige den roem, maar God en God alléén ; God, Wiens het geloof is ; want het is niet uit ons, het is Gods gave. „Wie roemt, die roeme in den Heere !”
De gouden keten des heils is en blijft : „Want die Hij tevoren gekend heeft, die heeft Hij ook tevoren verordineerd den heelde Zijns Zoons gelijkvormig te worden. En die Hij tevoren daartoe verordineerd heeft, die heeft Hij ook geroepen. En die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd. En die Hij gerechtvaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt". (Romeinen 8).
Op grond der Verkiezing gelooven wij „de volharding der heiligen". Ware het geloof mijn eigen werk, en steunde de verkiezing op een vóórgezien geloof (gelijk de Remonstranten van de 17e eeuw leerden) dan zou mijn geloof gemakkelijk schipbreuk kunnen lijden en de verkiezing verbroken worden. Maar nu het geloof Gods werk is en de vrucht van Gods eeuwige verkiezing, nu houdt het geloof des zondaars stand tot in de eeuwige heerlijkheid !
„Simon, Simon" — sprak de Heere Christus tot Petrus — „de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe. Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude«. [Zie dr. G. Oorthuys : Geneve—Calvijn. Uitgave H. Veenman en Zonen, Wageningen.]
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's