MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Ziezoo, dat is twee de deur uit !" sprak hij met bevende stem. „Wie moet nummer drie worden ? " En toen zij hierop zweeg, omdat zij hèm kende en wist waar dit op uit moest loopen, herhaalde hij heftig, terwijl zijn vuist krachtig op de tafel neerkwam, zoodat het theeservies rinkelde: „Ik zeg, wie moet nummer drie worden ? Speek óp nu ! Je kunt het huis wel leeg krijgen, als je dat begeerlijk lijkt !" Maar nog altijd zweeg zij. Voor ditmaal uit vrees en verlegenheid, omdat zij de gevolgen inzag. Voor hem scheen haar zwijgen evenwel iets tartends in te houden. Althans, nog méér geprikkeld, met stijgenden toorn, verweet hij haar thans, hoe zij altijd voor het dienstvolk een plaag was geweest, om alleen dan tevreden te zijn, wanneer elk haar ontzag.
De eene beschuldiging volgde nu op de andere en golfde over haar hoofd of scheen haar te willen beuken, gelijk de schuimende baren eener woeste zee in dolle vaart tegen de rotsen komen aanstormen. Doch onwankelbaar als een rots, hief zij fier het hoofd omhoog ; hoe zijn scherpe woorden haar ook striemden. En nóg was de storm niet bedaard. Het eene woord had het andere ten gevolge. Voorvallen |iit het lang verleden werden weer opgehaald en als in 'n vlammend beeld voor den geest teruggeroepen, waarbij zelfs de dooden als getuigen moesten dienen. De hel scheen losgebroken. Was dit hetzelfde huis, waar op andere dagen de gezellige vroolijkheid aan leder opviel en men zoo gaarne vertoeven mocht, omdat alles wel zonneschijn leek ?
Intusschen was Murk al buiten, om in zijn wagen een en ander recht te zetten en dan den weg naar zijn woning in te slaan. Hij had voor heden genoeg Van den handel. Vandaag wilde 't niet recht vlotten. De menschen hadden wel heel wat te praten en kwamen in het gunstigste geval een kleinigheid koopen, maar 't ging niet als anders. Misschien lag het ook wel aan hemzelf, óf het kwam, doordat de meesten moesten bezuinigen ; doch van zaken doen was bijna geen sprake geweest. En nu déze gebeurtenis daar nog bij ! In geen tijden had hij zóó iets op „Lucht en Veld" beleefd. Kort geleden had Pleuntje hem nog gezegd, dat de vrouw lang niet meer zoo humeurig was als vroeger en die zoogenaamde buien veel zeldzamer kwamen. En nu dit. Wat had hij dan gedaan, dat aanleiding tot zoo'n bejegening kon geven ? Of zat er iets anders achter ? Waren er wellicht verhalen in omloop, waar hij zelf niets van wist, doch, die hem aanwezen als den operateur en den grooten maker van het plan, om hier een geheele omkeering tot stand te brengen ?
Het volk had het gewoonlijk zoo spoedig klaar, als het op verdichting of het vertellen van allerlei nieuwtjes aankwam. Doch hóé het zijn mocht, de tijd was — meende hij — voorbij, om zich onverdiend te laten geeselen, en daarom ging hij heen. Als hij hier dan te veel was, wilde hij ook geen minuut langer op deze plaats blijven, hoe het hem ook speet en in velerlei moeilijkheden brengen mocht.
Eensklaps voelde hij een hand op zijn schouder gelegd. Omziende, zag hij Pleuntje, die hem op haar kousen was gevolgd. Wat ga je doen. Murk ? " vroeg zij, en keek hem bedroefd aan.
„’k Moet hier weg, Pleuntje, en kan voorloopig ook niet onder dit dak terugkomen", zei hij. „Maar hoe moet het hier dan ? ”
„Dat weet ik niet ; maar ik ben toch niet de oorzaak van dezen twist ? Wat heb ik gedaan, waarover de boerin zoo toornen moet ! Of heeft zij nu plotseling zoo'n liefde voor den dominé en de kerk gekregen, hoewel er bijna nooit een voet door haar gezet wordt, dat zij zoo beleedigend moet spreken over een ieder, die anders denkt dan zij ? Of geeft het geld haar de vrijheid, om aldus tegen den mindere op te treden ? Ik verdraag het niet meer”.
„Maar hoe dan met het woord : „Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte" ? Getroffen keek hij haar aan. Opeens scheen zijn drift gekalmeerd. Ja, dat stond geschreven. Dat Pleuntje hem daaraan herinneren moest. Op dit oogenblik was hij niet zachtmoedig, en, wat dat andere betrof, was hij ook wel nederig van hart ? Kwam het duiveltje van den hoogmoed daar binnen niet zoo langzamerhand op den troon, nu hij een man van beteekenis begon te worden ? Had het hem inwendig niet een weinig gestreeld, dat mannen als Bouma en Bottema en bakker Deelstra, die eertijds niet naar hem zouden hebben omgekeken, nu met hem wilden vergaderen ; en dat zijn woord bij allen zoo'n ingang vond, ja, feitelijk besliste ? En sprak een heel fijn stemmetje daar binnen soms niet, dat hij een heele man begon te worden, voor wien de menschen respect hadden en wien, wie weet nog wat te wachten stond ? Lag er dus in de woorden van vrouw Siderius werkelijk een grond van waarheid ?
Besluiteloos bleef hij. staan en streelde den nek van den hit, die van den een naar de ander keek, alsof hij zeggen wilde : „wat hebben jullie toch ? ”
Maar je behoeft je toch niet alles te laten welgevallen, wat menschen, die over meer kapitaal beschikken, meenen te mogen doen. Recht is recht, maar die woorden van de boerin zijn van het begin tot het eind onverdiend. Een mensch mag toch gelooven, wat hij wil, en niemand, die daarover heeft te beslissen, 't Gaat hier toch om hooge gemeentebelangen, en men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de menschen. Zoo klonk het daar binnen in hem ; en die stem was hem welgevallig. Doch daar naast hem stond Pleuntje, die hem dat_ woord des Heilands in herinnering bracht, . waaruit heel iets anders sprak. Was de Heere Jezus óók zoo opgetreden tegen de menschen ? Paste het hem wel, om tegenover de boerin deze houding aan te nemen ? Was het de Geest des Heeren, die op dit oogenblik bij hem het woord voerde ? „Leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte", zei Pleuntje. Neen, dat was hij op dit oogenblik niet. Noch het een, nóch het ander. En wat zouden de gevolgen hiervan worden ? Sneed hij op deze wijze zichzelf den weg niet af tot dit huis en deze harten ? En hoe dan met Pleuntje ? Moest hij die hier achterlaten, geheel alléén, om misschien in dubbele mate de onaangename gevolgen van het luimig karakter van de boerin te verduren ? Zeker, zij kon desnoods den dienst opzeggen. Hij zou wel voor haar zorgen, en anders kon hun huwelijk ook wel vervroegd worden, wanneer Pleuntje geen lust had om langer bij een ander te zijn.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 augustus 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's