De Wapenrusting des Christens.
Wij laten hier uit : »De Taal Kanaans* van dr. H. F. Kolhbrugge een stukje volgen, dat handelt over den christen, die op reis is naar de eeuwigheid, en wel wat betreft zijn wapenrusting, die hij draagt in dit woestijnland, dat vol is van huilende wolven en allerlei gevaren des doods.
Vraag : »Waartoe dient de uniform, die ik onder uw reismantel prijken zie ? «
Antwoord : »Gij weet, dat ik veel bij nacht reis, dan komt het wild gedierte uit zijne schuilplaatsen ; daartegen gaf mij mijn Koning deze wapenrusting. Als het zoo donker is, dan komt dikwijls een geheele bende leugengeesten op mij af; dan heb ik niets noodig dan mijn kleêren dicht aan het lijf te houden, zonder er een pand of een plooi van te laten afhangen, en ik heb zorg te dragen, dat ik rechtop van lijf en lenden blijf. Want zoo ik mij maar een weinig buig of krom, of maar een plooi laat afhangen, dan hebben zij mij.
Tegen deze leugenbeesten dient déze gordel, die Waarheid heet. Hij is met fonkelende diamanten bezet en zeer eenvoudig met een gouden haak en schakel toegemaakt. Die gordel verschrikt en verblindt die logenbende, en die gordel is tegelijk ook mijn licht en mijn troost ; maar óók mijn bestraffing, als ik soms twijfel, of mijn werk wel waarheid is.
Dan gaan er in den nacht sterke benden uit, die hebben het allen op mijn hart aangelegd, wel wetende, dat vandaar uit al de uitgangen des levens zijn. Zij willen dan mijn Vrede-burg innemen, om alle bewijzen van eigendom, erfrecht en betaling van al mijne schulden te vernielen.
Tegen al hunne listige aanranding met gevelde spiessen en moorddolken draag ik dit harnas ; het heet Gerechtigheid. Ik heb menigmaal gedacht, dat zij het doorstoken hadden, maar het zit zóó goed in alle deelen, dat men er niet tusschen komen kan.
Met de schoenen, die ik aan heb, stap ik over alle verongelijkingen heen als er vijanden zijn, die zich aan mijn Koning onderwerpen; en ik word niet moede, al moet ik een langen weg gaan, om hun den vrede te brengen.
Dikwijls valt mij een schrikkelijke reus op het lijf, hoont en vloekt mij en schiet met vuurpijlen.
Daartegen draag ik dit schild, het heet : Geloof. Op dat schild komen die pijlen af ; maar ach, wat is het mij vaak bang achter dat schild, dat het doorboord zal worden, maar het is tot nog toe bewezen ondoordringbaar te zijn.
Dan, ziet gij dien helm ? O, gij moest het eens weten, hoe dikwijls ik gedacht heb, dat des vijands zwaard helm en hoofd kloven zou, zóó dreigend was de slag. Maar een beteren naam kon die helm niet dragea, dan dien van Helm der zaligheid. Des vijands zwaard is er steeds op gebroken !
Wat nu mijn eigen zwaard aangaat, hoe dikwijls meende ik, dat het tekort was, in vergelijking met de lange zwaarden der vijanden, maar ik heb er tot nog toe van kunnen zeggen : „'t Is in den - Naam des Heeren, dat ik ze verbouwen heb" (Ps. 118 vs. 10—12). Er is niets tegen dit zwaard bestand ; een geest van wijsheid moet het besturen, anders begrijp ik het niet. Ik kom er recht meê op den vijand aan ; zijn slag gaat steeds voorbij ; of zijn zwaard valt hem uit de hand ; of ik heb hem doorboord, terwijl hij den slag niet voleindigd heeft. Allen valt er voor, en het jaagt duizenden en tienduizenden op de vlucht.
Vraag : Hebt gij reeds vele slagen gewonnen ?
Antwoord : Gewonnen, ik ? Mijn Koning heeft ze allen voor mij gewonnen. Ik was bij elk gevecht bevende en bang, en had niet de minste moed, kon uit mijne oogen niet zien, en het was, alsof ik geheel verlaten en alleen was ; ja, soms, alsof mijn Koning zelf voor mij in een vijand veranderd was. Bij eiken zwaardslag en onder den regen van pijlen, die op mij neerviel, dacht ik : nu is het met u gedaan.
Ik zonk eindelijk in onmacht en sliep in van vermoeidheid, terwijl ik de woorden nog even hoorde : „Wees stil. Ik strijd voor u". En terwijl het mij was, alsof ik in Sauls handen was geraakt, en alsof de vijand mij meesleepte, werd ik ineens wakker gemaakt door het geroep : Overwinning ! Zóó ging het mij ; na eiken gewonnen slag dacht ik altijd : nóg zulk een slag en ik heb alles verloren, wat ik gewonnen heb. Maar hoe dikwijls ik ook gedacht heb, alles verloren te hebben, zoo heb ik toch altijd ondervonden, dat ik eene volkomene overwinning behaald heb.
Vraag : Heeft de vijand u wel eens geheel onder den voet gehad ?
Antwoord : O, méér dan éénmaal. Hij had mij het zwaard uit de hand geslagen en lag met zijn harnas op mij en greep mij bij de keel, en hij brulde tegen mij alle vloeken. Hij zeide, dat mijn Koning toornig op mij was, dat ik Zijn naam niet meer uitspreken mocht, en hij poogde mij te verworgen.
Vraag : Hoe kwaamt gij dan steeds onder hem wég.?
Antwoord : Ik draag in mijn gordel een kleinen priem, geheeten : „nochtans". Daarmee steek ik hem steeds ter rechter tijd in zijn hart ; dan wentelde hij zich rochelende van mij af, maar het kostte moeite, om zijn klauw van mijn keel en halsketen af te krijgen«. (blz. 33—36)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's