De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heiligmaking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heiligmaking.

6 minuten leestijd

Da Costa schreef (29 Jan, 1834) De Clercq : »Inderdaad, lieve broeder ! men kan ook in het stuk van zonde en bederf te veel willen speculeeren en wijs zijn boven hetgene geschreven is. De Schrift spreekt nooit van het Godswerk der heiligmaking van den gerechtvaardigden zondaar, op zulk een kleinachtende wijze, maar predikt eenvoudig nièt en na de vergeving der zonden, ook het liefdegebod der heiligmaking door de kracht der genade van Hem, Die ook daartoe voor ons geleden heeft en ons den Geest verworven, om welken wij bidden.
Den strijd der heiligmaking voor te stellen als „een uitdragen van eenige emmers uit den onmetelijken oceaan", is een zeer bedriegelijke voorstelling. Wij willen den oceaan niet ledigen, maar ons tegen denzelven in de kracht van Christus bewaren en verdedigen.
De oude mensch is nu niet meer ons element, maar onze vijand, dien wij moeten kruisigen, tegenstaan ; daartoe verleent en verleene ons de Heere Jezus zelve Zijn kracht«.
De Clercq schreef (26 Mei 1834) aan Da Costa : »Hetgeen ik, zooals ik gisteren met een woord aan U zeide, te Rheden" (waar ds. W. Laatsman predikant was) „ondervond, is echter niet 't geen ik van de menschen of door de menscheh geleerd heb, maar de ontdekking, die de Heere aan mijn ziel gedaan heeft, door mij méér in te leiden in den afgrond van mijn eigen hart, door mij te doen zien, naar hoeveel zaken ik gegrepen had, die ik nog niet had ontvangen ; hoeveel afgoden ik nog koesterde, en hoe ik steeds sprekende van genade en Christus enz., echter in het diepst van mijn hart steunde op hetgeen ik voor den Heere meende te doen.
De Heere doet de zaken op Zijn. tijd. Twee jaar geleden had ik reeds een dergelijken indruk te Rheden ontvangen, doch toen was mijn ik overwinnaar gebleven ; nu echter moest dat ik nedervallen, en inzicht doende in het diepst mijner eigengerechtigheid en in het Farizeïsme van mijn eigen hart en die genegenheid om weder van alles een grond te maken. Moge de Heere mij dat licht behouden, opdat ik de dierbaarheid van Christus leerde zien !
Nóg een zaak. Het is duidelijk aan mijne ziele geworden, dat de Heere bij die menschen, die door mij onder den schijn van liefde in den grond gehaat werden, en die ik dikwijls verkeerd beoordeeld en gesmaad heb, een werk heeft. Ik heb bij hen niet alleen een diepe erkenning van schuld, maar tevens ook eene door God gewekte nauwgezetheid gevonden, die mij getroffen heeft ; ik heb er eene belangstelling in de groote vraag : „Ben ik van Christus of niet ? " gevonden, die mij goed gedaan heeft, en ik ben ook zelve omtrent het heil mijner onsterfelijke ziel in een werkzaamheid gekomen, die ik vroeger niet kende en waarom ik den Heere dikwijls gebeden had.
Ik spreke misschien dwaas over deze dingen, want ik kenne nog weinig van het geestelijk leven, maar een greintje van God is mij dierbaarder dan alles wat ik in mijne eigene kracht en hoogmoed had opgericht. Voor ons, dichterlijke menschen, blijft de verbeelding altijd een gevaarlijke zaak en wij willen zoo licht wat inbrengen in de dingen Gods”.
Da Costa antwoordde den volgenden dag daarop (27 Mei 1834) :
„Gij begint met de kwestie over de heiligmaking. Gij kent daaromtrent mijne gevoelens en gronden. Dit alleen vind ik mij verplicht U te doen opmerken, dat de leer niet mag of kan afhangen van onze bevinding, hoe goed of zuiver deze op zich zelve genomen ook moge wezen.
Zoo Gij, waarde Vriend ! door de werking van Gods Geest op Uw hart tot dieper inzicht van zonde, bedekte eigengerechtigheid, volstrekt en ondoorzienbaar, zijt gekomen, dan wensch ik U van harte daarmee geluk, en bid den Heere, dat Hij U en mij die genade der zelfontdekking dagelijks vermeerdere, om ons alzoo tot Christus te leeren zuchten en vluchten, opdat wij in Hem en Hij in ons in waarheid gevonden worden mag.
Doch het is mogelijk, dat die nadere en diepere ontdekking (of beschouwt gij ze ook misschien als een eerste en U geheel nieuwe ? ), gelijk alles dit ons van Boven geschonken wordt, wederom met overleggingen en werkzaamheden van eigen maaksel overdekt, of ten minste vermengd is.
Ook daartegen is waakzaamheid noodig. Dat de stemming, waarin Gij U thans bevindt, mij grootelijks het gevaar dezer inmenging vreezen doet, mag ik U niet ontveinzen.
Mijne gronden daartoe zijn, ten éérste, de blijkbare opgewondenheid, die in Uwe woorden en letteren doorstraalt, ten twééde eenige kennis, die ik door langdurigen omgang, van Uwe gemoedsbewegingen meen verkregen te hebben. Gij zijt, lieve De Clercq ! van natuur een man van den dag...... Doch hetgeen het meest bij mij weegt om U tegen de verschheid Uwer tegenwoordige indrukken te moeten waarschuwen, is de kennelijke helling in Uw briefje aan den dag gelegd, tot de gevoelens dier vrienden aangaande de léér«.
Da Costa heeft daarna, en wel 24 Juni 1834, nog eens weer aan De Clercq geschreven over de heiligmaking, enz,
»Onze subjectieve ontdekking van diepe ellende en bederf mag niets afdoen van de objectieve waarheid van des Heeren leer en Woord, Ik heb van den beginne de gevoelens der bedoelde vrienden niet alleen niet tegengesproken, maar (dit weet Gij zelve best) vóórgesproken en verdedigd ; op het stuk van bevinding omtrent de ellende. Maar hun leer aangaande de heiligmaking, zooals die b.v. door Kohlbrugge in zijn preek over Rom, 7 vers 14, te Elberfeld op 31 Juli 1833 gehouden, wordt voorgesteld, is dwaling, gevaarlijke dwaling.
Wel verre, dat de begrippen onzer Kerk in diè richting eene ontwikkeling behoeven, is het juist omgekeerd eene meerdere kennis en ondervinding van de dierbaarheid der goede werken en der heiligmaking, die ik geloof dat door het stuk van des Heeren toekomst zal worden teweeg gebracht.
Onze Vaderen stonden vlak tegenover de ingebeelde Pauselijke heiligheid, en zoo was het hun bijzonder toebetrouwd pand : de rechtvaardigmaking. Maar lees de Openbaring van Johannes eens uit dit gezichtspunt en Gij zult er van het begin tot het einde eene levendige, met 's Heeren komst in verband staande, opwekking tot heiligmaking in op den voorgrond vinden, tot ware op vrije genade gegronde en uit de rechtvaardigmaking om niét voortspruitende heiligmaking,
Kohlbrugge 's leer heeft de tegenovergestelde richting ; en kan nuttig zijn als medicijn, nooit als voedsel.
Onder dat uitsluitend gezicht van inwendig bederf kan weer veel bedriegelijks schuilen. Indien dit gezicht ons ootmoediger maakt, dan is het recht ! Doch ik heb bij meer dan eene gelegenheid het tegendeel meenen op te merken, en vreeze dat somtijds wérkelijke zonden over het hoofd gezien worden, terwijl wij speculeeren over, ... het inwendig bederf«.
[Men vergelijke hier 't bekende boekje : „Hoogst belangrijke briefwisseling tusschen H, F. Kohlbrugge en I, Da Costa over de leer der Heiligmaking"].
[Briefwisseling : De Clercq en Da Costa, blz,
28—31.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Heiligmaking.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's