KERK, SCHOOL, VEREENIGING
Een veelbewogen loopbaan.
Deputaten ad hoc van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband hebben den heer J. Blum, theol. cand. te Amsterdam, het recht verleend in deze kerken een stichtelijk woord te spreken.
De heer Blum heeft reeds een veelbewogen leven achter den rug. Hij werd uit orthodox Joodsche ouders in Palestina geboren. Na het doorloopen van het Chedes, een Joodsche godsdienstige school, bezocht hij het Gymnasium te Tel Aviv, waar hij ook een Jshiwa (Joodsche Theol. School) bezocht.
In 1916 kwam de heer Blum op de Officierschool te Constantinopel, waar hij na zijn bevordering tot 2e luitenant naar het front gezonden werd. Driemaal werd hij in den oorlog verwond. Na de derde maal werd hij naar een Engelsch lazaret ter verpleging vervoerd, waar de behandelende geneesheer oorzaak werd dat hij overging tot het Christendom.
Te Parijs voltooide hij zijn studie in de pharmacie en werkte daarna in een apotheek te Jeruzalem als provisor, terwijl hij tevens aan Evangelisatiearbeid deed. In 1926 legde hij bij ds. W. J. J. Velders, thans Geref. pred. te Rotterdam, toen miss.-predikant voor de Zending onder de Joden, belijdenis des geloofs af en werd lid der Gereformeerde Kerken.
Door de bemoeiingen van prof. dr. F. W. Grosheide kwam de heer Blum in 1930 aan de Vrije Universiteit, waar hij theologie studeerde, om in 1934 praeparatoir examen te doen, waarna hij zich metterwoon te Amersfoort vestigde. In 1935 werd de heer Blum hulpprediker bij de Gereformeerde Kerk van Olst, die hij heeft gediend tot zijn overgang naar de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband. Met de polemiek, zooals die in de Gereformeerde kringen wordt gevoerd en de eenzijdige verbondsbeschouwing, alsook met de houding die men in deze kerken tegenover de oecumenische beweging aanneemt, zich niet kunnende vereenigen, is de heer Blum thans overgegaan tot de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, waar hij thans in de prediking mag voorgaan.
Moed en geloof.
Den 8sten Juli 1566 was tot Amsterdam het hooren en herbergen van predikanten bij plakkaat op poene van de galg verboden ; en zoo iemand een van deze leeraars dood of levendig in handen van den Schout wist te leveren, die zou genieten 600 guldens ; en echte wierd op dien zelfden dag in een heimelijke vergadering van predikanten en ouderlingen besloten, dat men de openbare prediking in en omtrent Holland zou aanvangen ; behalve tot Amsterdam, waar men nog wat toeven zou om de strafheid der regenten. G. Brandt.
Het 5de Internationaal Calvinistisch Congres.
Op het 4de Internationaal Calvinistisch Congres, dit jaar te Edinburgh in Schotland gehouden, is besloten, dat D.v. het volgend Congres zal gehouden worden Juli 1940 in Duitschland. Indien bepaalde omstandigheden dit mochten verhinderen, dan zal de plaats van samenkomst zijn Montpellier. Het hoofdonderwerp zal dan zijn de ordo salutis of de orde des heils ; d.i. de weg, dien God bewandelt om het heil door Christus verworven, deelachtig te maken aan zondige menschen van alle volk en van alle geslacht, tot aan de uiterste einden der aarde.
Het is te hopen, dat voor deze Congressen in Nederland onder de Calvinisten méér belangstelling mag komen en dat D.v. in 1940 méér Nederlanders aanwezig mogen zijn, dan nu in Edinburgh het geval was.
Hier is een oecumenische beweging, die onze volle sympathie heeft, omdat zij is
naar Schrift en belijdenis.
De gesluierde bruid.
In Zuid-Servië — zoo lazen we dezer dagen in een geïllustreerd tijdschrift — is het gewoonte, dat vele jonge mannen eerst een tijd als landarbeider dienen, om dan, meestal tientallen tegelijk, hun bruiloft te vieren. Trompetgeschal en trommelslagen kondigen het begin aan der groote bruiloftsfeesten, welke feesten vier dagen duren, gepaard gaande met tal van ceremoniën volgens een oeroud gebruik. Daags vóór het huwelijk stuurt de bruidegom zijn paard naar de woning van de bruid.
Zwaar gesluierd moet zij daarop plaats nemen en naar de hofstede van haar bruidegom rijden. Den sluier mag zij geen oogenblik afleggen, want deze wordt pas den volgenden morgen door den geestelijke in de kerk teruggeslagen, nadat hij het jonge paar de trouwringen aan de vingers heeft geschoven, en dus nadat het huwelijk is gesloten. De tocht naar de kerk doet de bruid in gezelschap van een broer Van den bruidegom. Tijdens den rit naar de woning Van haar bruidegom moet de bruid, volgens aloude traditie, heftig schreien. De stoet staat telkens stil, zoodat de tocht van langen duur is en de bruid raakt daarbij zóó uitgeput, dat zij door vrienden Wordt ondersteund. Paarden, zwaar beladen met huwelijksgeschenken van familie en vrienden, vorken den kop van den bonten stoet.
In de woning van haar bruidegom aangekomen, trekt de bruid zich onmiddellijk terug in de „bruidskamer". Daar moet zij in gezelschap van haar vriendinnen den ganschen nacht wakend doorbrengen, steeds maar schreiend en snikkend, zoodat er vele „bruidstranen" vallen. Eerst heel Iaat, als het feest achter den rug is — waarbij de bruid niet aanwezig mag zijn — mag de bruidegom de bruidskamer betreden. De vriendinnen vluchten weg en voor 't eerst is het dan de bruid toegestaan dat zij lacht.
Toen wij deze beschrijving van „de bruid uit Zuid-Servië" lazen, dachten wij onwillekeurig aan de bruiloft van Jacob, die meende, dat zijn gesluierde bruid Rachel was ; maar Laban had hem Lea tot vrouw gegeven, dat Jacob na de trouwplechtigheid pas bemerkte.
Het Anti-Semitisme en het Jodenvraagstuk.
Ds. J. Rottenberg zegt daarvan het volgende : »Er is een Joodsch vraagstuk. En dat vraagstuk is al meer dan 1900 jaar oud. Het dateert van het oogenblik, dat de Joden hun broeder, naar het vleesch, Jezus van Nazareth, overleverden aan de heidenen om gekruisigd te worden met de woorden: „Zijn bloed kome over ons en onze kinderen". Practisch gesproken, dateert deze Joodsche kwestie van de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing der Joodsche natie tengevolge daarvan over het rond der aarde.
Het Joden-probleem is geen rassen-probleem. Trouwens, al de geleerde en ongeleerde, de gemoedelijke en vijandige bespiegelingen omtrent het ras — men vergeve mij de uitdrukking — zijn nonsens.
Met de woorden : „Hij heeft uit eenen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den ganschen aardbodem te leven", neemt de apostel Paulus de scheiding weg tusschen volk en volk.
Joden en niet-Joden zijn uit één bloed. Het menschdom is één geslacht. Deze waarheid ligt ook ten grondslag aan de bijbelsche leer over de organische eenheid van het menschdom met betrekking tot den zondeval en de verlossing in Christus. Omdat wij een organisch geheel vormen, zijn wij ook allen in één mensch gevallen en kunnen wij alleen door één Middelaar verlost worden.
Doch de rassenleer is niet alleen in strijd met het Christelijk geloof, maar ook met de ware wetenschap. Eén ding is zeker : sinds de schepping der wereld is er tot heden nog geen voorlooper van Adam of de resten van een voorwereldlijk menschelijk wezen ontdekt. Het is nu meer dan 50 jaar geleden, dat prof. Rudolf Virchow op een groote vergadering van geleerden en vooraanstaande mannen van wetenschap in de Universiteit van Edinburgh de volgende merkwaardige woorden zei : »In den loop der laatste 15 jaren hebben wij de gelegenheid gehad de schedels van al de verschillende menschsoorten te onderzoeken Zelfs die der meest wilde stammen — en onder deze geen enkele groep gevonden, waarin verschil met de essentieele eigenschappen van het algemeen menschelijk type te ontdekken was, zoodat er geen recht is te spreken van een pre-anthropos anders dan bij wijze van speculatie«.
Het Joden-vraagstuk is geen nationaal vraagstuk. Want de Joden vertegenwoordigen als zoodanig geen volkomen eenheid. Zij zijn in hooge mate verscheiden, vertoonen eigenschappen die verschillen, bijna antipodisch getint zijn, al naarmate der omstandigheden waaronder zij geplaatst zijn. In de politiek vormen zij evenmin een eenheid. Hetzij men vijandig staat tegenover het republikeinsche beginsel van Ferdinand Lasalle of tegenover het conservatisme van B.enjeman Disraeli, of het patriotisme van Leon Gambetta, een sympathiseeren met den een en noodwendig opponeeren tegen den ander, het feit ligt daar : dat zij allen Joden zijn.
Ook kan het Joden-probleem niet vanuit het oogpunt der menschelijke natuur worden beschouwd of bestudeerd. Want ook hier is geen oplossing in uitzicht. Er is geen verschil tusschen Jood en niet-Jood. „Allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods". Of met de woorden van onzen Messias : „Uit het hart (des menschen, en niet van den Jood alléén) komen voort booze bedenkingen", en heel de reeks van gruwelen, waarvan Hij en zijn apostelen na Hem gewagen.
Het Joden-probleem is een godsdienstig probleem. Daarom is het beslist onmogelijk voor een Staat of een politieke partij het op te lossen. Niettemin, het probleem eischt een oplossing en wij zijn gedwongen er ons mede bezig te houden. Velerlei oplossing heeft zich in den loop der eeuwen aangediend, behalve die eene, die ons van het verbijsterend Joden-probleem alleen kan bevrijden.
Van de vroegste tijden af is de methode van uitroeiing beproefd om het Joden-probleem op te lossen. Farao trachtte de Joden te verdrinken. Nebukadnezar trachtte hen te verbranden. Darius beproefde het met den leeuwenkuil, Haman met de galg, Torquemada met de auto-dafé's, Rusland met de pogroms. Het liep alles op een mislukking uit.
Waar het uitroeien niet gelukte, beproefde men het met een soort afzonderingsmethode. De Jood moest zichbaar onderscheiden zijn van zijn medemenschen. Het laatste der vier decreten tegen de Joden op het lateraansche concilie van 1215 te Rome luidde : „In de gansche Christenheid en te allen tijde wordt voortaan den Joden geboden een bijzondere dracht of onderscheidingsteeken te dragen". Ook moest hij in afgescheiden deelen der stad wonen. Op Christelijke feesten werd hij achter de hooge muren van het ghetto gevangen gehouden. Een eerzaam beroep was hem niet vergund om uit te oefenen. Hij had velerlei plichten, zonder eenige rechten. Maar ook deze poging om het Joden-probleem op te lossen, bleek ijdel en vruchteloos, en dat niet alleen, maar het tegenovergestelde werd er door bereikt. Inplaats van den Jood te vernederen, hebben Kerk en Staat zichzelve vernederd en den Jood gaf deze afzondering het bewustzijn van een koning te wezen in het geestelijk paleis der overlevering.
Toen brak de tijd der verlichting aan, de tijd, dat de volken zich begonnen te schamen over de onder hen bewoonde ghetto's. De storm van de Fransche revolutie vaagde deze plaatsen van den aardbodem weg. Voor den Jood eindigden de Middeleeuwen pas in het loeien van dezen storm. De afzondering en uitsluiting maakten plaats voor liberale wetten. De Jood werd een geëmancipeerde burger. Pogingen werden in het werk gesteld om hem met de volken, waaronder hij woonde, te assimileeren. Maar ook deze vreedzame middelen bleken onmachtig het Joden-probleem te vernietigen.
Zal het moderne Anti-Semitisme bij machte zijn het lastig probleem uit ons midden te doen verdwijnen ? Israël is het eeuwige volk. Het volk van het verleden, het volk ook van de toekomst. Het Woord Gods waarborgt zijn onvoorwaardelijke bestendiging. Zoolang als Gods verbond van den dag en van den nacht, en daarmee de ordeningen des hemels en der aarde in stand gehouden worden, zal dit volk Israël blijven bestaan. En dit wondervolk zal het eerste volk zijn, dat als natie een nationale wedergeboorte zal doormaken. Maar de weg des Heeren en de wedergeboorte Israels worden door middelen geëffend en voorbereid. En deze middelen zijn toevertrouwd en in handen gegeven aan diegenen, die Hij het Koninkrijk doet beërven.
Tucht in de school.
In het Onderwijs-verslag 1937, uitgave van de Landsdrukkerij, wordt ook de aandacht gewijd aan het vraagstuk van de tucht in de school.
We lezen daar :
»De kwestie van de tuchteloosheid der jeugd vraagt nog steeds om een oplossing. Ouders en kinderen moeten weten, dat de onderwijzers het recht hebben om hun leerlingen te straffen, al behoeft die straf niet te bestaan in een lichamelijke tuchtiging. Zooals de zaken thans staan, zijn de onderwijzers machteloos. Het is verwonderlijk, hoe spoedig ouders en kinderen weten, dat ergens een onderwijzer of kweekeling „wegens mishandeling" beboet is. Er zijn ouders, die formeel weigeren hun kinderen bij wangedrag eenig strafwerk te laten maken en die nog meenen zich te mogen beklagen als die kinderen, na herhaalde waarschuwing, van school worden gezonden. In het belang van het opgroeiend geslacht, dus van ons gansche volk, behoort aan de opvoeders der jeugd — zij het beperkt — tuchtrecht té worden toegekend«.
Over Kerk en Staat.
In „De Wekker", orgaan van de Chr. Geref. Kerk in Nederland, schreef ds. J. Hovius te Nieuwe-Pekela een serie van vier artikelen over de quaestie van den trouweed in de Duitsche Evangelische kerken. In deze artikelen belicht de schrijver de wijze, waarop Kerk en Staat reeds eeuwenlang in Duitschland aan elkander verbonden zijn en concludeert dan als volgt:
»Wat wij dus thans in Duitschland vinden, is een gevolg van de principieel onjuiste verhouding van Kerk en Staat. De kerken hebben daar het „privilege" van „Staatskerk" te zijn, met alle voordeden, daaraan verbonden, maar ook met alle lasten en narigheden, die dit meebrengt. En zoolang men dit „privilege" niet wil prijs geven, d.w.z. zoolang men daar niet tot den Staat zegt : Wij danken u beleefd voor uw hulp en steun in het verleden, maar wij zullen nu voor onszelf zorgen, omdat wij onszelf willen zijn — zoolang zal men Ariër-paragraaf, concentratiekamp, eed van trouw en wat dies meer zij, op den koop toe moeten nemen. Er is feitelijk m.a.w. voor de Duitsche Staatskerken maar één weg uit de impasse, en dat is, dat men tracht „vrije kerken" te worden.
Wij durven dit alles zeggen, omdat de enkele „vrije kerken", die er in Duitschland zijn, in geen enkel opzicht eenigen last ondervinden. De predikanten dezer „vrije kerken" behoeven ook den eed van trouw niet af te leggen. Wij hebben, om met zekerheid te kunnen spreken, geïnformeerd bij den leider v. d. Bond van Baptistengemeenten in Duitsch land, ds. Paul Schmidt te Berlijn. Deze schreef o.a. terug : , »Die Prediger der Baptistengemeinden und alle andern Prediger in den evangelischen Freikirchen sind zur Eidesleistung nicht aufgefordert worden. Est ist auch meines Wissens nicht geplant, sie dazu aufzufordern«. Hieruit blijkt duidelijk het standpunt van de Duitsche regeering ten aanzien van de kerken. De predikanten der Staatskerken zijn staatsambtenaren en moeten diensvolgens den eed van trouw afleggen ; de predikanten der „vrije kerken" zijn geen staatsambtenaren en zijn derhalve vrij van den eed«.
Waar het geld heen ging.
Het Amerikaansche blad The Christian Labor Herald is in staat om op te geven waaraan in 1937 het Amerikaansche geld besteed werd.
Deze leerzame statistiek luidt als volgt : Voor alle religieuse werk 530 millioen dollar Voor wapenen 788 millioen dollar Voor drank 6000 millioen dollar Voor de bioscoop 1053 milloen dollar Voor reizen Sooo millioen ollar Voor dobbelen 6500 millioen dollar Voor tabak , 1500 millioen dollar Voor cosmetiek 1000 millioen dollar Voor openbaar onderwijs 2600 millioen dollar Voor geneeskundige zorg 3500 millioen dollar
Nederlandsch Jongelings Verbond.
Het Nederlandsch Jongelings Verbond bereikt thans 20.000 jonge mannen boven de 17 jaar, verdeeld over 840 afdeelingen ; 16700 jongens van 12— 17 jaar, verdeeld over 740 clubs, terwijl iiooo jongens zijn Zondagsscholen en kinderkerken bezoeken, 47700 jonge menschen in totaal.
NEDERLANDSCHE HERVORMDE KERK.
Drietal :
te Leermens : W. de Jong te Idsegahuizen, J. W. V. d. Meene te Nieuw-Dordrecht en H. G. Mooi te Koekange.
Beroepen :
te Westernieland en Saaxumhuizen J. A. Dankbaar, cand. en hulppred. te Kralingen — te Papendrecht J. W. V. d. Linden te Kootwijk.
Aangenomen :
naar Ilpendam M. Foelien, cand. en hulppred. Wijk aan Zee en Duin.
Bedankt :
voor Waverveen drs. J. C. Hooykaas te Dussen — voor Hoog-en Laagkeppel B, Nijholt te Slootdorp.
GEREFORMEERDE KERKEN.
Beroepen :
te Anna Paulownapolder Jac. van Nieuwkoop, cand. te Rijnsburg.
Aangenomen :
naar Santpoort (als hulppred.) D. Wijnbeek, cand. te Amsterdam.
Bedankt :
voor Soest H. Vogel te Loppersum.
CHRISTELIJKE GEREFORMEERDE KERK.
Tweetal :
te Nieuw-Vennep P. de Smit te Utrecht en D. Henstra te Haarlem-N.
Bedankt :
voor Harlingen W. Meijnhout te Nieuwendam (Amsterdam-Noord).
GEREFORMEERDE GEMEENTEN.
Beroepen :
te Rijssen (Eschkerk), M. Hofman, te Moercapelle — te Bruinisse J. D. Barth te Dordrecht.
Afscheid en Intrede.
Wegens vertrek naar Amsterdam heeft Zondagavond ds. J. H. H. van Beem afscheid genomen van de Ned. Hervormde Gemeente van Tuindorp-Vreewijk (Rotterdam). Gedurende 8 jaar heeft ds. van Beem deze gemeente, wier eerste predikant hij was, gediend. Veel is in die jaren tot stand gekomen. O.a. kon de houten hulpkerk, waarin ds. van Beem zijn intrede heeft moeten doen, worden verwisseld voor de mooie en ruime Vredeskerk, met een mooie pastorie er naast.
Voor het afscheid bestond zeer groote belangstelling, zoodat de kerk overvol was.
Ds. van Beem hield een predikatie over Johannes 15 : 4a : Blijft in mij en ik in u.
Spr. wees er op, dat Jezus' werk van blijvenden aard is en dat wij ons moeten vasthouden aan het blijvende.
In den tekst wordt er op gewezen : i. dat de discipel in Jezus moet blijven en 2. dat Jezus dan in den discipel blijft.
Na de predikatie sprak ds. van Beem een persoonlijk woord. Spr. zeide ds. Hettinga van Barendrecht dank dat hij het consulentschap heeft willen aanvaarden. Den kerkeraad zeide hij hartelijk dank voor de spontane medewerking en de krachtige hulp, die hij altijd van hem heeft ondervonden. De ijver en toewijding van de kerkeraadsleden heeft hem altijd getroffen. In het bijzonder dankte hij den scriba, den heer Michelse. Ook met het college van kerkvoogden heeft hij altijd op prettige en hartelijke wijze mogen samenwerken. De reglementen onzer kerk verbieden dat de kerkvoogdij deel uitmaakt van den kerkeraad, wat er dus op neerkomt, dat de penningmeester geen deel uitmaakt van het bestuur. Toch heeft spr. in de kerkvoogdij altijd gezien een waren raad der kerk. Ook het college van notabelen zeide spr. dank, alsmede al die vereenigingen en colleges, waarmede zijn vrouw en hij in contact zijn geweest. Er zijn ontzaglijk veel werkers en werksters in de gemeente.
De onderbouw der gemeente is geweldig sterk, dat is haar kracht. De offervaardigheid der gemeente is groot geweest, niet alleen in geld, maar ook in tijd, toewijding en gebed. Spr. dankte den tegenwoordigen hulpprediker, ds. van den Broek, en de overige hulppredikers, en richtte ook eenige woorden tot zijn echtgenoote, die niet alleen een hulpe tegenover haar man, maar ook tegenover de gemeente is geweest. Tenslotte richtte spr. zich tot de gemeente, die hij innig dankbaar is. Het was altijd heerlijk voor haar te preeken, want er was een ontvankelijkheid, een openheid en een aandacht, die in de jaren niet is verflauwd, maar toegenomen en verdiept. Nu hij zijn werk hier neerlegt, wil hij dat doen met de bede dat God allen nabij zij en zegene.
De president-kerkvoogd, de heer P. Haagsma, dankte ds. en mevrouw van Beem voor de groote trouw, waarmede zij hebben gearbeid. Enkele jaren geleden scheen de toestand der gemeente nog hopeloos, nu is de teruggang tot staan gekomen en is de gemeente een voorbeeld voor andere. Hier is het bewijs geleverd welke groote mogelijkheden, het parochiestelsel, de eenmanskerk, biedt. Nu men hiermede ook in Amsterdam een proef wil nemen, is ds. van Beem zeker de aangewezen man, die met Gods hulp daar een nieuwe gemeente zal kunnen vormen.
De scriba van den kerkeraad, de heer Michelse, sprak hierna hartelijke afscheidswoorden, evenals de hulpprediker ds. van den Broek, en de consulent, ds. Th. Hettinga, van Barendrecht, die ook het woord voerde namens de collega's van den ring IJsselmonde.
De gemeente zong hierna ds. van Beem toe Ps. 121 : 4 : De Heer zal u steeds gadeslaan, waarna ds. van Beem de sprekers en de gemeente dankzegde voor hun woorden en beden.
Na den dienst was er in de oude hulpkerk gelegenheid van ds. van Beem en zijn gezin afscheid te nemen, van welke gelegenheid zeer velen gebruik hebben gemaakt.
Afscheid ds. M. Ottevanger.
Zondagavond nam. ds. M. Ottevanger afscheid van de Ned. Hervormde Gemeente van Kampen.
Als afscheidstekst had spr. gekozen l Petrus 5 vs. 10 en II. Spr. wees de gemeente in de eerste plaats op den God aller genade uit Wien, door Wien en tot Wien alle dingen zijn, In de tweede plaats, aldus spr., dragen wij u biddend op aan Hem, opdat Hij Zijn werk volmake, en in de derde plaats wenschen wij in Hem, dankend onze predikatie en onzen arbeid te voleindigen.
Ds. K. Hielkema, de oudste predikant der gemeente, sprak den scheidenden leeraar namens zijn collega's toe, waarna de gemeente op zijn verzoek ds. Ottevanger toezong Ps. 134:3.
Dit is voor de 2de maal dat ds. Ottevanger van Kampen vertrekt, daar hij ook van 1930—33 aldaar predikant was ; nu sinds 21 October 1934.
Afscheid ds. B. E. J. Bik.
De Luthersche predikant van Enkhuizen, ds. Bik, nam Zondag onder buitengewoon groote belangstelling afscheid van zijn gemeente wegens vertrek naar Amsterdam.
„Ik moet naar Amsterdam gaan, hoe moeilijk ik ook van Enkhuizen scheiden kan. Want onze kerk staat op het spel. Ik zal gaan en vechten, zoolang er adem in mijn longen is, om onze Kerk op te richten uit het moeras, waarin zij is verzonken, opdat ook in Nederland het Lutherdom weer moge worden tot een vaste burcht.”
Deze woorden, op bewogen toon gesproken, liet de scheidende leeraar voorafgaan aan zijn preek.
Aan het einde van den dienst gewaagde ook de heer Schenkman van Amsterdam, vertegenwoordiger van de Algemeene Kerkelijke Commissie van het Hersteld Evang. Luthersch Kerkgenootschap 'van moeilijkheden in de kerk. „Er is een storm opgestoken.zei spr., en alle man moet op de dijken om den vloed te keeren. Gij zult het te Amsterdam moeilijk krijgen meer dan ge kunt vermoeden. Elke vezel van uw geestelijke kracht zal geëischt worden. Spr. bad ds. Bik in den strijd Gods zegen toe.”
De afscheidspredikatie handelde over Handelingen 28 : 22b „hoor wat deze secte aangaat, het is u bekend dat zij overal wordt tegegesproken''. Deze tegenstand van de wereld jegens het Christendom noemde ds. Bik l. een ontwijfelbaar feit ; 2e een onoplosbaar raadsel ; 3. een opgelost raadsel ; 4. een onschatbare weldaad en 5. een ontsloten levensles. Ds. Bik, die de gemeente acht jaar heeft gediend, heeft door zijn rechtzinnige prediking te Enkhuizen, steeds veel toeloop gehad, ook uit andere dan Luthersche kringen. Bij het afscheid was het kerkgebouw overvol. Ook de burgemeester van Enkhuizen, de heer J. C. Haspel, was aanwezig.
Ds. A. W. M. Odé.
Naar wij vernemen is ds. A. W. M. Odé, Ned. Herv. predikant te Goes, met vacantie van huis zijnde, door een ernstige ongesteldheid getroffen, zoodat zijn opname in het Diaconessenhuis te Leiden noodzakelijk was. Hij heeft daar Vrijdag reeds een operatie ondergaan.
De behandelende geneesheer is over den toestand tevreden.
Wijngaarden.
Dr. M. H. A. J. L. van der Valk, cand. te Hillegersberg, doet 11 September in deze gemeente, die meer dan 20 jaar vacant is geweest, zijn intrede. Bevestiger is de consulent, ds. F. Anker, van Goudriaan-Ottoland.
In een ander persbericht lazen we, dat ds. J. G. R. Langhout van Kamerik bevestiger zal zijn.
Ds. J. Ritter f
Ds. J. Ritter, Ned. Herv. predikant te Ravenstein (Ring Grave, classis 's-Hertogenbosch), die te 's-Gravenhage logeerde, wandelde Zaterdagmiddag op het duinpad bij het stille strand. Daar is hij plotseling door een beroerte getroffen en ter plaatse overleden. Het stoffelijk overschot is naar het ziekenhuis aan den Zuidwal vervoerd.
Ds. Ritter, die 62 jaar geworden is, en in 1904 candidaat geworden, diende de gemeenten van Obdam. Beets, Wommels, Franeker en Barchem, en was sedert 8 Februari 1931 te Ravestein. Hij was praetor van den Ring Grave.
De regeling met achterstallige gemeenten.
Er zijn nog altijd gemeenten, die weigeren te betalen aan den Raad van Beheer inzake de predikantstractementen. De gemeenten, die gewillig zijn geweest — en het zijn er vele — hebben elk jaar betaald, wat aan de uitkeering van de predikantstractementen ten goede is gekomen. Maar de weigerachtige gemeenten hebben jaar op jaar niet betaald, waaronder vele gemeenten, zoowel vele vrijzinnige als vele rechtzinnige gemeenten, het financieel minstens zoo goed kunnen doen, als de gemeenten, die jaar op jaar aan den aanslag voldeden.
Wanneer er nu een regeling getroffen moet worden tusschen den Raad van Beheer en de weigerachtige gemeenten, moet uit den aard der zaak gepraat worden over de achterstallige jaarlijksche bijdragen. En dat loopt dan soms aardig hoog op, wat te begrijpen is. Zoo lazen we dezer dagen in een correspondentie uit Friesland het volgende (in de N. Rott. Ct.) :
»In deze provincie met haar vele kerkelijke goederen, zijn vele gemeenten, die zich niet naar den Raad van Beheer gevoegd hebben. Wanneer partijen dan bij elkander komen om de zaak te regelen, zegt men menigmaal, dat het uitloopt op „koehandel" en de Raad van Beheer zooveel water in den wijn doet, dat er haast geen wijnsmaak overblijft.
Dat deze bewering niet altijd juist is, kan uit het onderstaande blijken, waaruit duidelijk wordt, dat de Raad van Beheer niet altijd de diepste buiging maakt.
Volgens het laatste verslag van dezen Raad hebben de volgende gemeenten haar zaken met den Raad gereguleerd over 1922—'36 door betaling van de bedragen, achter de gemeentenamen geplaatst : Dronrijp (classis Franeker) ƒ 29996 ; Lippenhuizen ca. (classis Heerenveen) ƒ 9000 ; Nijega ca. (classis Leeuwarden) f 38492; Nijland (class. Sneek) ƒ36110; Oudega (classis Leeuwarden) ƒ 1693s ; Tjummarum (classis Franeker) ƒ 33948 ; Wartena ca. (classis Leeuwarden) ƒ 46009. Dit zijn voo-rzeker respectabele bedragen, omdat men ook tal van jaren niets betaald heeft, terwijl andere gemeenten wèl betaalden. En die z'n schulden niet betaalt, loopt vast.
De kweekeling met acte.
In 't Onderwijsverslag-1937, een omvangrijk boekwerk van ongeveer 600 blz.,
vinden we aangaande „den kweekeling met acte" het volgende :
»Algemeen zijn de inspecteurs van meening, dat de aanwezigheid der kweekelingen voorkomt, dat de toestand bij het lager onderwijs, welke toch al hier en daar bedenkelijk is, volslagen onhoudbaar zou worden. Het aantal overbevolkte lokalen zou nog veel grooter zijn, indien er niet zooveel jonge leerkrachten waren, die geen betrekking kunnen vinden en in veel gevallen al blij zijn dat ze in de school mogen werken, zelfs wanneer ze er geen enkele belooning voor ontvangen. Indien men niet zoo goedkoop over deze hulpkrachten kon beschikken, zou de nadeelige invloed van de bezuinigingsmaatregelen, waarvan de gevolgen ieder jaar erger worden, nog duidelijker merkbaar zijn dan thans reeds 't geval is.
Een behoorlijk salaris wordt zelden gegeven. De meesten verdienen 'n paar honderd guldens 's jaars, vaak met veel moeite van alle kanten bij elkaar gebracht, terwijl het volstrekt geen uitzondering is, dat niet de geringste belooning wordt toegekend.
Is het te verwonderen, dat, nu de toestand van 's rijks schatkist het nog niet toelaat de leerlingenschaal te verlagen, menige kweekeling, na reeds jaren voor de klas te hebben gestaan zonder een cent te verdienen, tenslotte moedeloos wordt en wel gedwongen is dikwijls met zijn hoofdakte en één of meer bij akten, er voor goed het bijltje bij neer te leggen ? Als men elk oogenblik onder de kweekelingen leerkrachten aantreft met buitengewone kwaliteiten, die op elke school volkomen op hun plaats zouden zijn, dan wordt men wel hoogst pijnlijk getroffen bij de gedachte, dat de omstandigheden oorzaak zijn, dat maar een klein gedeelte van deze als 't ware voor het onderwijs geboren leerkrachten voor goed een plaats in de school zal kunnen vinden.
Het lot van de kweekelingen is werkelijk betreurenswaardig ; de jaren gaan voorbij en nog bestaat er weinig uitzicht op verbetering. Er zijn er onder, die zich als paria's voelen.
Over de vraag, of kweekelingen al dan niet in de school moeten worden toegelaten, bestaat duidelijk verschil van meening.Men vreest, dat hun aanwezigheid een verlaging der leerlingenschaal zal tegenhouden, omdat de groote bezwaren van de vigeerende schaal niet zoo scherp naar voren komen, terwijl men er ook voor terugschrikt om aan deze jonge menschen uit 's rijks kas eenige vergoeding toe te kennen, omdat men bevreesd is, dat daardoor op den duur de salarieering van den onderwijzer ongunstig zal worden beïnvloed.
Anderzijds echter wordt erkend, dat de arbeid van deze jonge leerkrachten niet alleen voor de school en voor het onderwijs van het grootste belang is, maar dat hij ook een weldaad is voor deze jonge menschen zelf. Al mogen ze dan niet het normale salaris ontvangen, ja, al werken ze zeer vaak voor een vergoeding, welke een aanklacht is tegen de gemeente-en schoolbesturen, die van dezen arbeid profiteeren, tóch werkt hun regelmatig werk_ in de school iets goeds uit, omdat ze op deze 'manier toch een doel hebben in het leven, waarvoor ze werken kunnen. Wanneer deze jonge menschen gedoemd waren om dag in. dag uit als nietsnutters aan de arbeidsmarkt te staan, zou die gedwongen ledigheid hun geestelijk tot groote schade zijn.
Wij mogen niet vergeten, dat de kweekelingen thans het jongere element in de school vormen, dat er toch niet mag ontbreken. Zij zijn de jongeren van 19—26 jaar, die vaak in zeer moeilijke economische omstandigheden toch nog tijd en lust vinden voor verdere studie.
Het aantal voorbeelden, dat door de aanwezigheid van kweekelingen minder gewenschte toestanden ontstonden, is groot. Het zou niet mogen voorkomen, dat een driemansschool met 80 leerlingen bovendien nog drie onbezoldigde kweekelingen heeft Evenmin als de grens naar boven ten opzichte van het aantal leerlingen per leerkracht mag worden overschreden boven het menschelijk mogelijke, mag deze overschreden worden naar beneden tot het menschelijk onproductieve«.
Nederland en het Huis van Oranje.
Een beschouwing in de Praagsche Bohemia.
Naar aanleiding van het regeeringsjubileum van de Koningin, schrijft de Bohemia te Praag :
»’t Is ons duidelijk, dat door Willem van Oranje de Nederlandsche geschiedenis het stempel van twee nationale beginselen heeft verkregen : de individueele vrijheid van het geestelijk leven en de internationale samenwerking op oeconomisch gebied in deze twee grondstellingen heeft Nederland zichzelf ontdekt. Ten eerste in aardrijkskundig opzicht als deltagebied aan de monding van drie groote rivieren en daardoor door de natuur aangewezen tot ontwiKkeling van handel en scheepvaart, en ten tweede in het opzicht van de psychologie des volks ; tot ver over de grenzen gold van toen af het streven naar verdraagzaamheid van het Nederlandsche volk als een nationale deugd. Zoowel in den tijd van de Republiek alsook onder 't Koninkrijk hebben de Oranjes steeds hun geheelen invloed gebruikt om Nederland bij de verwezenlijking van deze groote historische taak te schragen. Ook thans, nu de Nederlanden een constitutioneele monarchie zijn, is de invloed van het Koninklijk Huis op de versterking van deze taak gericht gebleven.
Het stervende Frankrijk.
Het Fransch Christelijk orgaan Le Christianisme au XXe siècle vermeldt, dat in 1937 in Frankrijk het aantal sterfgevallen het aantal geboorten met 30.000 overtrof.
In Duitschland (zonder Oostenrijk) was in 1937 in totaal het aantal geboorten 482.000 grooter dan het aantal stergevallen.
In Oostenrijk nog erger dan in Frankrijk.
Het blad herinnert er aan, dat in Oostenrijk de toestand nog erger was dan in Frankrijk ; het aantal geboorten bleef daar procentueel nóg sterker bij het aantal sterfgevallen ten achter. Het zegt, dat Christelijk Frankrijk thans nieuwsgierig is om te weten, of de Duitsche nationaliteitspolitiek, voornamelijk bestaande in 't verstrekken van de gemakkelijke huwelijksleeningen, in de zeer hooge ondersteuningen voor kinderrijke gezinnen en in de krachtige bestrijding der werkloosheid, in Oostenrijk helpen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's