Het Regeerings-Jubileum.
1898—1938
Spontaan is de vreugd. Dat komt omdat de liefde tot het huis van Oranje, niet 't minst de liefde tot onze zoo geëerde Vorstin, er zoo diep in zit bij heel ons volk, arm en rijk, of men in Zeeland of in Friesland woont, de Limburger en de Noordbrabander niet uitgezonderd. Het komt omdat de dankbaarheid zoo groot is, ziende op de voorrechten die wij als volk van Nederland, door Gods wondere goedheid, mogen genieten. En vooral zij, die in deze dingen Gods hand mogen opmerken, Gods barmhartigheden van het historieblad mogen aflezen, hebben er behoefte aan om nu uiting te geven aan hun aanhankelijkheid, aan hun liefde, aan hun vreugd. Voor Gods aangezicht willen wij het brengen nu, ingaande tezamen in Gods huis ; als volk willen wij het uitspreken ook op straat, dat wij blij en dankbaar zijn !
Plato heeft het in zijn boek over den Staat uitgesproken — de Spiegel-redacteur van de N. Rott. Ct. wees er op — dat als ideaal gesteld moet worden, dat de wijzen en de verstandigen tot koning moeten verkozen worden en dat de koningen wijs en verstandig moeten regeeren, zal het goed gaan. En de Godsmannen der Oude bedeeling hebben het al uitgesproken, anders wel, maar toch ook in dien zin, dat het land gezegend is waar een wijs en verstandig Vorst op den' troon zit, de hoogste wijsheid roemend die daar is in de vreeze des Heeren en het houden Zijner geboden. Was het Gode niet aangenaam, dat de jonge koning Salomo dat begeerde, méér dan de schatten der aarde ?
Een staatsman, wiens reputatie vér over de grenzen van zijn land hekend was, schreef van onze geëerbiedigde Koningin Wilhelmina: „De Nederlandsche Kroon wordt gedragen door een der schranderste en meest intelligente onder de gekroonde hoofden van Europa". En een die het weten kan schreef : „Koningin, Gij hebt geen veldslagen gewonnen, geen landen veroverd, maar onze kinderen zullen Uw naam zegenen en Uw gedachtenis eerbiedig overdragen aan het nageslacht, omdat Gij, vertrouwend opziende tot God, in bezonnenheid en zelfbeheersching Uw volk bewaardet, toen menschonteerende heerschzucht, hebzucht en haat nameloos wee over de wereld brachten.”
Heeft de groote Treub — die wars van alle vleierij was — Haar niet genoemd en beschreven als „Moeder des Vaderlands" ? En Henry van Dyke, gewezen gezant van Amerika bij ons Hof, noemde haar in een boek „een der verstandigste vorsten, in alle opzichten een goede regeerster voor het democratisch Nederland.”
Bij voorspoed en tegenspoed, in dagen van vreugd en leed, is Zij steeds geweest een fiere, flinke, sterke vrouw, die met blijmoedigheid en geloofsvertrouwen al de jaren haar taak, haar zware en moeilijke taak, vervuld heeft, die de woorden mocht overnemen : „Na 't suer sal ick ontvangen van God den Heer het soet”
Het zware, het moeilijke, het zure — heeft Zij niet Haar deel ontvangen in de veertig jaar, di© nu achter ons liggen ? Is er niet veel, heel veel gebeurd in Haar jeugd, toen zij jong aan de regeering kwam, toen zij echtgenoote, toen zij moeder was geworden, in Haar huis en in Haar Koninkrijk ? En dat juist waar Zij met alles zoo intens meeleeft en Zich zoo geheel geven wil altijd, voor Haar volk en voor Haar land, voor Haar huis en voor alles wat Haar omringt ?
Hoe weinig zal Zij hebben vermoed wat Haar wachtte, toen Zij als jonge vrouw, met stralende vreugd en in volle kracht, in 1898 ten troon verheven werd en Haar de Koningskroon in de Nieuwe Kerk te Amsterdam op 't hoofd werd gezet, omringd van een juichend volk.
Maar als dan zoo heel veel — gelukkig ! — voor Haar oog verborgen is, spreekt Zij kloek en recht op den man af, zooals Zij dat altijd doet, Haar eerste woord tot Haar volk, in de PROCLAMATIE van 31 Augustus ISQS, die we hier laten volgen :
Aan Mijn Volk !
Op dezen voor U en Mij gewichtigen dag gevoel Ik Mij gedrongen eenige woorden tot U te richten.
Allereerst een woord van warme dankbaarheid ! Sedert Mijne vroegste jeugd hebt Gij Mij omgeven met Uwe liefde. Uit alle deelen van het Koninkrijk, uit alle kringen der maatschappij, van ouden en jongen ontving Ik steeds de treffendste blijken van gehechtheid. Nadat Mijn beminde Vader Mij was ontvallen, werd al Uw aanhankelijkheid aan Mijn Stamhuis op Mij overgebracht. Thans, nu Ik gereed sta, de schoone, doch zware taak, waartoe Ik geroepen ben, te aanvaarden, gevoel Ik Mij als gedragen door Uw trouw.
Ontvangt Mijnen dank ! Hetgeen Ik tot dusver mocht ondervinden liet onuitwischbare indrukken bij Mij na. Het is Mij een waarborg voor de toekomst.
Mijne innig geliefde Moeder, aan Wie Ik onuitsprekelijk veel verschuldigd ben, gaf Mij het voorbeeld van een edele en verheven opvatting der plichten, die nu op Mij rusten.
Ik stel Mij tot levensdoel dat voorbeeld na te volgen, te regeeren zooals van een Vorstin uit het Huis van Oranje wordt verwacht. Aan de Grondwet getrouw, wensch Ik den eerbied voor den Nederlandscben naam en de Nederlandsche vlag te bevestigen. Ik wensch bij het Opperbestuur over de Bezittingen en Koloniën in Oost en West rechtvaardigheid te betrachten en naar Mijn vermogen bij te dragen tot verhooging van Uw geestelijk en stoffelijk welzijn.
Ik hoop en verwacht, dat Uw aller steun, in welken ambtelijken of maatschappelijken werkkring binnen of buiten het Koninkrijk Gij zijt geplaatst. Mij daarbij nooit ontbreken zal.
Op God vertrouwende en met de bede, dat Hij Mij sterke, aanvaard Ik de regeering. Gedaan te 's Gravenhage, op heden den 31 sten Augustus 1898.
WILHELMINA.
6 September volgt de beëediging en de inhuldiging in een vereenigde
vergadering van de beide Kamers der Staten Generaal, daartoe bijeengeroepen in de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Zittend op Haar troonzetel spreekt zij met klare, klankrijke stem :
Mijne Heeren leden der Staten-Generaal.
Reeds op jeugdigen leeftijd heeft God Mij door het overlijden van Mijn onvergetelijken Vader tot den Troon geroepen, dien Ik onder het zoo wijze en zegenrijke Regentschap Mijner innig geliefde Moeder beklom. Na de vervulling van Mijn achttiende levensjaar heb Ik de regeering aanvaard ; Mijn proclamatie heeft dat aan Mijn dierbaar Volk bekend gemaakt.
Thans is de ure gekomen, waarin Ik Mij te midden van Mijn trouwe Staten-Generaal, onder aanroepen van Gods heiligen Naam, zal verbinden aan het Nederlandsche Volk......
Hoog is Mijn roeping, schoon de taak, die God op Mijn schouders gelegd heeft......
Ik. acht het een groot voorrecht, dat liet Mijn levenstaak en plicht is, al Mijn krachten te wijden aan het welzijn en de bloei van Mijn "dierbaar Vaderland. De woorden van Mijn beminden Vader maak Ik tot de Mijne : „Oranje kan nooit, ja nooit, genoeg voor Nederland doen”.....
Dan staat de jeugdige Vorstin op van Haar zetel. De Koningsmantel werpt zij een weinig terug van de rechterschouder — de rechterhand heft zij omhoog en in hoogen en heiligen ernst zweert Zij den Kroningseed :
„Ik zweer aan het Nederlandsche Volk, dat Ik de Grondwet steeds zal onderhouden en handhaven.
Ik zweer, dat Ik de onafhankelijkheid en het grondgebied des Rijks met al Mijn vermogen zal verdedigen en bewaren ; dat Ik de algemeene en bijzondere vrijheid van al Mijn onderdanen zal beschermen en tot instandhouding en bevordering van de algemeene en bijzondere welvaart alle middelen zal aanwenden, welke de Wetten te Mijner beschikking stellen, zooals een goed Koning schuldig is te doen.
Zoo waarlijk helpe Mij God Almachtig." Het is nu veertig jaar na dien plechtigen stond : 6 September 1898—6 September 1938. Toen is gezongen in de Nieuwe Kerk :
O, onvergeetb're stond, O, dag van zielsverblijding, Hoe werd 't aloud verbond Gesterkt door hooger wijding. Nu daal' op 't vorst'lijk hoofd, Heel Neêrlands vreugd en eer. Een rijke zegen neer ! Zoo wordt Gods Naam geloofd.
„Heel Neêrlands vreugd en eer", onze geliefde Vorstin, staat nóg in ons midden, in ongebroken kracht, hoeveel er ook over het Koninklijk hoofd is' heengegaan. Is dat niet een oorzaak van groote vreugd voor héél ons volk ? Mag en moet daarom de blijde jubel niet klinken van Noord tot Zuid, van Oost tot West ?
Wat heeft onze Vorstin het dikwijls moeilijk gehad, tot op vandaag.
„De geschiedschrijver, die zich tot taak heeft gesteld een overzicht te geven van de historie van de regeering van Koningin Wilhelmina, zal tot de erkenning moeten komen, dat geen der Oranjevorsten een tijd van zulke geweldige veranderingen op politiek, sociaal en oeconomisch gebied beleefd hebben, als die, welke plaats greep tijdens de regeering van Koningin Wilhelmina.
Prins Willem van Oranje zag tijdens zijn bestuur de wereldmacht van de Spaansche Monarchie ineenstorten. Prins Willem III, de Stadhouder-Koning, nam daadwerkelijk deel aan de bittere worsteling der twee groote West-Europeesche mogendheden, Frankrijk en Engeland, zag hét fundament leggen voor de heerschappij ter zee van het Engelsche volk. En Stadhouder Willem V zag met ontroering den ondergang van het Fransche Koningshuis, dat nagenoeg duizend jaar het regime gevoerd had.
Tijdens de regeer ing van Koningin Wilhelmina is het huis Hohenzollern, dat vijf eeuwen in Duitsxhland regeerde, verdreven ; de Habsburgers, zeven eeuwen regeerders van de Oostenrijksche monarchie, zwerven als ballingen rond ; het huis der Romanofs, drie eeuwen lang absoluut regeerend vorstenhuis in Rusland, is door onverlaten uitgemoord. De monarchie van Oostenrijk-Hongarije is uiteengevallen, het Turksche rijk .van zijn macht beroofd, op de puinhoopen van het Duitsche Keizerrijk is een ander rijk gesticht, dat zijn kracht zoekt in zijn isolement.
’t Zijn alle gebeurtenissen, zoo ontzaglijk, van zóó verstrekkende beteekenis, dat alleen de toekomstige geschiedschrijver daarvan de draagwijdte zal kunnen omvademen.
„Maar er is meer. Tijdens de regeering van Koningin Wilhelmina heeft de strijd zich volstreden, die de vierde stand begon om zich politiek en sociaal een plaats te veroveren naast de andere standen ; die strijd is gewonnen. De arbeidersklasse heeft haar doel bereikt.
Daar komt bij dat de felle wereldbrand, die Europa, eigenlijk de geheele wereld gedurende vier jaar geteisterd heeft, wel enkele vraagstukken opgelost heeft, doch een aantal nieuwe problemen in het leven geroepen, die aan de regeerkracht der verschillende bestuurders, aan de denkkracht der Staatslieden en oeconomen de hoogste eischen stellen.
De staatsburger, wiens taak beperkt blijft tot de zorg van zijn gezin, maar die toch ook belangstellend toeziet bij het wereldgebeuren, duizelt bij de gedachte aan de moeilijkheden, waarin de wereld verkeert. Hoeveel te meer moet de taak om leiding te geven aan het bestuur, zwaar vallen aan de personen, die met de regeering belast zijn.
Dankbaar is het Nederlandsche volk, dat een telg uit het Oranjehuis nu op den troon zit. Weliswaar een vrouw, maar een vrouw, die als Landsvrouwe, als besturend Vorstin, welbewust, doordrongen van het besef der groote moeilijkheden, waarvoor land en volk geplaatst worden, in de zwaarste tijden, met opoffering van eigen rust, haar volk geleid en haar land bestuurd heeft.
Dankbaar heeft het Nederlandsche volk die leiding aanvaard. Er is een, mystieke band, die hier Vorstenhuis en Vaderland verbindt, en tallooze malen is die groote liefde, die ten slotte de binding is tusschen vorst en volk, tot uiting gekomen, niet 't minst juist de laatste jaren, vol bewogenheid.
De door den stormwind voortgejaagde golven der Noordzee verheffen zich hemelhoog, om dan in een afgrond neer te storten, als verdwenen in het niet. Zóó is het ook met de Oranjeliefde, soms weg, latent, verdwenen, maar dan ineens zich opstuwend met ongedachte kracht alles verpletterend, wat zou trachten haar tegen te houden of te vernietigen.
In ons democratisch bestuur blijft de Vorstin op den achtergrond, maar de ingewijden weten, met welke nauwlettende zorg en met welk een groote accuratesse de Koningin haar plichten als Landsvrouwe vervult". (Dr. J. C. van der Does : De Prinsessen uit het Huis van Oranje).
Van 1898 tot heden heeft Hare Majesteit de Koningin het bestuur gevoerd over het Rijk in Europa en daarbuiten. Spoedig na de troonsbestijging trad een groote verandering op in Haar huiselijk leven. In het najaar van 1900 maakte de Koningin bekend, dat Zij zich verloofd had met Zijne Hoogheid Hertog Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. In Februari 1901 trad de Koningin in het huwelijk. Uit dit huwelijk is op 30 April 1909 Prinses Juliana Louise Emma Marie Wilhelmina geboren.
Tijdens de regeering van Koningin Wilhelmina is de politieke strijd rusteloos voortgezet. Haar troonsbestijging vond plaats onder het liberale ministerie Pierson-Goeman Borgesius (1897—1901). Dit liberale ministerie werd in 1901 vervangen door het rechtsche Kabinet Kuyper (1901—1905). De groeiende macht van het Socialisme had de rechtsche partijen meer en meer naar elkander toegedreven, zoodat de coalitie tot stand kwam tusschen de Anti-revolutionairen, de Christelijk Historischen en de Roomsch-Katholieken. Deze coalitie behaalde bij de verkiezingsstrijd in 1901 de overwinning.
Het ministerie Kuyper kwam in 1903 in de grootste moeilijkheden door de spoorwegstaking, welke door Socialistische en Anarchistische agitatie werd geforceerd. De regeering zorgde met spoed voor de stakingswetten.
Plichtsverzaking in openbare dienst werd nu voortaan strafbaar gesteld. De ingediende Wet op het Hooger Onderwijs leidde tot ontbinding van de Eerste Kamer, die daardoor een rechtsche meerderheid kreeg, waarna de Hooger-Onderwijs-wet werd aangenomen, zoo dat de bijzondere Universiteiten! in rechten gelijkgesteld werden met de openbare (1905).
Ten opzichte van het Bijzonder Lager Onderwijs bracht de Schoolwet-Kuyper groote verruiming aan. De rijkskas zou voortaan bijzonder en openbaar onderwijs gelijk subsidiëeren. Ditzelfde gold nog niet van de gemeentelijke kassen, zoodat het onrecht, het bijzonder onderwijs aangedaan, nog lang niet geheel kon worden weggenomen.
In 1905 kwamen de politieke hartstochten dusdanig in beroering — vooral tegen den persoon dr, Kuyper — dat de uitslag der verkiezingen de val van het coalitie-Kabinet ten gevolge had. Mr. H. Goeman Borgesius werd Kabinetsformateur. Hij stelde samen het ministerie De Meester—Van Raalte (1905—'08), dat een vooruitstrevend liberaal karakter droeg. In die dagen kwam in Den Haag de tweede Vredesconferentie bijeen op initiatief van Roosevelt, president van de Vereenigde Staten (1907). De Amerikaansche millionair Carnegie liet uit sympathie voor het schoone doel het Vredespaleis stichten. Bekend is de nacht van Staal, toen door de Eerste Kamer de oorlogsbegrooting verworpen werd, om 't blijvend gedeelte. Het ministerie verdween in 1908, toen de Tweede Kamer de oorlogsbegrooting verwierp. Het ministerie Heemskerk (1908-'13) nam zijn plaats in, niet naar den zin van dr. Kuyper. Van dit ministerie maakte ds. Talma deel uit, een korten tijd ook de heer Idenburg, terwijl de heer Colijn er in 1911 in werd opgenomen.
Reeds kort na het optreden van dit ministerie kon zijn premier, op 22 December 1908, aan de Tweede Kamer een zéér verheugende mededeeling doen, n.l. dat hij door Hare Majesteit de Koningin er toe gemachtigd was aan de Volksvertegenwoordiging bekend 'te maken, dat er in het Paleis een blijde gebeurtenis werd tegemoet gezien. Officieel werd door de regeering de voorbede des volks gevraagd in den openbaren eeredienst der kerken. 30 April 1909 brak de met spanning verwachte dag aan : Prinses Juliana werd geboren ! Heel het volk was vervuld van vreugd en de golven van blijdschap en geestdrift rolden over het gansche land. 5 Juni werd de jonge Prinses gedoopt in de Willemskerk door dr. J. H. Gerritsen, Ned. Herv. pred. te 's-Gravenhage, waarnemend hofprediker.
Het ministerie Heemskerk heeft veel belangrijk en vruchtbaar werk mogen verrichten. Minister Talma, vroeger Ned. Herv. pred. te Arnhem, bezorgde ons de Arbeidswet en de Invaliditeitswet. Zijn „bakkerswet" strandde. Minister Colijn reorganiseerde het leger door een nieuwe Militiewet (1912). Haar groote beteekenis bleek in het rampjaar 1914, toen de vreeselijke wereldoorlog uitbrak : in twee dagen tij ds konden nu leger en vloot worden gemobiliseerd ! Door Colijn kreeg ook de Landweer een nieuwe organisatie, terwijl de Landstormwet 't mogelijk maakte, dat de regeering bij eventueel gevaar gesteund zou worden door een gewapende Landstorm.
Allerlei oorzaken bewerkten, dat het ministerie Heemskerk in 1913 bij de nieuwe verkiezingen viel. De linksche concentratie plus de Socialisten behaalden tezamen de meerderheid der Kamerzetels, wat tengevolge had, dat een extra-parlementair ministerie optrad onder leiding van minister Gort van der Linden (1913—'18), omdat de Socialisten weigerden ministerzetels te bezetten. Talma's wetten werden niet uitgevoerd ; maar commissiën werden ingesteld voor onderwijs en evenredig kiesrecht.
Vóór echter het ministerie aan zijn eigenlijken arbeid was begonnen, werd heel de wereld beroerd en heel het volkerenleven uit z'n voegen gelicht door het uitbreken van den wereldoorlog (1914—'18), waardoor ook in ons land, hoewel voor den oorlog gespaard, een totale ommekeer in den gang van zaken werd teweeggebracht. Allerlei militaire, maar ook economische en financieele maatregelen moesten worden genomen. Er moesten komen, distributie-bepalingen, rantsoeneeringen, distributie-kaarten enz. Ook kwam het Koninklijk Nationaal Steuncomité.
Het Kabinet wist in deze moeilijke jaren nog een Grondwetsherziening tot stand te brengen (1917), waarbij algemeen kiesrecht, evenredige vertegenwoordiging en stemplicht werden ingevoerd. Het passieve vrouwenkiesrecht (dat vrouwen gekozen kunnen worden) werd wettelijk aanvaard en zoo werd voor de vrouw de toegang ontsloten tot Raden en Staten. In 1919 werd het uitgebreid met het actieve kiesrecht (dat vrouwen mogen stemmen) .
Tegelijk werd een jarenlang onrecht, het bijzonder onderwijs aangedaan, weggenomen: er kwam gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs ten opzichte van de publieke kassen (van Rijk èn Gemeente).
Tengevolge van de Grondwetsherziening moesten er nieuwe verkiezingen worden gehouden. De uitslag toonde, dat rechts een zwakke meerderheid had behaald. Het ministerie Ruijs de Beerenbrouck (1918—'22) werd gevormd. Daar de centrale rijken geheel uitgeput waren, werd in 1918 een wapenstilstand gesloten. Onze troepen werden gedemobiliseerd. Maar toen stak hier de revolutiegeest het hoofd omhoog en bekoord door de onttroning van zoovele vorsten in het buitenland, stak het Socialisme, onder leiding van mr. P. J. Troelstra, ook hier de hand uit naar den troon van Oranje. Maar de revolutiepoging (November 1918) bewerkte het tegendeel van wat ze 'bedoelde : de band tusschen Volk en Vorstin werd nu weer veel nauwer aangehaald !
Als vrucht van den arbeid van het kabinet Ruys de Beerenbrouck noemen we de Arbeidswet-Aalberse (1919), met de instelling van de Arbeidsinspectie. En vooral de Onderwijswet-De Visser (1920), waarin de gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs was uitgewerkt. Het oogenblik dat die wet door de Tweede Kamer werd aangenomen, welk moment wij in 's lands raadszaal mee mochten doormaken, zullen wij nooit vergeten !
Van, 1922—1925 hadden we het tweede ministerie Ruijs de Beerenbrouck. De verwerping van de Vlootwet voor Indië met 50 tegen 49 stemmen, deed het ministerie in z'n geheel aftreden, daar het de portefeuillekwestie gesteld had. Maar alle pogingen tot Kabinetsformatie door anderen mislukten, zoodat het demissionaire Kabinet weer aanbleef.
In 1925 werd het vervangen door het eerste ministerie Colijn. Dit had slechts een korte levensduur. Het struikelde in 1926 over het gezantschap bij den Paus. De coalitie werd verbroken en het kabinet trad af.
Nu was de beurt aan het ministerie De Geer, een intermezzokabinet, dat slechts zoolang aan zou blijven als er een meerderheid werd gevonden.
Gedurende zijn zittingsduur begon de crisis zich reeds te laten gelden. Eenige beroering werd gewekt door de verwerping van het A^edelandsch-Belgisch tractaat.
De verkiezingen van 1929 brachten een rechtsche meerderheid. Een coalitie-kabinet was echter onmogelijk, omdat de coalitie niet was hersteld. We kregen een derde ministerie Ruys de Beerenbrouck (1929—'33). De leden behoorden tot de rechtsche partijen.
Dit kabinet mag wel het crisis-ministerie heeten. Heel het economische leven raakte in noodtoestand als gevolg van de inzinking van het economische leven in heel de wereld. Allerlei steunmaatregelen moesten voor de bedrijven worden genomen, om ze tegen ondergang te beschermen. Crisiswetten werden bij de Kamers ingediend en aangenomen. Contingenteerings-maatregelen werden getroffen. De in andere landen doorgevoerde autarkie noodzaakte onze regeering beperkende bepalingen voor invoer te maken.
De crisis sleepte werkloosheid mee als gevolg. De nood der werkloozen werd mee gelenigd door de oprichting van een Nationaal Crisis-Comité.
Levensversobering moest worden ingevoerd, de inkomsten werden verhoogd. Een sluitende begrooting was niet te verkrijgen. Een Commissie-Welter werd ingesteld om te onderzoeken door welke middelen dit doel kon worden bereikt.
Voorstellen inzake opheffing van enkele rechtbanken en kantongerechten veroorzaakten een conflict met de Tweede Kamer. Ze werd door de regeering ontbonden en nieuwe verkiezingen werden uitgeschreven.
Deze brachten ons het tweede ministerie-Colijn (1933—'37). Zwaar was de taak van dit kabinet. Fel werd het van alle kant bestookt. Ook van Roomsch-Katholieke zijde. Het werd zelfs midden in zijn zittingsperiode ten val gebracht. Maar alle pogingen, door anderen ondernomen om de regeering over te nemen, mislukten. Een ietwat gewijzigd ministerie Colijn zette den begonnen arbeid voort.
Toen, na een partieele Grondwetsherziening in den zomer van 1937, nieuwe verkiezingen moesten worden gehouden, maakte vooraf Colijn zijn zegetocht door het land. De uitspraak der kiezers was niet twijfelachtig ; duidelijk bleek, dat men Colijn begeerde als eerste dienaar der Kroon en hoofd van het nieuwe kabinet. De N.S.B, had geen kans.
Dat ministerie-Colijn mag zitting hebben tot op heden, nu gedachtenis gevierd mag worden van de 40-jarige regeering van onze Koningin.
Onder het tweede ministerie Ruys de Beerenbrouck (1922—'25) viel het 25-jarig regeeringsjubileum van onze Koningin (1923). Met Haar gemaal Prins Hendrik en Haar dochter Prinses Juliana en de Koningin-Moeder Emma, ondervond Zij in die dagen, dat zij door Haar volk wordt bemind en gewaardeerd, geëerbiedigd en hooggeacht, ja, op de handen gedragen !
Droeve dagen zijn doorleefd, toen in Maart 1934 de geliefde Moeder onzer Koningin, onze Koningin-Moeder Emma, stierf. Haar nagedachtenis is bij heel ons volk in zegening. In hetzelfde jaar volgde het onverwacht sterven van Prins Hendrik.
En zoo waren de hier van ouds bekende nationale feestdagen tot twee ingekrompen : 2 Augustus en 19 April waren uitgevallen ! Maar door Gods goedheid zijn de twee weer tot vier geworden. Want onze Prinses Juliana huwde 7 Januari 1937 met Prins Bernhard, die 29 Juni verjaart. En 31 Januari 1938 bracht ons de vierde feestdag weer, door de geboorte van Prinses Beatrix, het zonnetje in het paleis, het zonnetje van ons volk.
Wij gaven hierboven een kort overzicht van de Kabinetten, die onze Koningin gedurende de veertig regeeringsjaren hebben gediend en gesteund en geholpen. Terwijl Zij, als een kloeke Vorstin en een echte Oranje, het Hoofd bleef van den Staat, dat leiding gaf en blijken deed, dat Zij regeeren kon. Regeeren kon, trouw aan de Grondwet en sterk door Haar geloof en haar Godsvertrouwen.
Zij is begonnen met de woorden : „in Gods kracht", zij heeft die woorden telkens herhaald en tot op heden ligt de kracht van onze geliefde Vorstin in God.
Mogen wij dit artikel — waarvan het gedeelte over de ministeries ontleend is aan , De Historiestem" van de Rotterd. Oranje-Vereeniging, waarin ds. N. Buffinga een artikel schreef „Veertig jaren" — besluiten met het volgende, om te doen zien dat onze Koningin Zich nooit geschaamd heeft voor Haar geloof :
Het was het gouden feest van het Koninklijk Marine-Instituut te Den Helder. Onze jonge Koningin — zij was pas 24 jaar — zou die feesten komen bijwonen. Op het groote excercitieveld zou Zij een vaandel uitreiken aan het Adelborsten-corps. Daar stond Zij, in het glanzende licht van den zomer-morgen, als iets heel liefs en iets heel zuivers — een idylle — op het groote veld, de hand geklemd om den stok van het vaandel, dat zij zou uitreiken. Daar stond zij tegenover het korps. Jeugd tegenover jeugd. Welk een ontroerend oogenblik voor ons allen ! Hoe trof mij haar sterke, melodieuse stem. Nóg hoor ik haar zeggen, en het is of deze woorden in mijn geest gegraveerd zijn blijven staan : „Onze groote vlootvoogden namen Gods Woord altijd tot.richtsnoer van hun leven. Toekomstige zee-officieren, volgt dat voorbeeld na !" (D. Hans in „Vrije Geluiden”).
Op dat groote veld, in het milde licht van de zon, bij de kleurige uniformen der adelborsten, die jonge, vorstelijke vrouw, met haar zangerige stem, sprekende dat woord : laat Gods Woord altijd uw richtsnoer zijn !...
Zóó is onze Koningin. Koningin Wilhelmina, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau. Die in Haar Kerstgroet, te midden van oorlogsellende, haar Koninklijk hart openlegde voor héél Haar volk, toen Zij sprak van Het Kindeke in de kribbe en zei : „Laten wij met de herders gaan in het gebed naar de kribbe, naar het kruis, met al onze nooden en vragen. Tot ten slotte ons vragen verstomt en ons gebed en geloof overgaan in aanbidding”.
Zóó is onze Koningin, bij en door de gratie Gods.
En wij ontblooten ons hoofd, wij danken onzen God.
En wij bidden en zingen en juichen.
Wij zingen : Oranje boven !
En wij jubelen het lied :
U, Vrouwe van Nederland, geldt onze zang,
Ons lied, in beproeving geboren,
Het zingt in de ziel en het klinkt op de straat.
Het jubelt, het juicht van den toren.
Wij scharen ons om de Oranjetroon heen,
Met God blijft Oranje en Nederland één !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1938
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's